Indonesie

De Molukken

Genieten in de Torresstraat en Arafura zee

Ons vertrek uit Port Morresby wordt een halve dag uitgesteld. Als we de eerste keer willen uitvaren krijgen we te maken met sterke tegenstroom en stevige wind op de neus. Op volle toeren lopen we amper 1.5 knoopjes en we twijfelen of we voor het donker uit de riffen zijn. We keren terug en de volgende ochtend gaat het een stuk beter. Daarna wordt het zeilen gewoon een feest. Eerst door de Torresstraat, de smalle zee-engte die Australie van Azie scheidt. Een blik op de zeekaart laat een wirwar van riffen zien en het lijkt op het eerste gezicht alsof er helemaal geen doorgang is. Maar deze route wordt ook door de grote scheepvaartvaart genomen en is daarom goed gemarkeerd. De pilot waarschuwd voor verradelijke stromingen en harde winden, maar wij vinden het allemaal goed te doen. Je moet gewoon goed opletten en ieder moment weten waar je bent. Dat zal vroeger voor het GPS-tijdperk wel lastig zijn geweest, maar nu is het een eitje. Er staat een stevige passaatwind van 30 knopen maar het grootste gedeelte hebben we lopende winden zodat je er niets van merkt. Bovendien varen we tussen riffen zodat de zee geen kans krijgt op te bouwen. De eerste keer dat de dieptemeter minder dan 20 meter aangeeft schrikken we nog een beetje. Gevoelsmatig zou dat honderden meters moeten zijn. We zitten immers op open zee. Maar later als de diepte verder valt naar 12 meter, weten we dat het klopt. Het zijn visrijke gronden en het wemelt hier helaas van de vissersboten. Uitkijken geblazen. Ook wij vangen een prachtige wahoo waar we vier keer van kunnen eten en dan nog de helft overboord moeten gooien. Aan het einde van de Torresstraat komen we langs eilanden met de fantasieloze namen Tuesday-island, Wednesday-island en Thursday-island. Wie zou dat bedacht hebben? Dit is Australisch grondgebied en we verwachten dan ook ieder moment een oproep van een vliegtuigje van de Australische kustwacht. Maar blijkbaar werken ze niet op zondag want het blijft rustig. De Torresstraat gaat over in de Arafura-zee. De wind is afgenomen naar 20 knopen en we hijzen de grote rood-wit-blauwe passaatwinder die de hele verdere tocht dag en nacht blijft staan. Een Jan-van-Genten koppel vindt het ook mooi zeilen en lift gezellig ruim 100 mijl met ons mee. Ze zijn absoluut niet bang en af en toe moeten we ze zelfs aan de kant duwen omdat ze in de weg lopen!

 

Saumlaki: Wereld van kleur, geur en .... corruptie

Precies een week na ons vertrek uit Port Morresby komen we aan in Saumlaki, de hoofdstad van de Tanimbar-eilanden, behorend tot de zuidelijke Molukken. We zijn 1050 mijl verder en letterlijk en figuurlijk in een ander werelddeel beland. Een wereld van kleur, geur en veel lawaai. Na twee seizoenen in de vredige Stille Zuidzee is het een ware aanslag op onze zintuigen. In de haven worden we ingehaald door kleine vissersbootjes met het geluid van een helicopter. Op straat worden we van alle kanten voorbij gescheurd door brommertjes zonder knaldemper volgeladen met vrouw, kinderen plus de halve huisraad. Langs de weg staan kleine eetkraampjes (warungs) waar ze gebakken banaan, cocusijs en sateestokjes verkopen. Wat een feest! Tien sateestokjes voor een euro. Helaas wordt na 2 dagen onze favoriete eettent door de politie met de grond gelijk gemaakt. Het was een gezin uit het overvolle Java dat hier werk probeerde te vinden maar geen vergunning had. Ook wij krijgen met de autoriteiten te maken. Op de kade worden we opgewacht door een dikke Molukker op een brommertje. "Back, back, you have no permission to go ashore". Hij zegt dat hij de quarantaine man is, maar hij draagt geen uniform en kan zich niet legitimeren. Eenmaal aan boord wijst hij naar de mast. "where is your yellow flag?" De gele quarantaine vlag hadden we wel gehezen, maar ik had het koordje kapot getrokken. "That's mistake number one". Daarna trekt hij geirriteerd alle kasten open. "No whisky?" Dat is dan mistake number 2, denk ik bijmezelf. Saumlaki is geen officiele port of entry en ondanks dat wij een geldig visum en cruising permit hebben, kunnen we teruggestuurd worden. Wij weten dat, en hij weet dat ook. Wij zullen moeten dokken. De vraag is alleen hoeveel. Na stevig onderhandelen, maar met een brede grijns op zijn gezicht, treffen we een schikking van US$30, een belachelijk hoog bedrag voor dit land. Maar zo werkt dat hier nou eenmaal en daar doe je niks aan.

