Zuid Afrika, Namibie & Botswana

T.I.A.

 

Laurens studeert medicijnen

Telkens wanneer we weer iets absurds of een regelrechte onregelmatigheid meemaakten in Madagascar of Mozambique dan zeiden onze Zuid Afrikaanse medezeilers schouderophalend: "T.I.A". Dat staat voor "This Is Africa" en het betekent zoiets van: "wen er maar vast aan, alles gaat hier op z'n Afrikaans en wat je ook probeert, het komt nooit meer goed". Het beeld dat deze, doorgaans rijke blanke zeilers in grote dure catamarans van hun zwarte medemensen schetsten was ronduit negatief. "Our blacks are not so nice" zei iemand. Een ander vertelde dat als een zwarte een week met vakantie was geweest, hij opnieuw ingewerkt moest worden. Wij knikten dan zwijgzaam en dachten bij ons zelf: "stelletje racisten, dat heb je er zelf naar gemaakt". We zijn zelfs een keer tijdens zo'n discussie opgestapt. Maar na nog geen 3 maanden in Zuid Afrika zijn we hard op weg zelf racisten te worden.

Laurens, onze klusjesman moet nl iedere ochtend opnieuw ingewerkt worden en toen we zagen dat hij enthousiast met de schuurmachine de raampjes in de cockpit te lijf ging, hebben we hem maar vervroegd naar huis gestuurd met een kerstbonus.

De cassiere in de supermarkt had nog nooit een meloen gezien. Ze kan het ook niet vinden op haar lijstje. Ik spel het voor haar: M.E.L.O.N. "I can only find sweet melon". De man van de immigratiedienst heeft geen idee hoe wij onze visa moeten verlengen. Het hoofd van de immigratiedienst is Dr Zuma, de ex-vrouw van president Zuma. Ze heeft de lagere landbouwschool gedaan en de dr-titel waarschijnlijk bij de Hema gekocht. Niet minder dan 8! functionarissen van UPS zijn druk bezig om onze bestelde ankerlier door de douane te krijgen. Dat ding ligt nu al zes weken in Johannesburg en de douane is er nog helemaal niet aan te pas gekomen. Wel kregen we van UPS een rekening van 160 euro voor import duties die we volgens de douane niet hoeven te betalen. Een medezeilster die hier haar man verliest laat me de overlijdensakte zien. Het document, afgegeven door de Amerikaanse ambasade zit na twee correctierondes nog steeds vol spel-en typefouten maar bevat ook grote blunders: Geboortedatum: 20-12-2010 (de beste man is 74 geworden!), adress in the USA: Opua, New Zealand. marital status: single. En zo kan ik nog wel een pagina volschrijven. De zwarte bevolking heeft een enorme achterstand in onderwijs maar dat belet de overheid niet om ze doelbewust op posities te zetten die voorheen door blanken bemand werden, die nu met onbetaald vervroegd pensioen gestuurd worden. Om de instroom van zwarten in het onderwijs te bevorderen, zijn de toelatingseisen verlaagd. Er zijn bovendien speciale ambtenaren die tegen betaling een zwarte aan een examen helpen. Het gevolg is dat er mensen van de universiteit komen die nauwelijks kunnen rekenen of schrijven. De blanke afrikaners zijn niet zo begripvol en hebben minder geduld dan wij. Meerdere keren zijn we getuige als er weer een Zulu op een vreselijk denigrerende wijze wordt uitgekafferd. Het ergste vind ik nog de slaafse houding van de zwarte werkers die het ogenschijnlijk onberoerd over zich heen laten gaan, bang om hun rotbaantje van 12 euro per dag te verliezen. In dit land ben je blijkbaar een groot man als je anderen klein kunt krijgen.

K-trekkertje

We zijn in eerste instantie gecharmeerd van de juiste mate van kneuterigheid in de Zululand Yacht Club. Kobus, Jannie en Swannie, korte broek opgetrokken tot onder de oksels, met een grote leren riem vastgesjord over hun dikke vooruitstekende buik, lijken met hun baarden net uit de kluiten gewassen kabouters. Dat effekt wordt nog eens versterkt door de in enkelhoge werkschoenen gestoken korte witte beentjes. Met z'n drieen, helaas ieder onafhankelijk van elkaar, regelen ze op eigen wijze het reilen en zeilen op de werf. We krijgen niet de indruk dat ze daar erg moe van worden. "Wanneer kunnen we uit het water gehaald worden", vraagt Harry. Simpele vraag, maar het kost de heren nogal wat hoofdbrekens. "Moe nie die probleem zijn nie". Er komt het nodige papierwerk en zelfs getijde-tabellen aan te pas. We worden een paar keer van het kastje naar de muur geschoven maar als de koffiekan leeg is, verbaasd ons het kordate antwoord: "morgenvroeg 9.00 uur". We zijn er om 8.00 uur met nog geen 10cm water onder de kiel. Wat zou er behalve koffie nog meer in die kan gezeten hebben?

's Middags om 16.00 uur is de travellift eindelijk gereed om ons eruit te halen. Het ding wordt met de hand bediend en een zulu-hulpje moet onder water duiken (zonder duikbril) om te zien of de kiel goed op de bodemplaat staat. "Moet dat k-trekkertje ons eruit halen?" vraag ik aan Harry. Die denkt dat het wel gaat. Maar als we halverwege de helling zijn begint het k-trekkertje te bokken. De wielen spinnen in het rond en het ruikt naar verbrand rubber. Als Swannie begint te schelden op het zulu-hulpje begin ik serieuze twijfels te krijgen. Maar deze legt rustig een paar houten blokken voor de banden van de travellift, haakt een kabel aan het k-trekkertje en liert ons verder omhoog.

De nacht brengen we door in de travellift. Er moeten nl nog houten palen gezocht worden waarmee de boot gestut moet worden. Dat is voor morgen. Niet te veel op een dag, daar raak je alleen maar gestressed door. Dit was de duurste en spannendste "haule-out" van onze reis tot nu toe. 400 euro eruit en nog eens 400 euro voor het te water laten. Hopelijk hebben ze dan een zwaardere tractor. "Or the travellift breaks down" zegt onze buurman, "everything can happen because T.I.A."

 

Schoonschip

Boordevol energie en vol goede moed beginnen we aan de klussenlijst. Maar eerst wordt de boot van binnen en buiten uitgemest. We huren een kleine opslagruimte om zo meer levens- en werkruimte aan boord te scheppen. De hele zeilgarderobe wordt met zoet water gespoeld, stiksels nagekeken, leuvers gesmeerd. Een zeilmaker is er niet, maar een handige mevrouw met een industriele machine repareert ons grootzeil zodat die hopelijk nog een jaartje mee kan. Daarna komen de landvasten, vallen en schoten aan de beurt. Ongelooflijk hoeveel kilos touwwerk er uit allerlei luiken te voorschijn komen. Het lopende want heeft na al die jaren behoorlijk wat te lijden gehad en is nu aan vervanging toe. Omdat we de stalen potdekselrand gaan vervangen moeten de genuarails eraf geslepen worden. We ontdekken daarbij een klein haarscheurtje in een van de RVS rails, dat we maar meteen laten lassen. Alle blokken, wagens, katrollen worden gedemonteerd, geinspecteerd en van hun zoutkorsten ontdaan. Na een phosphorzuurbadje zien ze er weer als nieuw uit.