Samen met de bemanning van twee andere zeiljachten huren we een busje (bemo) en een gids, Matthias, voor een eilandtoertje. Er is maar een weg en die voert over groene heuvels langs allerlei kleine dorpjes. In een van de dorpjes is de weg afgezet. Midden op straat staat een doodskist en twee mannen zijn druk doende de kist met verf te bespuiten. Op het tafeltje ernaast staat een collecteschaal. De overledene is een jonge man die uit een cocusboom is gevallen. We gaan naar een "oom" van Matthias die een arak-destilleerderijtje heeft. We zien hoe de palmwijn van de cocusboom getapt wordt en via een ingenieus leidingstelsel van bamboostokken verhit wordt voor het de fles in gaat. We mogen het spul proeven. Ieks, wat is dat vies. Als we er een aansteker bijhouden vliegt het spul (de arak, niet de destilleerderij) in de fik. Daarna volgt een bezoek aan een andere "oom" in een houtsnijdersdorpje. We hebben een paar hele mooie beelden gezien, maar de eigenaar is niet de "oom" van Matthias en dus gaat de deal niet door. Wij balen, de kunstenaar ook. Terug in Saumlaki krijgen we de schrik van ons leven als we Zwerver niet meer op de ankerplek zien liggen. Door de getijdestroom heeft het anker zich losgewrikt waardoor Zwerver op drift is geraakt. We zien de boot een mijl verder rustig dobberen. Matthias houdt twee brommertjes aan roept iets naar de bestuurders. Een seconde later scheuren we in een noodgang luid toeterend door de drukke winkelstraat naar de haven. Het is net een James Bond- scene. We bereiken op tijd de boot voordat deze op het rif kon lopen. De volgende dag komt de "oom" van Matthias naar Saumlaki met twee copieen van de beelden. Minder mooi, maar we krijgen ze dan ook voor de helft van de prijs. Eind goed, al goed.

 

Banda: Op zoek naar ons koloniale verleden

Een miniscuul klein stipje op de zeekaart, ongeveer 100 mijl ten zuiden van Ceram. Ooit was dit piepkleine eilandenrijkje het meest begeerde plekje van de wereld waar de Hollanders, Engelsen en Portugezen een stevig robbertje om gevochten hebben. De hoofdreden voor veel ontdekkingsreizen uit die tijd was de nootmuskaat. Het verhaal gaat dat zelfs Columbus, toen hij Amerika ontdekte, eigenlijk op zoek was naar Banda.Wij Nederlanders hebben hier goud geld verdiend met een handelsmonopolie dat met bloedig geweld afgedwongen werd. De hoofdrol was weggelegd door de legendarische Jan-Pieterszoon Coen, vermaard om het unieke perkensysteem dat hij invoerde, maar verguisd vanwege het uitmoorden van bijna de hele oorspronkelijke Bandanese bevolking. Onze interesse is gewekt en we besluiten een ommetje te maken om te zien wat er bewaard is gebleven van ons koloniale verleden.

Zeilen van de bovenste plank

Een straffe zuid-oost passaat van 25 knopen staat garant voor een snelle overtocht. We bomen onze rood-wit-blauwe passaatwinder naar beide kanten uit en wat volgt zijn 250 volmaakte mijlen. Zelfs onze timing is deze keer perfect. Tegen het ochtendgloren naderen we voorzichtig de kleine eilandengroep. We hebben geen goede kaarten van dit gebied en ook C-maps, het electronische kaartensysteem, laat niet meer details zien dan 3 groene stippen. Geen navigatiebakens, geen dieptelijnen, we zullen onze ogen goed de kost moeten geven. De actieve vulkaan Gunung Api die in 1988 nog uitgebarsten is en nog steeds een rookpluim te zien geeft, is ondanks de laaghangende bewolking goed zichtbaar en dient als richtpunt. Als we de smalle zeestraat tussen Banda Besar en Gunung Api indraaien, krijgen we te maken met het bekende schoorsteeneffect. In dit trekgat staat de wind pal op de neus en stampen we op volle toeren tegen stroom en golven in. We vragen ons af hoe onze zeevarende voorvaderen dat vroeger met hun dwarsgetuigde VOC-schepen gedaan hebben. Gingen ze buitengaats voor anker of namen zij wellicht de noordelijke doorgang met de vriendelijke naam Sonnegat?

Tropisch juweeltje

Wat we vervolgens te zien krijgen had rechtstreeks uit een schilderij kunnen komen. Aan bakboord rijzen de indrukwekkende flanken van Gunung Api 650m stijl omhoog. Tussen het weelderige en geurige groen zien we rode en witte papagaaien met een lange pluimstaart. Het rechter gedeelte van de vaarweg is ondiep. Op het drooggevallen rif scharrelen figuurtjes op zoek naar krabben. Op de oever gaan de huisjes deels schuil onder de bomen. Er stijgen rookpluimen op en zo te ruiken wordt er op houtsvuurtjes gekookt. Midden in de vaarweg liggen een tiental bamboe visvlotten met daarop kleine rieten hutjes en vrolijk wuivende vissersfamilies. In het centrum van deze tropische idylle ligt het pittoreske hoofdstadje Naira met z'n kleurrijke paalwoningen en glimmende moskee-koepels. Daarboven in de heuvels tekenen zich de met kantelen afgezette torens van het oudhollandse fort Belgica af. Plotseling worden we opgeschrikt door het gepiep van de dieptemeter. Nog slechts 3m water onder de kiel, nog twee, nog een.... Het water is glashelder en wat we zien draagt niet bij tot onze gemoedsrust. Even krijgen we het spaansbenauwd maar dan duikt de meter tot onze grote opluchting opeens terug van een halve naar 40 meter. Het blijft diep en onze volgende uitdaging is het vinden van een geschikte ankerplek. Op aanwijzing van een druk gebarende man op de kant, volgen we het voorbeeld van de vissers. Ons oude CQR-anker voldoet prima als hekanker en de boeg maken we met lange lijnen vast aan een stevige palmboom.

De prijs van nootmuskaat

Voordat in 1512 Banda ontdekt werd door de Portugezen, werd de kostbare nootmuskaat voor een prikkie opgekocht door de Chinezen en Arabieren en bereikte het per caravaan via de klassieke lange handelswegen uiteindelijk Venetie en de rest van Europa, waarbij de specerijen telkens 100% in waarde stegen als ze van hand wisselden. Wie rechtstreeks met de Bandanezen handel kon drijven kon dus rekenen op woekerwinsten van meer dan 1000%. In 1599 arriveerde vice admiraal Jacob van Heemskerk met de Geldria en Zeelandia. De Portugezen werden verdreven en voor Nederland brak de Gouden Eeuw aan. Nog meer dan de Portugezen waren de Bandanezen de werkelijke grote verliezers die de nootmuskaat met hun leven betaalden. Het Nederlandse handelsmonopolie werd met veel bloedvergieten afgedwongen. De onwillige Bandanese bevolking werd in opdracht van Gouverneur Jan Pieterszoon Coen door japanse samourai krijgers grotendeels uitgemoord en vervangen door perkeniers. Dit waren merendeels oud VOC gedienden, die een stuk grond (perk), een mooi huis en 25 slaven toegewezen kregen. Coen werd door de Heeren Zeventien geprezen en ontving voor zijn optreden een, voor die tijd riante, beloning van 3000 gulden. Hoewel uit oude dagboeken kan worden berekend dat er voor ruim 1 miljard gulden (6 miljard euro huidige waarde) aan specerijen door de Hollanders uit Banda geexporteerd werd waren de winsten bij lange na niet zo florisant als wel gedacht werd omdat in de boekhouding niet de enorme kosten van de vloot, de forten en laat staan de verloren levens meegeteld werden. In 1790 gaat de VOC failliet met in die tijd een schuld van 12 miljoen gulden.

Als we door de nauwe straatjes van Naira lopen komt de geur van specerijen ons tegemoet. Geen nootmuskaat, daar is het nog niet het seizoen voor, maar kruidnagelen liggen op gevlochten matten in de zon te drogen. Ieder vrij plekje wordt benut, zelfs de moskee wordt voor de handel ontheiligd. Een kilo kruidnagelen levert de planters 20.000 roepias (2 euro) op. Nootmuskaat ruim het dubbele. In Nederland kost een zakje nootmuskaat van 12 gram ongeveer een euro. Even snel rekenen. Juist, iemand wordt hier nog steeds erg rijk, maar wederom zijn dat niet de Bandanezen!

Vergane glorie

De herrinneringen naar vervlogen hollandse tijden zijn overal tastbaar, hoewel het meeste de tand des tijds niet doorstaan heeft. Op een enkele na, zijn de meeste perkeniershuizen in verval geraakt of hebben op z'n minst dringend een likje verf nodig. Het was een paar jaar geleden nog mogelijk als buitenlander een perkeniershuis op te knappen wat je het recht gaf er te blijven wonen tot aan je dood. Maar sinds de rassenrellen van 1999/2000 komt er niemand meer naar de Molukken. Een mooi gerestaureerd perkeniershuis is ingericht als museum en herbergt een interessante collectie kanonnen, musketten, oude munten en prachtige zeekaarten, maar ook typisch hollandse gebruiksvoorwerpen. Het museum is gesloten maar wordt op ons verzoek geopend door een iel moslimmannetje dat zojuist uit de vrijdagdienst komt met een levensgrote afbeelding van Osama Bin Laden op z'n T-shirt. De perken zelf geven misschien nog wel het beste de vergankelijkheid van de tijd weer. Perk Van de Broecke, tot het jaar 2000 nog door de originele familie bewoond en vol in gebruik, is door een stel oververhitte moslims van naburig Ambon in de brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt. De heer Van de Broecke en vier andere christenen zijn op brute wijze vermoord. Wat rest is nog een zwart geblakerde toegangspoort. Tussen de ruines grazen geiten en nieuwe bewoners leven er in droevige omstandigheden in roestige golfplatenhutjes. De plantage is verwoest en het kost kapitalen om dat weer te herstellen. Ook het hollandse kerkhof is niet aan de godsdienstwaanzin ontkomen. Verminkte ledematen van de marmeren engelen liggen her en der op de grond. Veel grafstenen zijn verdwenen en doen nu dienst als vloertegels bij een moslimfamilie. "Hier rust Geertruida Petronella de Vriesch..." op de steen ligt een geit op z'n gemakt te herkauwen. De buren hebben het vervallen kerkhof in gebruik genomen en er cassave geplant. Zou er nou niemand in de gaten hebben dat hiermee ook hun culturele erfgoed naar de filistijnen is gegaan?