Niet van een leien dakje

Nu de boot gestript is kan het grotere, smerige werk beginnen. Met een grote industriele slijptol snijdt Harry de oude potdekselrand eraf. Zo recht mogelijk, maar dat valt niet mee met zo'n zware machine op een wankelige steiger. De lasser zal later het een en ander moeten corrigeren. De andere zijde van de romp gaat stukken beter. De oude potdekselrand is een ronde holle pijp die van binnenuit was gaan roesten. Dat merk je in eerste instantie niet, totdat er steeds meer kleine roestplekjes aan de buitenkant verschijnen en ik er op een goede dag met de verfschraper zo maar een gat in prik. Als de oude pijp eraf is zien we dat we ook niet veel langer hadden moeten wachten met deze klus; de oude pijp is plaatselijk zo dun dat je er met een hamer zo gaten in slaat. Maar op de romp zelf is het staal gelukkig in prima staat. Behalve de genuarails moeten ook alle kikkers en de scepterpotten eraf geslepen worden. En nu we toch lekker aan het slijpen zijn, verwijderen we ook maar meteen de stalen bevestigingspunten van de doradeboxen op het voordek. Die roestige sleufjes zijn al jaren een doorn in het oog. We vervangen ze door RVS stripjes zodat we voorgoed verlost zijn van die lelijke roestwaterstrepen op het dek. Als alle voorbereidingen voor de lasser getroffen zijn, heeft deze opeens geen tijd meer. We vinden gelukkig snel een ander, maar die is een stuk duurder en heeft meer boten onder handen. Hij komt dan ook niet zonder meer opdagen als Harry hem niet dagelijks achter zn vodden zit. We kunnen helaas geen pijp met dezelfde diameter krijgen. De nieuwe potdekselrand wordt 0.5 cm lager. Dat is op zich geen punt maar de consequentie is aanzienlijk meer werk omdat alle scepterpotten en bevestigingsblokjes voor de preekstoel op maat gemaakt moeten worden. Ook het weer werkt niet mee. De ene keer is het te warm, dan regent het of waait het te hard om te lassen. Een klus die 1.5 week zou duren neemt ruim 6 weken in beslag en al die tijd ligt het staal bloot en kunnen wij niet verder met het dek en de romp. Als eindelijk het laswerk klaar is huren we een dag een zandstraler om de hele bovenrand van de romp en delen van het dek te behandelen, waarna we laag voor laag een deugdelijk epoxysysteem aanbrengen. Als de eerste laag blauw er weer op zit, zijn we niet tevreden met het resultaat. Voor de zoveelste keer schuurt Harry de hele romp en brengt opnieuw een laag epoxy filler aan.

Andrew (Plastic) spuit de romp We hebben het helemaal gehad met schuren en schilderen en besluiten daarom de romp te laten spuiten. Ook dat gaat niet vlekkeloos. De stroom valt steeds uit, de generator houdt het voor gezien en de laatste verflaag gaat opeens zakken. Grrrrrrrr! We huren maar weer een zulu in die opnieuw de hele romp schuurt en opnieuw een laag epoxy-filler op het potdeksel aanbrengt om de laatste onregelmatigheden weg te werken. De tweede keer gaat het allemaal goed. Er zit nu een mooie dikke laag verf op en een kniesoor die nu nog op die kleine onregelmatigheden let.

(S)Teamwork

Het dek is voor mijn rekening. Het anti-slip treadmaster zit er al meer dan 30 jaar, ogenschijnlijk goed op. Maar ook hier hebben zon en zee hun tol geeist. De UV beschermingslaag is eraf en op sommige plekken zagen we kleine bultjes verschijnen. Als je die doorprikt blijkt er roest onder te zitten. Op die plekken gaat het treadmaster er gemakkelijk af. Maar op plekken die minder te lijden hebben gehad, zit het er nog muurvast opgelijmd. Met hamer, beitel en plamuurmes kost het me een week om het eraf te krijgen. Het staal eronder ziet er verrassend goed uit. Blijkbaar is de hele boot gebouwd uit gegalvaniseerd plaatstaal. Als het hele dek uiteindelijk in een stevig twee-componentensysteem staat, is het daarna weer een heel gepuzzel om het patroon weer terug te krijgen waar de antislipdelen moeten komen. In plaats van duur treadmaster kiezen we voor fijn zand dat we met een zeef gelijkmatig uitstrooien over de natte verf. Dat vergt overigens wel een beetje teamwork. Ik zal de details buiten beschouwing laten, maar als de een zand strooit op de roller en de ander met z'n lompe poten op het kersverse schilderwerk gaat staan, is het resultaat beduidend minder. Dagje laten drogen, het losse zand goed opvegen en daarna nog twee lagen verdunde verf erop en klaar is kees. We zijn uitermate tevreden over het resultaat (en het uiteindelijke teamwork...).

En om het geheel extra mooi te maken, besluit ik nog 1x keer de witte randjes te schuren en te schilderen. En toen viel opeens de bodem uit de verfpot! Een liter witte verf over het nieuwe grijze dek, en via het loosgat over de pasgespoten blauwe romp. Ook de schipperse kan vloeken...... Later die dag heb ik de beheerder van ons huis in NL aan de lijn. De zolderverdieping is afgebrand. Schade meer dan 20.000 euro. "Ik wens u verder een prettige vakantie in Zuid Afrika". Hoezo vakantie??!!

Op safari

Alles zal rech kom, zeggen de Afrikaners. En dat is ook zo, al moesten we er wel lang op wachten. Op de dag dat onze Volkswagenbus afgeleverd wordt, prachtig rood gespoten en met nieuwe versnellingsbak, kunnen we ook ons verlengde visum ophalen. Bij de supermarkt kopen we twee schuimmatrasjes, twee kampeerstoeltjes, een gasstoofje en een koelbox. Van de boot nemen we een kratje met potten en pannen mee, een reserve jerrycan water, een jerrycan diesel en niet te vergeten en grote zak houtskool voor de braai. Ons is padvaardig binnen een halve dag. We gaan er even een week of tien tussenuit. Op het programma staan Namibie, Botswana en Zuid Afrika.

Dagstaproutes in Drakensberg

Omdat we Alan, de vorige eigenaar van ons busje op het vliegtuig moeten zetten, nemen we de snelweg via Durban en Pietersmaritsburg naar de Drakensberg. Niet de meest pittoreske route maar het schiet wel lekker op. Onderweg komen we nog twee keer stil te staan. Startproblemen, lege accu. Alan is zo aardig en koopt nog snel een tweede accu voor ons. Dat belooft niet veel goeds. Maar Harry denkt dat het simpel een questie van losse bedrading is. En daar krijgt hij gelijk in. Een goede zeiler heeft altijd ductape bij zich en het euvel is snel verholpen. Het landschap in Kwazulu Natal is echt afrikaans: glooiende heuvels met goedkleurig wuivend gras en en van die typische savanneboompjes. En overal zie je mensen langs en op de weg. Wachtend op de bus of gewoon om een praatje met elkaar te maken. Als we dichter in de buurt van Drakensberg komen, worden de heuvels hoger en groener. Er slingeren riviertjes doorheen als zilveren linten in een plooirok. We passeren zuludorpjes waar mensen nog in keurig onderhouden traditionele ronde lemen hutten, rondavels, wonen. Of, als ze iets meer te besteden hebben, in lelijke grijze schuurtjes met verroeste golfplaten daken. Dat heet vooruitgang. Vaak moeten we stoppen voor overstekende geiten die ze langs de weg laten grazen. De geitehouder is vaak in geen velden of wegen te bekennen en ligt waarschijnlijk gewoon ergens te slapen onder een boom. De wegen worden smaller en zigzaggen verder omhoog. We gaan door rivieren en over bergpassen. Ons busje trekt het allemaal probleemloos.

De Drakensberg is een bergketen op de grens met het koninkrijk Lesotho. Het gebied beslaat een oppervlakte van 243.000 hectare en heeft in het jaar 2000 de status van Wereld Erfgoed gekregen. Hoewel het geen extreem hoge pieken kent zoals Mount Kenia of Kilimanjaro (de hoogste piek is 3000m), is het toch een heel spektaculair gebied. Met name de 8km lange massieve basalt wanden van het Amphitheatre zijn behoorlijk indrukwekkend als je er van onder tegenaan kijkt. En als je boven op het plateau staat heb je een adembenemend uitzicht in alle windrichtingen. Het gebied is al duizenden jaren bewoond geweest. Bewijs daarvan is te vinden in de vele grotten waar de San rotstekeningen hebben achtergelaten. De meeste pieken zijn echter pas zo'n 50 jaar geleden voor het eerst bedwongen.