Nice souvenir

Kanonnen in het museum, kanonnen in de tuin van het hotel, kanonnen voor het oude gouverneurshuis en kanonnen gewoon op straat. We struikelen er letterlijk over! Het pentagonale fort Belgica heeft op iedere toren een groot kanon staan. Een daarvan is op ons bootje gericht. Het uitzicht is fantastisch met onder onze voeten de rode daken van het stadje en de restanten van fort Nassau en daarachter de nauwe zeestraat. Geen enkel schip kwam hier vroeger ongezien binnen. Vanaf hier is ook goed te zien dat we de noordelijke doorgang hadden moeten nemen. Het fort is foei lelijk gerestaureerd; het lijkt of de cement er gewoon op gekwakt is en er elk moment weer vanaf kan vallen. We dolen door de vele kamers die van elkaar gescheiden zijn door 50cm dikke koraalmuren en fantaseren over hoe druk en lawaaierig het geweest moet zijn als er een legioen gelegerd was. Dan komt er plots een oudere man op ons af. "I have nice souvenir for you". We hebben geen behoefte aan een souvenir maar uit beleefdheid (en nieuwsgierigheid) kijken we toch wat hij aan te bieden heeft en onze mond valt open van verbazing. Uit een oude theedoek haalt hij een prachtige set van twee bij elkaar horende krissen tevoorschijn. Ze waren al in bezit van opa en via zijn vader in zijn bezit gekomen. Maar nu wil hij er vanaf omdat hij z'n brommer moet afbetalen. Als de deal gesloten is verbaast hij ons weer. "I have more" en deze keer staan wij verbijsterd naar een bronzen musket te kijken met daarin de initialen van de VOC. Zou het echt zijn? Valt dit onder de wapenwet of zijn we met zo'n ding aan boord in overtreding omdat we antiek het land uitsmokkelen? De prijs is goed en de verleiding groot. Doen of niet?

Ongerepte onderwaterwereld

De sfeer op Banda is bijzonder prettig en doet ondanks alle hollandse invloed eerder oosters aan. Dat gevoel wordt nog eens versterkt door het gezang van de imam die 5 keer per dag de gelovigen tot gebed oproept. De bandanezen zijn bijzonder vriendelijke en hulpvaardige mensen. Een enkeling verstaat Nederlands. We maken kennis met Abba, een arabische parelhandelaar, die ons uitnodigt bij hem thuis te eten. Kip in een nootmuskaatsaus, vis is een pittige saus met kruidnagelen en heerlijke aubergines met een kanarienotenvulling. Abba's vrouw doet voor ons de was en kookt voor 80 liter drinkwater zodat we de tank kunnen vullen. Met gemak krijg je hier je dagen gevuld. Iedere dag ontdekken we wel weer iets interessants. Een oud hollands kerkje waarvan de wijzers van de klok stil zijn blijven staan op de tijd van de Japanse invasie, een borstbeeld van Willem de Derde in de overwoekerde tuin van het voormalige gouverneurshuis, oude VOC munten in een fruitstalletje. Samen met Abba en een filmploeg uit Jakarta gaan we de onderwaterwereld aan de voet van de vulkaan verkennen. Het koraal is in verbluffend goede staat en het wemelt er van de vis. Op het naburige eilandje Pulau Ay is het koraal zo mogelijk nog uitbundiger. Het doet pijn als we er ons anker moeten uitgooien, maar we hebben geen andere keus. Vroeger was er op Banda een duikschool maar bij gebrek aan toeristen is die gesloten. Het gerucht gaat dat een rijke amerikaan het koloniale hotel heeft opgekocht om er duikcharters te beginnen. Voorlopig is het historisch en natuurlijke juweeltje nog een ongerept paradijs voor een enkele verwaaide zeilboot en wat ons betreft mag dat zo blijven.

 

Ambon: Hoe gaat het met jou meneer?

Na een onvergetelijk verblijf op Banda zetten we koers richting Ambon, 140 mijl noordelijker. We komen nu binnen de invloedssfeer van de evenaar en wat we daarvan merken is dat de wind het laat afweten. Voor het eerst sinds weken gaat de motor aan. We krijgen gezelschap van een grote school dolfijnen maar verder gebeurt er niets noemenswaardigs. We ankeren enkele mijlen buiten de stad Ambon voor het huis van de familie Silooy, familie van de Ajax voetballer. Hun grootouders zijn na de polutionaire acties in 1949 naar Nederland vertrokken en wonen nu in Nijmegen. Opa Silooy was bij het KNIL. Dat schept een band en voordat we het weten zitten we geanimeerd over de indonesische politiek te praten. De Molukkers voelen zich vergeten door Jakarta en willen het liefst onafhankelijkheid. Wij dachten dat de RMS zo goed als dood was, maar ondergronds wordt het vrijheidsideaal nog levendig gehouden. Dat gebeurt tegenwoordig met SMS-jes. De family Silooy is een typische Molukse familie. Broers, zussen, ouders en schoonouders wonen allemaal bij elkaar en zorgen voor elkaars kinderen. Om de familie financieel een beetje te ondersteunen eten we tegen betaling met ze mee. En koken dat kunnen ze hier!

Joty Silooy gaat met ons mee naar Ambon en haar aanwezigheid maakt het voor ons een stuk gemakkelijker bij de autoriteiten. Maar desondanks kost het ons een volle dag om onze papierwinkel in orde te krijgen. De bureaucratie viert hoogtij hier. In het kantoor van de havenmeester hangen tientallen belangrijkuitziende mannen rond, TV kijken, of gewoon een sigaretje roken. Harry zit al meer dan een uur binnen en er lijkt niets te gebeuren. Ik zit buiten met 2 andere zeilers op de stoep. Het is verschrikkelijk heet. "Where can we get a cold beer here?" vraagt Tod aan een van de uniformen. De beste man pakt z'n brommertje en rijdt met Tod naar de dichtsbijzijnde warung en komt terug met koud bier. Allemaal in de baas' tijd. Dat kan hier gewoon. Ambon is een grote drukke stad, stinkend van de walmende uitlaatgassen van de duizenden brommertjes en de bergen vuilnis op straat. Het enige tastbare wat overgebleven is van de hollandse gloriedagen is de toegangspoort van fort Victoria met de wapenschilden van Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. We mogen er niet in want het is militair gebied. Er zijn verdacht veel militairen aanwezig. Het is 17 augustus en dan viert Indonesie haar onafhankelijkheid "Merdeka". Op het gazon voor het gouverneurshuis staan alle eenheden opgesteld en er vinden allerlei langdradige ceremonies plaats. De hoogwaardigheidsbekleders en hun vrouwen kijken vanaf het bordes verveeld toe. De Ambonese bevolking kan het geen moer schelen. We zijn een bezienswaardigheid. Sinds de rassenrellen van 1999/2000 (zij noemen het zelf "accidents") blijven de toeristen weg. We worden veelvuldig aangesproken. Deze keer niet om hun engels te oefenen, maar ze willen graag nederlands praten. "Hoe gaat het jou meneer?"

ulawesi

Het verkeerde eiland

We zagen het allebei tegelijk. Heel even kwam er iets groots uit het water maar voordat we konden zien wat het was, was het ook alweer verdwenen. We blijven kijken en even later komt er een joekel van een walvis boven water. Pffffff gevolgd door een enorme lichtgrijze gespikkelde rug met een heel klein vinnetje. We schatten hem toch wel zeker 15m lange en het is geen bultrug. Zonder ons een blik waardig te keuren komt hij nog een paar keer boven water, zonder dat we hem kunnen identificeren en duikt dan voorgoed de diepte in. We zijn onderweg naar Wangi-wangi, een klein eilandje op de zuid-oost punt, zeg maar de rechterschoen, van Sulawesi. Het schijnt dat je er fantastisch kunt duiken. De 2-daagse tocht loopt voorspoedig en ruim voor zonsondergang ronden we de noordtip van het eiland. "Anchor at the westside" zegt de pilot, maar waar we ook proberen de kust te naderen stuiten we op een gevaarlijk rif dat deels boven water komt. We vragen een vissersboot om raad. Die wijst naar een doorgang tussen twee half verrotte markers die we over het hoofd gezien hadden. Hoe diep het daar is? Ze begrijpen onze vraag niet en blijven wijzen op grote schepen die aan de andere kant van het rif voor anker liggen. "no problem, no problem". Langzaam draaien we de doorgang in. Harry aan het roer, ik op de voorpunt om aanwijzingen te geven. Precies op het moment dat ik schreeuw "terug, terug!" roept Harry dat de dieptemeter nul aangeeft. Volgas achteruit voorkomt dat we aan de grond raken. Oef, daar komen we weer goed weg. Die grote vissersschepen hebben blijkbaar weinig diepgang en ze verwachten niet dat zo'n klein bootje als wij dat wel heeft. Het begint te schemeren en omdat we niets anders kunnen vinden leggen we Zwerver langzij een roestige sleepboot waarvan de tienkoppige bemanning ons met open monden aanstaart. Privacy is er niet bij, maar gezellig is het wel. Ze willen allemaal met ons op de foto. Als we later aan wal gaan, blijkt dat we op het verkeerde eiland zitten. De kaart was goed, maar de pilot had het weer eens mis. Ach, wat kan het ook schelen. We stappen in een bemo (overvol taxi-busje met keiharde muziek) zonder te weten waar die naar toe gaat en laten ons gewoon verrassen. Het blijkt een prachtig eiland waar op traditionele wijze wordt gevist dmv stenen visfuiken. Ergens in de dessa stuiten we op restanten van een oud hollands fort en Harry vindt een sate-tentje waar ze 10 stuks voor 0.70 cent verkopen. Wat wil je nog meer?

Piraterij en slavenhandel

Onze volgende bestemming is Bau Bau op het eiland Buton, eveneens op diezelfde rechterschoen van Sulawesi. Als we in alle vroegte het eiland naderen worden we getrakteerd op een schitterende vuurrode zonsopgang. Daarna breekt voorzichtig een vaal wit licht door het wolkendek en bevinden we ons temidden van honderden kleine traditionele visserskanoos, met op de achtergrond de groene heuvels van Buton nog in de nevelen gehuld. Het is een prachtig gezicht.