De Drakensberg is een populair wandelgebied dat zowel ervaren berkbeklimmers als dagjestouristen trekt. Wij zijn er in het laagseizoen, net na de zomer, en komen onderweg slechts een handje vol andere wandelaars tegen. Het weer is perfect met droge zonnige ochtenden. In de late namiddag komen er meestal dikke donderwolken binnendrijven die soms voor spectaculaire onweersbuien zorgen, maar dan zijn we al lang binnen. De natte zomer heeft gezorgd voor een uitbundig landschap met kleurige bloemen en wild stromende beekjes en rivieren. Er is een ruime keus aan wandelroutes in verschillende nationale parken, in duur varierend van enkele dagen tot enkele uren, met verschillende moeilijkheidsgraden voor de beginnende tot de ervaren klimmer. Wij trekken 8 dagen lang door bossen en velden, over toppen en door dalen, 5 tot 7 uur per dag. Ondanks de uitgebreide set met gedetailleerde stafkaarten raken we toch regelmatig het spoor bijster. Meestal is er een pad maar soms moeten we echt klimmen door ravijnen met grote granieten bolders of door morenes met gladde rivierkeien. Op de steile stukken zijn vaak kettingladders aangebracht.

Een keer nemen we een route die in het boek omschreven wordt als relatief simpel met enkele lichte stijgingen, voor de gemiddelde wandelaar. Maar als we halverwege ons een weg moeten banen door diepe ravijnen met snelstromend water, een pittige klimpartij moeten nemen door een steile kloof met gladde wanden zonder kettingladders om er aan de andere kant op onze kont door modderglijbanen weer af te dalen, onze handen en benen openhalend aan de stekeltakken, vermoeden we toch dat er een foutje in het boek is geslopen. Na 8 uur zwoegen komen we gelukkig weer op een normaal pad met een bord: "path closed for safety reasons". Het zou handig zijn geweest als iemand dat bord ook aan de andere kand had neergezet!

 

Over politieke gatvliegen en verkleurmannetjes

Als we de Drakensberg verlaten komen we in Free State, het vroegere Oranje Vrijstaat dat in 1854 werd opgericht door de zgn Voortrekkers. Dit zijn Boers, de eerste nederlanders, die zich onder leiding van Jan v Riebeeck en de VoC in 1652 permanent in de Kaapprovincie vestigden. De Boers waren streng calvinistisch en zagen zichzelf als het "door god gekozen" volk in Zuid Afrika wiens opdracht het was de ungeciviliseerde zwarten te bekeren. De eerste trekboers reisden rond 1700 al af naar het Hinterland, met hun ossewagens bijbels en geweren, op zoek naar onafhankelijkheid en vrijheid. Dat leverde regelmatig bloedige strijd op met de oorspronkelijke bevolking, de Khoe San, die van hun land verdreven werden en sterk gedecimeerd werden door geintroduceerde ziekten en superieure wapens. De meeste Khoe San kwamen daarna als slaaf te werken voor de Boers. Maar de grote trek begon in 1836 na de afschaffing van slavernij door de britten, wat door de Boers werd gezien als in strijd met de door god gegeven ordening van rassen. Ontevreden met de britse overheersing trokken ze verder naar het noord-oosten en richtten Transvaal en Oranje Vrijstaat op. Plaatsnamen als Bethlehem en de rivier de Jordaan stammen uit die tijd. In 1994 werd het "Oranje" er door de nieuwe regering afgehaald. Free State is nu nog steeds een aardsconservatieve regio waar de wetten van de kerk regeren en blank en zwart niet veel met elkaar op hebben.

Maar een ding moet je de Boers nageven: ze hebben het land wel weten te ontwikkelen. Free State wordt ook wel de Breadbasket (broodmand) van Zuid Afrika genoemd. We rijden langs kilometers lange velden met mais en zonnebloemen. Het land wordt, anders dan in bv Zululand, machinaal bewerkt en besproeid met enorme rijdende sproeiinstallaties. De boerderijen liggen op schitterende locaties. Ze hebben allemaal een stenen toegangspoort met daarop in gouden opschrift de naam van de eigenaren. Volgens mij zitten er nazaten van Tukkers bij zoals Jan en Marietje Steenkamp, Jacobus en Ellie Praetorius. Een statige oprijlaan met populieren die nu in herfsttooi staan, leidt tot het woonhuis dat verscholen ligt in het groen.

We overnachten in Clarens, een klein pittoresk dorpje met schaduwrijke lanen en schitterende victoriaanse landhuizen. Dit juweeltje ligt midden in een groen heuvelland met op de achtergrond zandkleurige lijmstenen bergen. Ideaal wandelgebied, maar daar komen we niet voor. Volgens de reisgids heeft Clarens een aantal uitstekende gastronomische restaurants waar oa Prince Harry en Brad Pitt gegeten hebben. Wij hebben tot nu toe steeds ons eigen kostje klaargemaakt en willen ons nu wel even laten verwennen. Dat valt behoorlijk tegen. De meeste restaurants hebben een oersaaie menukaart met de traditionele vleesgerechten, baked potatoe en kleffe butternut. Bovendien is het dorp op een paar bejaarde wandelaars na, uitgestorven. De religieus getinte kunstwerken in de overprijsde galeries kunnen ook onze goedkeurig niet wegdragen. Het doet me hier op een of andere manier aan Ootmarsum of Delden denken, dat alleen leuk is in de zomer rond lunchtijd als de pannekoekhuizen bezet zijn door sparta-met-fietsers. Een klompenmuseum is het enige wat nog ontbreekt. Na een halve dag vervelen we ons het lublazerus. We kopen een aantal kranten en nestelen ons op een van de vele lege terrassen. Op politiek gebied zijn er nl een aantal interessante ontwikkelingen gaande.

Het conservatieve volksblad bericht het volgende:

Maar ook een landelijke linkse krant belicht een aantal populaire issues:

18 Mei zijn er locale verkiezingen. Er gaat dan een nieuwe generatie naar de stembus die is opgegroeid in een democratisch Zuid Afrika zonder apartheid. Het ANC is al 17 jaar lang met 80% van de stemmen de grootste partij in Zuid Afrika. Maar er komt steeds meer kritiek op de partij. Kritiek van zwart, blank en van de kleurlingen. Kritiek ook van eigen leden. Buurlanden als Namibie, Botswana en zelfs Mozambique laten economische groeicijfers zien van 6%, de hoogste na China. Zuid Afrika blijft achter met een groei van 3.5% wat niet genoeg is om de 25% werkeloosheid het hoofd te bieden. Corruptie en criminaliteit nemen toe. Het aantal overheidsbanen is tijdens het ANC bewind verachtvoudigd terwijl de service afneemt. Het is ons niet duidelijk hoe het ANC dit denkt aan te pakken. De campagne die continue over de rassen-as wordt gevoerd, rept er met geen woord over. Wij zijn benieuwd hoe Zuid Afrika gaat stemmen.

 

The Big Hole in Kimberley

"A gold mine is a hole in the ground, with a fool at the bottom, a liar at the top and a crook at the stock exchange office" lees ik in een boek over de goudkoorts. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor diamanten.We zijn in Kimberley, ooit het centrum van de diamantindustrie. De stad waar Cecil Rhodes in 1887 de Beers company oprichtte, nadat hij voor 5 miljoen britse ponden zijn rivaal Barney Barnato uitkocht. De diamantmijn is sinds 1914 gesloten maar de Beers hebben het terrein omgebouwd tot een touristische attractie, nog steeds een "goudmijntje" dus. Het Big Hole complex is heel aardig opgezet. De rondleiding begint met een informatieve film die zowel de successen van de blanke goudzoekers als de individuele dramas van de zwarte mijnwerkers in perspectief zet. Daarna kun je vrij over het terrein zwerven waar een reconstructie is gemaakt van het mijnwerkerskamp. Authenthieke historische gebouwen zijn daartoe gerenoveerd en hier naartoe verplaatst. Ook ga je een stukje de ondergrondse mijn in waar een gasexplosie wordt gesimuleerd. In het zwaar bewaakte museum worden 3500 diamanten tentoongesteld, waaronder de beroemde Eureka waar het allemaal mee begon.