We staan telkens weer versteld van de kleinschaligheid waarop gevist wordt. Deze mannen vissen met een simpel lijntje en niets anders dan een haakje met levend aas. De hele dag zitten ze in hun piepkleine bootje tot ze 2 of 3 middelgrote vissen gevangen hebben en keren dan huiswaarts. Om zich te beschermen tegen de brandende zon dragen ze de meest bizarre hoofddeksels, van strooien chinese punthoedjes tot een bromfietshelm. We parkeren Zwerver op goed geluk midden tussen een vloot grotere traditinele vissers- en vrachtscheepjes, midden in het centrum van het stadje pal tegenover de Pasar Malam (nachtmarkt) waar je heerlijk kunt eten aan de waterkant. Bau Bau was vroeger de zetel van het voormalige Wolio sultanaat en genoot tot aan de overheersing door de Hollanders een relatieve autonomie. De eilandbewoners hebben een eigen taal en een cultuur die beinvloedt is door de Bugis, een groot zeevarend volk dat berucht was om z'n piraterij. In de heuvels boven het stadje staat het imposante en deel gerestaureerde fort. Ieder achterop een ocek (klein pruttel brommertje) met een veel te klein achterlijk plastic helmpje op onze kop, scheuren we er met Eddy en Mohammed naar toe. Eddy spreekt een mondjevol engels en kent alle interessante plekjes en wetenswaardigheden van het fort. De dikke koralen, met kantelen afgezette ommuring is maar liefst 3km lang, en is volgens Eddy daarmee het grootste fort van de wereld, "much bigger then the Chinese wall" voegt hij er overtuigend aan toe. Wat maar weer eens aangeeft hoe beperkt hun blik op de wereld is. Op iedere hoek staat een grote toren met kanonnen waarin we het VOC-teken herkennen, hoewel het fort oorspronkelijk door de portugezen gebouwd is en dienst deed als slavenbastion. Het uitzicht over het eiland en de zeestraat is prachtig, maar mooier nog vinden we het kleine dorp dat binnen de muren is gebouwd. Het is een oase van rust met kleurige, goed onderhouden traditionele huizen op palen omringd door palmen, bananebomen en daartussen scherp contrasterend de bloesems van vuurrode bougainville. Een van de oude houten sultanpaleizen is open voor publiek. Het mooie ervan is dat dit "paleis" nog steeds familiebezit is. Het is volledig ingericht met antieke meubelen en snuisterijen en ruikt naar bijenwas en groene zeep. Aan de muur prijkt een antieke hollandse klok en ook de kaarslampen doen vertrouwd aan. Aan de zeer uitgedijde stamboom (een sultan had minimaal 6 vrouwen en 20 kinderen!) kunnen we zien dat de Wolio-dinastie begonnen is met een vrouw. Volgens Eddy een oosterse prinses die rechtstreeks afstamde van Dengis Khan.

In Bugis land

Vrije vogels

De provincie zuid Sulawesi telt 6.5 miljoen inwoners, waarvan 4 miljoen Bugis en 2 miljoen Makassars, beide grote zeilvarende volkeren. Vroeger was het zuidelijke schiereiland onderverdeeld in kleine koninkrijkjes. De twee belangrijksten waren het Makassar koninkrijk Gowa en het Bugis koninkrijk in Bone. Er bestond een constante rivaliteit tussen de Makassars en de Bugis waarvan de nederlanders handig gebruik maakten. Zij vonden Gowa in de weg staan op hun handelsmonopolie en vonden een partner in de Bugis prins arung Palakka die in ballingschap was. De Nederlanders sponsorden de terugkeer van Pakakka naar Bone in 1666 die daarop Makassar aanviel. Na een jaar vechten werd de sultan van Gowa gedwongen tot de ondertekening van het verdrag van Bungaya en zo kwam het hele gebied in Nederlandse handen. Echter, de onderlinge rivaliteit tussen de Bugis van Bone en de overige Bugis deed het politieke landschap veranderen. Na een korte onderbreking tijdens de Napoleontische oorlogen, keerden de Nederlanders in 1905 terug maar de Bugis, onder leiding van de koningin van Bone kwamen in opstand. Deze rebellie werd weliswaar op de bekende bloedige wijze gebroken, maar het bleef onrustig tot de jaren 30. De Bugis zijn streng Moslim en onafhankelijk van geest. Ze trekken zich weinig aan van de regering in Jakarta en kwamen in 1957 nog in opstand tegen de toenmalige Indonesische regering.

Rijke maritieme geschiedenis

De Bugis zijn Indonesie meest vermaarde en beruchte zeilers (here comes the bugi man!) en kunnen bogen op een rijke maritieme geschiedenis. In de 14e eeuw werden de Penisi schoeners al vernoemd in Javaanse poezie. Hun invloedsfeer bereikte zijn hoogtepunt in de 17e en 18e eeuw toen de Bugis zo'n beetje alle strategische handelsroutes in de regio beheersten, van Borneo tot Flores, Timor, Sumbawa. Verder hebben ze een 500 jaar handelsgeschiedenis en culturele links met de Aboriginals in Noord Australie. Ze ruilden tabak, ijzer en glas in ruil voor visrechten in de Australische wateren. Hun bezoek uit die tijd wordt nu nog beschreven in dans, gezang en ceremonies van de aboriginals. De Britse ontdekkingsreiziger Matthew Flinders kwam meer dan 60 Penisi tegen in Melvilla Bay en nog steeds trotseren deze schoeners de gevaarlijke zeeen en riffen van Australie om de traditie in stand te houden. Australie laat dat gedeeltelijk toe, maar is steeds fanatieker in het beschermen van hun visgronden. Overtreders van de overigens vaag gemarkeerde gebieden worden in het gevang gegooid of gerepatrieerd waarbij menig penisie in de brand is gestoken.

Traditionele bootbouwers

Onze bestemming is Tana Beru, een klein vissersdorp op de linkerpoot van Sulawesi, 10 km ten westen van Bira. Dit is het centrum van de traditionele bootbouwindustrie. Van afstand zien we de majestueuze houten Penisi schoeners, met hun markante lange en hoogoplopende boegsprieten al liggen en horen we het ijverige geklop van de timmerlieden. Op het strand, onder een dak van palmbladeren, liggen minstens 50 schoeners in verschillende stadia van voltooiing.

We lopen over een verend tapijt van houtkrullen. Tussen de stapels boomstammen en planken scharrelen kippen en geiten. Deze open-lucht-werfjes zijn kleine familiebedrijfjes. Honderden jaren vakmanschap gaat over van opa op vader op zoon. De kleinere 10m boten, bestemd voor de visserij, worden nog op traditionele wijze gebouwd waarbij gebruikt gemaakt wordt van eeuwenoude ontwerpen en technieken. Het meest in het oog springende element is de lange voorsteven die in een hoek van 45 graden omhoog loopt en de smalle, omhooglopende achtersteven met lange overhang. De boten hebben een geringe diepgang van 1m en zijn daarmee bij uitstek geschikt voor de ondiepe vaarwateren in Indonesie. Er worden geen schroeven gebruikt maar grote houten pennen en wordt er gebreeuwd met boomschors en bananabomenvezels waarna er een laagje hars overheen gesmeerd wordt. Tot onze verrassing wordt eerst de romp opgebouwd en pas daarna komen de spanten erin. Er wordt drie soorten hout gebruikt. Het onderwaterschip is eenlaag van 8cm planken van Ironwood (mooi donkerbruin hardhout), de romp is ook van ironwood, 6cm dik en de opbouw is van jati-hout, een lichtere houtsoort. Voor de spanten zoeken ze zo veel mogelijk boomstammen die al een beetje de natuurlijke vorm van een spant zijn. Tekeningen komen er niet aan te pas. Met een ijzeren staaf wordt de vorm van de romp afgebogen en vervolgens op een stuk hout afgetekend. Met een kettingzaag wordt de spant uitgezaagd. Daarna wordt de spant met de hand op maat gemaakt. Een spant is wel zeker 10 bij 10 cm dik! Een 9m bootje, waar vader en zoon samen 2 maanden aan werken, kost 10.000.000 Rp dat is ongeveer 1000 Euro! De moeite waard dus om hier te gaan shoppen. We vragen ons af of er nog geen Europeanen zijn die dit ontdekt hebben. En jawel hoor! De grotere boten met een lengte van 20m worden veelal in opdracht gebouwd voor Australische en Europese klanten en worden ingezet als charterboten in Bali en Java. Wij worden uitgenodigd een kijkje te nemen aan boord van een van deze toeristenschoeners die gebouwd wordt voor "mister Willy from Frankfurt". Of we hem misschien kennen? De bouwers vertellen ons trots dat ze gebruik maken van "moderne" technieken en gereedschappen zoals gegalvaniseerde schroeven, sikaflex en epoxy. Het design is een penisi met hier en daar wat aanpassingen. Zo is de opbouw groter, soms wel drie verdiepingen hoog, zodat het lijkt op een piratenschip. Binnen treffen we een warm houten interieur aan met zeker 10 ruime kooien voor gasten, voorzien van douche en toilet. In het motorruim staat een grote Suzuki motor, tweede hands gekocht in Japan. Hoewel de schoeners uitgerust zijn me 2 grote masten, hebben we er niet een zien zeilen. Jammer. Ze zouden net als in Nederland, de bruine vloot in ere moeten herstellen.

De touristische kant van Indonesie

Het Indonesie dat we tot nu toe gezien hebben, vind je niet in de toeristenfolders. Gelukkig maar. Anders wordt het als we op de Gilis aankomen, 3 miniscule eilandjes voor de kust van Lombok. De Lonely Planet beschrijft het als het tropische paradijs maar houdt natuurlijk geen rekening met verwende kwasten als wij. Toch is het er niet onaardig. De eilandjes zijn auto- en motorvrij wat op zich al een verademing is. Er rijden paardenkoetsjes maar in een uurtje loop je het eiland over. Het is laagseizoen en het handjevol toeristen zijn backpackers, surfers en een paar zeilers. Er is niet veel bijzonders te doen of te zien en we besluiten gewoon te relaxen. De keuze aan goede, goedkope en gezellige openlucht restaurtantjes is groot en daar brengen we dan ook een groot deel van onze tijd door. We boeken een snorkeltrip met een glasbodemboot, maar het kleurrijke rif dat in de toeristenfolders wordt aangeprezen is voor 90% vernield door vissers die nog steeds met explosieven vissen. Die lui moeten ze opknopen aan de hoogste boom. Het mooiste rif bevindt zich ironisch genoeg op dingy-afstand van onze boot. Ook regelen we een dagtocht met Arie (Kanarie) naar Lombok waar we rijstvelden, apen en tempels zien. Een van de tempels ligt op een bergtop vanwaar we een prachtig overzicht over de rijstvelden hebben. We eten bij een "oom" van Arie en Harry geeft een karaoke showtje weg. Ongemerkt gaat er zo een week voorbij. Van Lombok gaan we verder naar Bali. Op onze vorige trips naar Indonesie hadden we Bali bewust laten liggen, maar met de boot is het een strategische stop om je papierwerk in orde te krijgen en de tanks te vullen. Harry was er voor het laatst in de jaren '70 geweest en herkende absoluut niets meer. Het is niet een klein beetje toeristisch, maar gewoon vreselijk verpest door touristen. Veel erger nog dan aan de Costa Brava. Rij aan rij hotels, restaurants en souvenirshops met de vreselijkste kitch. Mac Donalds, Burger King, Kentucky Fried Chicken en dikke vette rood verbrande, zuipende Australiers. En toch..... De sfeer is bijzonder. Alleen al door het feit dat het Hindus zijn. Heerlijk om even van het gejengel van die moskeeen verlost te zijn. En als je goed kijkt valt er tussen al dat toeristische geweld ook nog wel de Balinesische cultuur te vinden. We huren voor een paar dagen een motor en scheuren het hele eiland over. De eerste dag al gaat het meteen mis. Op een steile helling in een bocht ligt greffel en zonder pardon gaan we onderuit. Gelukkig hadden we weinig snelheid. Ik kwam er redelijk ongeschonden vanaf, maar Harry zat helemaal onder het bloed. Een vriendelijke man brengt ons naar een dorpskliniek waar Harry onder handen wordt genomen door een verpleegster die geen woord engels spreekt maar helemaal verrukt is van zijn knieeen. "Besar" (groot) zegt ze steeds glimlachend. Als Harry er een half uurtje later als een mummy uitziet wil ze geen geld van ons aannemen. Pas na aandringen vraagt ze heel timide om 15.000 roepia, ongeveer US$1.50. Een andere dag worden we door de politie aangehouden. "No international drivers licence?" vraagt de agent met een gemene glimlach. "Dat is dan een boete van 150.000 Rp". "En wat kost het als u geen bon uitschrijft" vraagt Harry die het spelletje in dit land gewoon meespeelt. "Dan kost het 50.000 Rp". En zo komen we er weer met US5,- vanaf en is iedereen weer blij. Al onze mede zeilers hadden overigens dezelfde ervaring op dezelfde weg. Toerisme betekent in dit land hetzelfde als koetjesmelken en met een uniform aan kun je leuk bijverdienen.