Maar de hoofdattractie is The Big Hole zelf, het grootste handgegraven gat in de wereld, 220m diep, dat je vanaf de maan schijnt te kunnen zien. In de hoogtij dagen werkten hier meer dan 50.000 mensen die gezamenlijk 22 miljoen ton aarde hebben verplaatst. The Big Hole heeft in totaal 2.5 ton diamanten (ongeveer 14.5 miljoen karaat!) opgeleverd, maar slechts een enkeling is er rijk van geworden.

Het huidige Kimberley is een drukke rommelige stad. Maar als je even rond rijdt vind je overal sporen van het verleden. Victoriaanse gebouwen met versierde gevels en donkerbruine pubs die een wild-west sfeertje uitademen. Er is ooit een tijd geweest dat het aantal pubs twee keer zo groot was als het aantal kerken. Onze favoriet is The star of the West saloon, daterend uit 1870 en sindsdien continue in bedrijf. Van de buitenkant ziet het eruit als een louche nachtclub, maar als je door de klapdeurtjes naar binnen gaat, wordt je terug in de tijd gezet van de ruwe mijnwerkers dagen. Een grote originele spiegelbar domineert de ruimte. Aan de wanden hangen vergeelde posters van biermerken, oude krantenartikelen en zwart-wit fotos van Cecyl Rhodes en Jannie Smuts, de plaatselijke hoeren en de rugbyhelden van weleer. De piano mist een aantal toetsen, de houten vloeren piepen en kraken, het plafond heeft bruine kringen van de vele lekkages, maar dat draagt alleen maar bij aan de sfeer.

De buren van De Beers

In Kimberley overnachten we op een caravanpark waarbij vergeleken een zigeunerkamp in NL een luxe vakantieoord lijkt. Het park heeft een groeiend aantal vaste blanke bewoners die door allerlei redenen aan de zelfkant van de maatschappij terecht zijn geraakt. Ze wonen in afgedankte caravans waarvan de ramen met bruin cellofaantape op hun plaats worden gehouden. Op de daken ligt landbouwplastic tegen de lekkage. Rondom de caravans liggen allerlei afgedankte spullen die voor deze bewoners nog bruikbaar zijn, zoals glazen potten, plastic flessen en autobanden. Ik praat met een ouder echtpaar, ouders van een mongolide zoon van een jaar of 20. De man is werkeloos geraakt, de zoon heeft medische zorg nodig die ze niet kunnen betalen. In een andere caravan woont een blanke vrouw met 4 kleine zwarte kindjes. Een vader hebben we niet gezien. In de washokken tref ik een bejaarde dame. Een handdoek heeft ze niet. Ze stapt zonder ondergoed in een versleten korte broek en T-shirt. Ze krijgt een staatspensioentje van 150 euro per maand waarvoor ze iedere maand een dag lang in de rij voor het postkantoor moet staan. En dan te bedenken dat De Beers hun buren zijn.....

 

Kameelpeerde in Khalagadi Transfrontier Park

Als je wilde dieren in hun natuurlijke omgeving wilt zien is er eigenlijk maar een optie: op naar Afrika. Nergens anders in de wereld vind je zo'n groot aanbod aan wildparken waarvan enkelen met afmetingen bijna zo groot als Nederland. Als je weinig tijd hebt ga je naar Kruger, wat makkelijk bereikbaar is vanaf Johannesburg en altijd een succes is want het barst er van het wild. De kans is bijna 100% dat je de "big five" gaat zien, maar dan wel op een asfaltweg met 10 andere auto's, want het park wordt jaarlijks door meer dan een miljoen bezoekers bezocht. Dat begint dus al aardig onnatuurlijk te worden. Wij hebben een zee van tijd en een verlanglijstje waar meerdere parken op staan, ieder met hun specifieke flora en fauna, waardoor ze een geheel eigen en vaak uniek karakter hebben. Woestijnlandschap in de Kalahari waar gemsbokken in een rijtje achter elkaar door de rode zandduinen sjokken, een opgedroogd zoutmeer in Etosha waar honderden zebra's en gazelles het zout komen oplikken, olifanten en buffels in Chobe die de bossen in een maanlandschap veranderen en tegen het einde van een warme dag massaal aan de rivier komen drinken, krokodillen en nijlpaarden in de Okavango Delta waardoor kamperen een extra dimensie krijgt.

Vanaf Kimberley is het een lange ruk, 700 km, door een steeds ruiger wordend landschap. In het begin zie je nog tekenen van bewoning: koeien in de schaduw van een enkele boom, een waterput met daarnaast een windmolen die het water oppompt. Bomen worden schaarser en koeien maken plaats voor geiten die op uitgestrekte savannes aan stekelbosjes knabbelen. De weg is goed en nog steeds geasfalteerd maar wordt vervormt door de hitte en lijkt naar de hemel te leiden. In de berm staan electriciteitspalen met daarin enorme nesten waar wevervogeltjes af en aan vliegen. Deze zgn communal weaver nests" kunnen wel 100 jaar worden en bieden onderdak aan 200 vogeltjes. Regelmatig zit er een grote sperwer bovenop, klaar om toe te slaan. Af en toe zien we springbokjes en struisvogels.

Khalagadi is het eerste multinationale park in Afrika, opgericht in 1999 en een samenvoegsel van het Zuid-Afrikaanse Kalahari Gemsbokpark en het Botswaanse Mabuasehube Gemsbokpark. Met een oppervlakte van 30.000 vierkante km is het een van 's werelds laatste grote ongerepte ecosystemen. De Zuid-Afrikaanse kant is afgebakend maar de dieren kunnen vrij migreren in Botswana. Het toegankelijke deel beslaat "slechts" 5.000 vierkante km en eigenlijk zijn er maar drie wegen (zandpaden) met een paar aftakkingen. Het wild wordt dus minimaal gestoord door de aanwezigheid van mensen.

De lange weg er naar toe is meer dan de moeite waard en gauw vergeten zodra we het eerste wild spotten. Gemsbokken zie je het meest. Hun lange spitse hoorns zie je al van verre. Ze zijn een beetje schuw en houden er niet van als je naast ze gaat rijden. Met zig-zag sprongen maken ze zich dan uit de voeten, vaak pal voor de auto langs. Een leeuw daar en tegen lijkt zich helemaal niets van mensen aan te trekken. Wij spotten een prachtig mannetjes exemplaar met zwarte manen vlak naast de weg. Het beest kijkt ons een keer ongeinteresseerd aan en gaat dan gewoon door met niks doen. Om een leeuw, cheetah of leopard te zien, moet je vroeg opstaan. Wij zagen 13 leeuwen, 4 cheetahs en 2 leopards, allemaal rond 7 uur 's ochtends. Soms heel dichtbij, gewoon aan de kant van de weg. Het is een nat seizoen geweest en het gras staat twee kontjes hoog. We waren eerst bang dat we daardoor het wild niet zo goed zouden zien. Maar het tegendeel is waar. Onze theorie is dat die middelgrote beesten dat gekriebel aan hun buik niet lekker vinden en daarom de weg op gaan. Zo hadden we de mazzel dat er geheel onverwachts twee leopards uit het gras kwamen en voor onze auto bleven lopen. Als we een beetje te dichtbij kwamen dan draaide het vrouwtje zich om en begon boos te grommen. Het overige spul zoals impalas en wildebeest kun je ook midden op de dag tegenkomen. Meestal verzamelen ze zich rond een uur of vier rond de kurkdroge rivierbedding of bij een van de waterputten. Zebra's, buffels en olifanten komen in dit gebied helemaal niet voor. Als we op een middag weer aan het touren zijn, stopt er een tegenligger naast ons en roept enthousiast: "ons het 20 kameelpeerde gesien". Het duurt even voordat het tot ons doordringt wat de beste man gezien heeft: giraffen! We worden er helemaal melig van en vragen ons af of ze een zebra misschien pyamapeerd noemen. Ja dus.