Op familiebezoek in Kalimantan

Ons verblijf in Indonesie loopt ten einde. Alleen de oerang utangs en de stierenraces staan nog op het programma. Over de stierenraces op Madura kunnen we kort zijn: die waren opgeschort vanwege de rammadan. In plaats daarvan werden we uitgenodigd om na zonsondergang bij een moslimfamilie mee te eten. Een hele bijzondere ervaring. Hoewel de Islam een van de vreedzaamste godsdiensten schijnt te zijn, kunnen we ons niet aan de indruk ontrekken dat deze godsdienst intolerant is en opgedrongen wordt. Zo arm als dit land is, des te meer moskeeen er worden gebouwd. De een nog prachtiger dan de andere. Waar zou het geld vandaan komen? In het kleine gehucht waar wij zitten wonen nog geen 3 duizend mensen maar vanaf onze ankerplek kunnen we 5 moskeeen onderscheiden die allemaal 5x per dag tegelijk beginnen te jengelen. En tijdens de Rammadan doen zij dit ook nog eens 3 keer 'snachts zodat wij na 2 weken aan een ernstig slaaptekort lijden. Op weg van Madura naar Kalimantan krijgen we de eerste dag te maken met windstilte. Het water is zo vlak als een spiegel en we besluiten bij een klein eilandje te ankeren en te wachten op wind. We krijgen meteen bezoek van 2 aardige jongens die ons rondtronen in hun dorp waar niets te doen en niets te kopen valt. De mensen lijken niet helemaal geestelijk gezond en gapen ons letterlijk met open mond aan.

De volgende ochtend worden we al vroeg gewekt door het gepruttel van motoren. We blijken midden in een veld van honderden vissers te liggen die hun sleepnetten tot bijna onder onze kiel hebben uitgegooid. De vissers zijn erg nieuwsgierig en komen in hoog tempo angstwekkend dichtbij. Eentje wil er zelfs zijn boot aan ons vastmeren. Snel wegwezen hier!

Harry gaat op de voorpunt staan en loodst ons heelhuids tussen de sleepnetten door. De tocht naar Kumai op Kalimantan verloopt zeer voorspoedig. Wederom heerlijk zeilen met twee genuas. Wel veel vissers snachts maar dat houdt je alert. Kumai ligt een paar mijl op een rivier met de gelijknamige naam. De bruine modderige rivier is niet bebakend, wij hebben geen detailkaarten van dit gebied en sea-maps is niet helemaal accuraat. Voorzichtig manuvreren we op de genua tussen de zandbanken door maar alles gaat goed en na een paar uurtjes laten we het anker vallen op een rustige plek aan de overkant van het stadje, zo ver mogelijk van de moskee. Met de bemanning van Anna Cathalina organiseren we een toertje met een originele klotok (smalle rivierboot met pruttelmotor) naar Tanjung Puting, het enige Oerang Utang reservaat ter wereld waar deze beesten ook nog in het wild voorkomen. Onder het genot van een koud colaatje (alcohol is hier uit den boze!) en heerlijke hapjes varen we steeds dieper de wildernis in. De oevers van de rivier zijn begroeid met een palmensoort met grote waaiervormige bladeren maar zonder stam. Een paar mijl verder gaat de begroeiing over in dichte oerbossen waartussen we ook enkele proboscis apen ontwaren. Dit zijn apen met een witte "onderbroek", een dikke buik en een lange rode drankneus. De indonesiers hebben ze heel passend de bijnaam "Dutchman" gegeven. En dan komen we bij de eerste voederplaats waar de in het wild levende oerang-utangs bijgevoerd worden met bananen en een zoete witte melk. De beelden spreken voor zich: inderdaad, het zijn net mensen!

 

 

 

Terug naar logbook

.