 

Op die flatbed-insleeptrokkie

We zijn onderweg naar Etosha, een natuurgebied in het noorden van Namibie, als het opeens begint te roken en stinken in de auto. Ook valt de compressie opeens weg en wordt de snelheid gereduceerd tot 40km/uur. We zetten de bus in de berm en openen het motorluik. Nog meer rook, nog meer stank! Onze eerste reactie is dat de motor oververhit is geraakt, maar eigenlijk kan dat niet want de temperatuurmeter gaf niets bijzonders aan. We checken toch maar voor de zekerheid het koelwater. Niks aan de hand. We wachten een kwartiertje en willen dan weer verder rijden, maar binnen een paar seconden zitten we weer in de dikke rookwalmen. Deze keer maakt de motor ook een onheilspellend ratelend geluid. Overal lekt vieze zwarte olie, zelfs uit de uitlaat. Dit is goed mis. Het dichtsbijzijnde dorp Outjo is gelukkig minder dan 10km van ons vandaan en we krijgen een sleepje van een sterke jeep. Een dieselmonteur in Outjo met de merkwaardige naam Frikkie, heeft binnen 1 minuut zijn oordeel geveld: motor naar de kloten. Maar Frikkie weet wel een adresje in Windhoek waar hij voor 2500 euro een goede tweedehands motor kan bestellen en dan wil hij hem wel inbouwen. Het is donderdag voor pasen. Als we nu beslissen is die motor hier morgen en kunnen ze paasmaandag beginnen met het inbouwen. We kijken elkaar eens aan en kunnen gedachten lezen: die vent denkt zeker dat we op ons achterhoofd zijn gevallen. Dat gaat ongeveer net zoveel kosten als wij voor die bus betaalt hebben. Misschien hoopt hij dat wij hem hier laten staan? "Eh, bedankt Frikkie, maar we denken er nog even over".

Onder veel bekijks rijden we kreunend en puffend naar de andere kant van dorp waar nog een garage is. Deze man heeft een vriendje in Otjewarongo, 80km verderop, die gespecialiseerd is in VW -combi busjes. "Zal ik hem eens bellen om te vragen of hij ernaar wil kijken?" Dat lijkt ons een beter plan. Maar eh... hoe komen we in Otjewarongo? Juist ja, achter op die flatbed-insleeptrokkie! De garage in Otjewarongo ziet er professioneel en goed georganiseerd uit, dat schept vertrouwen. De eigenaar checkt een paar dingen, sleutelt er even aan en vertelt ons dat er niets mis is met de motor, maar dat de turbo naar de mallemoeren is. "It's your lucky day, ik denk dat ik nog ergens een tweedehands turbo heb liggen". Binnen 3 uur zit de nieuwe turbo erop en hebben we een succesvol proefritje gemaakt. Totale rekening: 250 euro. Wij zijn weer padvaardig en nog voor pasen in Etosha.

 

Dansende penissen in Tsodillo Hills

We lazen er voor het eerst over in "Lost world of the Kalahari" van Laurens van der Post, die 50 jaar geleden al in dit gebied pionierde. Wat moet dat in die tijd een avontuur zijn geweest. Wegen waren er niet en een GPS had hij ook niet. Hij moest afgaan op de aanwijzingen van een locale gids. Twintig jaar geleden waren wij ook in Botswana, maar zelfs toen was Tsodillo Hills nauwelijks bereikbaar. De Caprivi-strip was destijds verboden gebied omdat het Zuid-Afrikaanse leger er bases had vanwaar aanvallen op Angola werden uitgevoerd. De alternative weg er naartoe vanuit het zuiden, via Maun, was niet meer dan een 350km lang karrespoor, waarvoor je veel tijd en een sterke 4x4 jeep moet hebben. Beiden hadden we niet. Nu is de Caprivi strip open en ligt er vanaf de grens van Namibie tot 40km voor Tsodillo Hills een 400km lange gasfalteerde weg. Het laatste stuk is nog wel even afzien en kost ons ruim anderhalf uur, zigzaggend om de ergste gaten en modderpoelen te vermijden. En dan ben je er nog niet want daarna is het nog 2 uur klimmen en klauteren over de rotsblokken om bij de beroemde rotstekeningen te komen. In 2001 is Tsodillo Hills toegevoegd aan de Unesco Wereld Erfgoed lijst. Midden in een vlak landschap staan opeens 3 markante rotsheuvels (vader, moeder en kind) met wel duizend tekeningen.

Strikt genomen zijn het geen tekeningen maar rotsgravures die ingekleurd zijn met rode of witte inkt. De rode tekeningen zijn meer dan 3000 jaar oud en de witte "slechts" enkele honderden. De meeste afbeeldingen zijn van dieren. De lijntekeningen zijn kinderlijk simpel maar geven heel doelstreffend de karakteristieken van ieder dier weer. Tot onze verbazing is er ook een afbeelding van een pinguin en een walvis bij terwijl de zee ongeveer 1000km naar het westen ligt. Een dagje naar het strand was er voor de bosjesmannen niet bij. Zij waren maanden of langer onderweg. En als ze dan weer terug kwamen in Tsodillo Hills konden ze niet even een foto-album uit de kast trekken, maar moesten ze diep in hun geheugen graven en dan nog eens met een steen aan het hakken gaan om de thuisblijvers te vertellen hoe een pinguin of walvis eruit ziet. Razend knap! Er zijn ook geometrische figuren te zien. Men vermoedt dat die door sjamanen gebruikt werden voor zgn "healing" sessies.

En dan eindelijk, daar zijn ze dan: de dansende penissen. Ik moet op m'n rug onder een rotsblok schuiven om het te kunnen fotograferen. Het is een afbeelding van dansende bosjesmannen die na een succesvolle jacht in trance raakten en een erectie kregen. Wat er daarna gebeurde kon onze vrouwelijk gids ons niet vertellen. Je moet hier wel een beetje fantasie voor hebben......

 

Wat ruist daar door het struikgewas?

"Een python, een python!" roept de bewaker. Ik gris mijn camera van de bank en ren achter de man aan de bosjes in. "Kijk, hierzo, zie je dat spoor?". Het beest is waarschijnlijk net zo geschrokken van hem als andersom en is onder het gebladerte verdwenen. "Hij moet hier ergens zitten, het is een hele grote, wel 3 meter". Ik vind het opeens niet zo leuk meer. "Pythons zijn toch wurgslangen en niet giftig he?", vraag ik voor de zekerheid. "Nee, ze zijn niet giftig, maar ze bijten wel". Er ritselt iets naast me en ik zie een dikke groen-gele staart in het gras verdwijnen. Even later zie ik ook z'n kop. Het is een grote leguaan met flinke klauwen en zo'n vieze gespleten tong. Ze doen niets, maar toch... Ik hou het voor gezien en loop behoedzaam terug naar de auto.

De schemering is ingevallen en Harry heeft het kampvuur al aangemaakt. We staan op een schitterende plek pal aan de Okavango rivier in Botswana, helemaal alleen. Onder het genot van een glas wijn staren we over de rivier.De zon gaat bloedrood onder. Er staat een behoorlijke stroom. Opeens wordt mijn blik getrokken door een boomstam die tegen de stroom in gaat. Een krokodil! "Twee", zegt Harry, "daar gaat er nog een".

Als we helemaal ingesloten zijn door de duisternis horen we overal jungle geluiden. Honderden tsjirpende krekels, af en toe het geschreeuw van een aap en een vreemd soort geknor. Wat zou dat nu weer zijn? We denken dat het nijlpaarden zijn die van de overkant komen zwemmen en hier aan land gaan. Het geknor komt steeds dichterbij en we horen geritsel in het riet. Ik ben er niet gerust op, nijlpaarden kunnen heel gevaarlijk zijn. Voor de zekerheid gooien we nog maar een extra blok op het vuur. En dan worden we plotseling opgeschrikt door een hard gekraak in het riet. We springen tegelijk op de picknicktafel, Harry schijnend met de zaklantaarn, ik in de verdediging met de BBQ-tang, klaar voor de aanval van "het beest". Dat blijkt een grote losgeraakte papyruspol te zijn! We gaan vroeg naar bed. Als we net goed en wel slapen, worden we wakker door gekrabbel. Ik schijn met de zaklantaarn in de richting van het geluid, recht in het gezicht van een jakhals die in onze vuilniston zit!

 

Kom van dat dak af!

Kasane, zondagochtend net iets voor zeven uur. We worden wakker door een zachte plof. Ik open mijn oog en zie ...... een staart voor het raam! "Dan zit er een aap op het dak" zegt Harry, die zich weer omdraait. Als ik mijn andere oog ook open, zie ik nog meer staarten. We bonken tegen de binnenkant van het dak waarna de apenfamilie geschrokken in de boom springt. Harry opent het raampje en roept kssss maar de aapjes laten zich niet wegjagen. Sterker nog, ze blijven ons met zijn allen brutaal aanstaren, klaar voor de aanval. Opeens klinkt er een geroffel van jewelste. Minstens 15 apen springen via ons dak in de boom aan de andere kant van de bus. Ze hebben het gemunt op een vergeten vuilniszak die nog aan de tak hangt. Binnen een seconde verandert onze kampeerplek in een vuilnisbelt. Overal liggen eierschalen, plastic en koffieprut. Een aapje heeft een pindazakje gevonden en graait er gulzig de laatste nootjes uit. Dan grijpt hij Harry's onderbroek van een tak en.... veegt er het zout mee van zijn mond! Dit is te veel van het goede. Harry stormt brullend de auto uit om zijn onderbroek en een handdoek te redden. We horen gelach en geklik. De overburen hebben alles op camera vastgelegd.

 

Gorilla in de mist in Zimbabwe

Kasane ligt praktisch op de grens met Zimbabwe en naar de beroemde Victoria watervallen is het nog geen uur rijden. Twintig jaar geleden ontmoetten we hier onze vrienden Bert en Saskia. Exact op het afgesproken uur, met een fles champagne in de hand, sprak Bert de legendarische woorden: "Dr Livingstone, I presume?". Daarna gingen we dineren in het chique Victoria Falls hotel waar Saskia en ik gegrilde mopani-wormen hebben gegeten. Maar soms moet je herrinneringen laten voor wat ze zijn. Vic Falls was een afknapper. De verloedering van het land is al bij de grens merkbaar. De douaneambtenaren waren onvriendelijk en alleen maar geinteresseerd in onze dollars. US$30 pp voor een visum en nog eens US$60 voor de auto. Het plaatsje bij Victoria Falls is uitgegroeid tot een waar touristisch circus. Je kunt er adrenaline pakketten kopen. Als je 2 activiteiten kiest krijg je gratis een sunset cruise over de Zambezi rivier. We kunnen kiezen uit een lijst van wel 15 activiteiten, allemaal tussen de $90 en $120 per stuk. Rustig op straat lopen is er niet bij. Continu worden we belaagd door souvenierverkopers: "please, please, very cheap". En als ze we tien keer gezegd hebben geen interesse te hebben wordt de klaagzang alleen maar erger: "please sir, I like your shoes, give me your shoes, for my father, I like your sun glasses, please give me something, I'm so hungry".

Bij de Victoria Falls is het niet beter. De ingang is bijna niet te vinden omdat het er volgebouwd is met souvenierstalletjes. De entreeprijs is $30 pp. En voor die prijs mag je 's middags niet even terug komen, maar moet je een nieuw kaartje kopen. Ook de watervallen zelf vallen tegen. Er is veel te veel water in de Zambezi waardoor je alleen maar spray ziet. Een foto van Harry voor de watervallen lijkt net een opname uit "gorilla's in de mist".

We overnachten op dezelfde camping als toen ($10pp plus $6 voor de auto) en delen onze zelfgemaakte spagetti bolognaise met Alfred, de bewaker. Hij heeft twee jonge kinderen verloren omdat hij de medische zorg niet kon betalen of krijgen. Als je niet pro-regeringspartij was dan kon je zomaar opgepakt worden en dan kreeg je een behandeling met zoutzuur. Ook vertelt hij over de geldontwaarding, en laat een biljet van 100 triljoen dollar zien. Daar kon je nog geen brood voor kopen, als het al uberhaupt verkrijgbaar was. Op straat wordt het "monopoly" geld nu als souvenier verkocht. Niemand wil het hebben. Lachend zegt hij:" rijke zakenmannen waren in een klap net zo arm als ik". Zijn vrouw wil nu van hem scheiden, alsof hij er wat aan kan doen.

Op de terugweg, op nog geen halve km voor de grens met Botswana, worden we aangehouden door de politie. Geen reflecterende strips op de bumper. Dat is dan $10 voor de voorkant en nog eens $10 voor de achterkant. Er staat een heel rijtje buitenlandse autos met hetzelfde probleem. We komen weg met $10 omdat we een rolletje reflecterende tape in de auto hadden liggen, grrrrr! Aan de grens moeten we lang wachten en weer een hele zooi papieren invullen. Als we eindelijk klaar zijn en weg willen rijden, komt er weer zo'n konijn aan die weer onze paspoorten en autopapieren wil zien. Harry zegt: "Waarom? Dat hebben we net allemaal al gedaan", en wil verder rijden. Prompt wordt de grenspaal naar beneden gegooid en de (niet geuniformeerde) man zegt woedend: "I'm an undercover detective". We hebben geen zin in nog een "admission of guilt" of erger en werken verder braaf mee. Ooit was Zimbabwe een grandioos land. Wat ons betreft mogen ze Mugabe voor het tribunaal in Den Haag gooien.

 

Mystiek in de Makgadikgadi pan

Ongeveer in het midden van Botswana ligt een enorme zoutpan met een oppervlakte van 12.000 km. Vroeger was dit een van de grootste binnenmeren van Africa. Om er te komen moeten we 120km over een karrespoor door het bushveld en daarna nog een 50km over de pan. Het pad is alleen begaanbaar met een 4x4 en uitsluitend in het droge seizoen. Nu heeft het tot en met april nog behoorlijk geregend en we vragen ons af of de weg begaanbaar is. Niemand kan ons een antwoord geven, dus gaan we maar op goed geluk. De weg is droog en redelijk goed. In het bushveld zien we wildebeest, struisvogels en antilopen. Twee keer komen we langs een "cattle station", een groot woord voor een paar schamele hutjes. De bewoners begroeten ons uitbundig en vragen om eten. Wij vragen ons af hoe vaak ze bevoorraad worden. Het vee loopt vrij rond. Botwana behoort tot de grootste beef exporterende landen. Het rundvlees is bijna net zo goed als in Argentinie. Maar nu is er mond-en klauwzeer uitgebroken en Europa heeft de import vanuit Botswana stil gelegd omdat de papierwinkel waaruit moet blijken dat het beest gezond was, niet in orde is. Daar kunnen we ons iets bij voorstellen.

Na drie uur rijden komen we bij de pan. In het natte seizoen is dit een broedplaats voor flamingo's. Die zien we niet. Wel enkele pelikanen die je door de luchtverplaatsing van hun grote vleugels al van verre hoort aankomen. In het midden van de pan ligt een "eiland" van granietbolders met daartussen baobab bomen. Je wandelt er in 45 min omheen. De rotsen hebben witte strepen, zgn apatiten. Dit zijn gefossiliseerde uitwerpselen die erop wijzen dat hier vroeger een grote vogelpopulatie moet hebben geleefd die zich voedde met vis uit het meer. Ook zijn er sporen van menselijke beschaving gevonden. Midden over het eiland loopt een stenen muur, ongeveer 1500 jr oud, die grote gelijkenis vertoont met de Great Zimbabwe ruins. Men vermoedt dat dit een satelietvestiging was waar initiatie riten voor jongens werden uitgevoerd. Vergeleken met de geraffineerde bouwstijl van de inca's is dit wel heel erg primitief. De muur was ooit 100m lang en 1.2 m hoog. Nu is het gedeeltelijk ingestort en als je er bovenop staat lijkt het gewoon een stapeltje stenen.

 

Lekhubu eiland is een heilige plek voor de Kalanga stam die hier eens per jaar naar toe komen om hun regenrituelen uit te voeren. Er gaat een bepaalde mistiek van dit eiland uit. Overdag is er de immense leegte van het witte zoutmeer. De zon brand ongenadig. De enige schaduw komt van ons eigen busje. Af en toe ontstaat er een kleine windhoos die je eerst hoort en dan pas ziet. Laat in de namiddag geeft de gloed van de ondergaande zon een diepe oranje-paarse kleur aan de granieten bolders en baobabbomen. 's Nachts koelt het behoorlijk af. Het is volle maan en de pan lijkt van zilver. We wanen ons een beetje op zee.

 

Amoureuze ontmoeting met een neushoorn

"Wat was dat?" Het is kort na middernacht en we zitten allebei rechtop in bed, gewekt door iets. Een schrapend geluid en de auto bewoog ook. "Nu ik toch wakker ben kan ik net zo goed even gaan pissen" zegt Harry. "Dat zou ik niet doen. Er staat nl een neushoorn voor onze auto. Echt waar". Dat laatste moet ik er tegenwoordig altijd bij zeggen anders gelooft hij me niet. Het is inderdaad bijna niet te geloven, maar in het licht van de volle maan staat een joekel van een neushoorn z'n kop te wrijven tegen ons busje. Ik wil mijn camera pakken, maar Harry houdt me tegen. "Dat vindt hij vast niet leuk. Ik heb een keer een documentaire gezien van een neushoorn die een locomotief aanviel. We kunnen hem maar beter niet kwaad maken". Het beest is verliefd op onze bus of heeft gewoon jeuk. Nu schurkt hij met z'n hele lichaam tegen de radiator. De bus beweegt heftig heen en weer. Als hij met z'n hoorn onder de bumper begint te raggen, knapt er iets. "En dit vind ik niet leuk. We moeten iets doen anders breekt hij de hele boel af"! Het SAS-overlevingsboekje biedt geen uitkomst voor dit soort dingen, dus proberen we gewoon maar wat. Ik open en sluit het schuifraampje met een knal in de hoop dat hij hiervan schrikt en weg gaat. Geen reactie. Ik open het raampje nog een keer en roep: "he, hou daar eens mee op". Nog steeds geen reactie. Pas na Harry's immitatie van een leeuw (of wrattenzwijn) draait het beest zich met een ruk om. Hij kijkt ons geirriteerd aan en gaat rustig lopen grazen naast de bus. Grp, grp, grp. Dat is al een stuk beter maar we wachten nog maar even met plassen.

Als het licht wordt nemen we de schade op. Dat valt gelukkig mee. Een paar krassen op de voorkant, verf van de bumper en een afgebroken reflector. We zetten een thermoskan koffie en gaan vroeg op pad in de hoop een neushoorn te zien bij daglicht. Neushoorns zijn erg schuw en komen nog maar weinig voor in het wild. Ondanks geldverslindende campagnes en verhoogde bewaking door het leger, worden neushoorns nog steeds gedood. De hoorn brengt veel geld op in Azie waar men gelooft dat een beetje gemalen hoorn in je thee een positief effect heeft op je sexprestaties. Ook gaan er veel hoorns naar het midden oosten waar ze verwerkt worden in sierdolken. Maar hier in Serowe (Botswana) is de kans groot dat we ze gaan zien. Dit is nl een fokcentrum dat neushoorns levert aan grote wildparken zoals Kruger en Serengeti. Het park is niet zo groot en telt op dit moment 32 neushoorns. 30 witte en 2 zwarte. In eerste instantie ziet het er naar uit dat het een teleurstellende dag wordt. We rijden door een stekelbosjeslandschap en zien af en toe wat impalas en kudus. Maar als we op de open grasvlakte komen worden we beloond. Een stuk of 50 zebras, nog meer gnoes, honderden impalas staan rustig door elkaar heen te grazen.

We zien 2 neushoorns in de verte. Een moeder met een kalf. We schenken een kopje koffie in en blijven geduldig wachten tot ze dichterbij komen. Om het beter te zien gaan we, tegen de regels in, buiten de auto staan. Opeens horen we gesnuif achter ons. Nog een moeder met een jong. Ze komen recht op ons af. We weten niet hoe snel we weer in de auto moeten komen! Uiteindelijk zien we maar liefst 15 neushoorns, allemaal witten, sommigen van heel dichtbij. De zwarten laten zich niet zien. Als we later bij de parkbeheerder ons verslag doen, vertelt deze dat onze nachtelijke ontmoeting waarschijnlijk met een zwarte neushoorn was die zich ontdeed van hinderlijke parasieten.

 

18 Mei. Wij zijn weer terug in Zululand. Zuid-Afrika gaat naar de stembus. Volgens de nieuwslezer hebben zich geen incidenten voorgedaan. Er is slechts een ANC kandidaat vermoord en op sommige kantoren is sprake geweest van intimidatie. Na 4 dagen is er een uitslag: het ANC heeft met uitzondering van Zululand, in alle districten 10% van de stemmen verloren aan de Democratic Alliance, maar heeft nog steeds de meerderheid van 60%. Ze vieren feest. Een woordvoerder van de DA slaat de spijker op zn kop: Onze slogan "better services for all" spreekt de mensen meer aan dan de racistische rethoriek van het ANC. Maar dat hebben ze nog niet door.

 

Elephant Coast

"Wanneer gaan we nou?"

"En, heb je de apen gezien?" vraagt Harry als we weer terugkomen van het boodschappen halen. "Ja, en twee olifanten en 7 tijgers" antwoordt Casper. Hij is nog maar 5, niet zo verwonderlijk dus dat Harry z'n woorden in twijfel trekt. Maar Casper is gepikeerd, hij heeft nl echt olifanten en tijgers gezien en wel in het centrum van Richards Bay. Ze hoorden bij het circus. Na een vluchtige inspectie van de boot neemt hij het roer in handen en roept ongeduldig: "Wanneer gaan we nou, mamma?". Hij denkt dat we met Zwerver gaan zeilen, maar we moeten hem teleurstellen. Het nieuwe grootzeil is nog niet klaar. Bovendien is dit geen kust om even te gaan spelevaren met een kind dat nog niet kan zwemmen. We hijzen hem in een zwemvest en als zoethoudertje scheuren we een rondje door de haven in de dinghy. Op het strand gaat hij (aan de hand van z'n moeder) alsnog koppie onder in de sterke branding. En 's nachts valt hij uit z'n kooi.

Het reisprogramma is voor zo ver dat mogelijk is, aangepast aan dat van een vijfjarige: relatief korte afstanden, grote kans op wilde dieren, zand en water. Het gebied dat we uitgekozen hebben heet de Elephant Coast. Je vindt er de mooiste wildparken, spectaculaire kusten met kilometers verlaten zandstranden, zuludorpjes en een uniek ongerept waddengebied. Deze regio wordt relatief weinig door touristen bezocht, er zijn een aantal goede hoofdwegen, maar voor de echt mooie plekjes moet je beslist een 4x4 hebben. Voor de zekerheid laten we onder het chassis van het rode busje een extra versteviging lassen. Het linkerachterwiel stond er nl weer een beetje scheef bij. Onze familie houdt best van avontuur maar het zou zonde zijn dat uitgerekend in hun vakantie het busje de geest geeft.

Apestreken

De eerste dag is meteen een voltreffer. De weg naar Cape Vidal loopt door Isimangoliso Wetland Park, een natuurgebied dat helemaal doorloopt tot in Mozambique. De rechterkant is een droog duinenlandschap begroeid met raffiapalmboompjes. Er grazen zebras, kudu's en impalas. De tegenstelling met de andere kant van de weg is groot. Hier is het groen en drassig en zien we buffels en waterbokken tussen de rietkragen. De camping bij Cape Vidal ligt in een bosrand dat direkt aan de duinen grenst. Een schichtig rood duikertje komt voorzichtig een kijkje in ons kamp nemen en een groep van wel 20 stokstaartjes rent luid piepend op de vlucht. Via een klein paadje door de duinen komen we op een heerlijk zandstrand. Het is laagwater en achter het rif blijven getijdepoelen staan waar kinderen veilig kunnen spelen. Gaatjes in het zand verraden waar de crabbetjes zitten. Als je je handen er diep genoeg onder steekt kun je ze opvissen. De afrikaanse kinderen laten ons zien hoe het moet. Casper vindt het wel een beetje eng maar vangt er na een paar keer proberen ook een paar. Een visser heeft een grote inktvis gevangen en gooit het in een getijdepoeltje zodat de kinderen ermee kunnen spelen. Onder zijn tentakels zitten zuignapjes die zich meteen aan je vingers hechten zodra je ze aanraakt. Tijdens de bereiding van het avondeten krijgen we bezoek van een apenfamilie die ons vanaf een veilige afstand in een boom nauwlettend in de gaten houdt. In de drukte letten we even niet op. Opeens horen we Casper verontwaardigd roepen: hey!. Een aap is er met een ei vandoor gegaan. Als we later aan tafel zitten, laat een andere aap zich met een plof midden op de tafel vallen en grist een handvol spagetti uit de pan. In Afrika ligt het avontuur om de hoek.

Van achteren

Het is koud, nat en donker. Tussen de buiten door, in de vroege ochtendschemering breken we de tent op. We gaan naar Umflozi/Hluhluwe, een wildpark met een oppervlakte van 100.000 hectare waar je grote kans hebt om leeuwen, olifanten, giraffen en neushoorns te zien. De beste tijd van het jaar, zo lezen we de reisgids, is in de winter. Dan is het droog en verzamelen de dieren zich rond de drinkplaatsen. Maar deze winter is uitzonderlijk nat geweest. Het begon goed. Meteen al bij de ingang steekt er een groepje giraffen vlak voor ons de weg over. Ze zijn te dichtbij voor mijn telelens. En waar giraffen zijn, zijn ook zebra's. Ook deze blijven gewoon op de weg staan. Daarna wordt het moeilijker om het wild te spotten. Impalas verraden zich gemakkelijk door hun bruine kleur en wapperende staartjes. Maar de andere dieren verschuilen zich tussen de dichte vegetatie.

Vaak zien we ze pas op het allerlaatste moment. En dan is het moeilijk om een kind stil te houden. "Ja, ja, ik zie hem" gilt hij enthousiast als we eindelijk een neushoorn zien. En prompt verdwijnt het beest weer in de bosjes. Hoewel we het idee hadden dat we weinig hadden gezien, hebben we toch redelijk wat foto's van kudu's, nyala's, neushoorns, zebras, giraffen, impala's, bavianen en zelfs van een grote olifant. Helaas meestal van de achterkant....

 

Close encounter

Van andere zeilers hadden we gehoord dat er in de buurt van Umflozi/Hluhluwe een cheetah-opvangcentrum zou zijn, maar die informatie was redelijk gedateerd. En hier in Zuid-Afrika is het een komen en gaan van ondernemingen, dus helemaal zeker van onze zaak waren we niet. We stelden ons er ook niet zoveel van voor. Tot onze grote verrassing werd dat opvangcentrum een van de hoogtepunten van de vakantie. We zijn er precies om 4 uur, voedertijd. Een enorm gedreven mevrouw leidt de rondleiding en vertelt over het opvangcentrum en de eigenaardigheden van ieder dier. Sommige beesten zijn gewond geraakt, anderen mishandelt door mensen. Geen van de dieren is in staat zichzelf te redden in het wild en wordt een laspost voor boeren. Eerst bezoeken we de wilde katten. Ze zien er eigenlijk net zo uit als een gewone grijze huiskat, maar dan ietsje groter. Deze katten moesten zingen voordat ze hun kippepoot kregen.

Daarna was het de beurt aan de caracals. Dit beest lijkt het meest op een grote puma met pluimpjes aan z'n oren. Onze gids gooit een stuk kip hoog de lucht in. De caracals maken een indrukwekkende sprong van wel zeker 3 meter en vangen de kip in hun sprong. Dan is het showtime voor de cheetahs. Tot onze stomme verbazing gaan we bij de cheetahs in de ren. Twee cheetah's zijn redelijk tam, maar de derde is wild. Casper mag er eigenlijk niet in. De cheetahs zien hem als een impala en kunnen aanvallen. We moeten Casper tussen ons in houden en hij mag beslist geen geluiden maken. We twijfelen. Z'n mond houden is niet z'n sterkste kant. Maar het knaapje lijkt de ernst van de situatie goed in te schatten en is voor de gelegenheid uitzonderlijk gedwee. Nadat de cheetahs gevoerd zijn, mogen we ze aaien en met ze op de foto. De gids vertelt dat de hartslag van een cheetah binnen enkele seconden kan toenemen tot boven de 200 slagen per minuut. Die van Casper doet er volgens mij niet veel voor onder. Als laatste gaan we in de ren bij de cervetkatten. Die worden ook wel giraffekat genoemd vanwege hun lange nek. Deze beesten trekken zich niets aan van mensen. Eentje heeft het echter op mijn gebreide sokken gemund. Met een rotvaart komt hij op mij af en gaat me kopjes geven. Dat doet ie met zo'n geweld dat ik moeite heb om te blijven staan. Hij spint er bij en laat z'n tanden zien. Als hij maar geen hap uit m'n enkel neemt. Geen idee waar het beest last van heeft, maar hij is niet meer bij me weg te slaan. Later vertelt iemand me dat deze beesten afkomen op vrouwen die op de top van hun vruchtbaarheid zijn. Nou ja!

 

Duiken in Sodwana Bay

Zus Annemarie is duikinstructeur maar heeft al meer dan 3 jaar niet gedoken. Ik ben op papier op beginnersniveau blijven hangen maar heb wel een indrukwekkend logboek maar met een groot aantal illegale duiken (volgens de duikschool). Maar duo "slim-en-bedrog" weet de duikinstructeur te overtuigen van onze vaardigheden en we mogen mee zonder opfrisduik. "Wel goed bij je zus blijven" zegt ie argwanend. En als ik mijn duikvest verkeerd aansluit vraagt ie of het logboek misschien van iemand anders was. Onze divemaster (een iel ventje van 18 met spillebeentjes) komt te laat opdagen. Hij heeft een kater en gaat in de boot over zn nek. De slang van het beademingsapparaat van Annemarie knalt uit elkaar als we in de boot zitten. Er is geen reserve-set aanwezig. Spillepoot staat duidelijk geirriteerd z'n set af en blijft zwak, ziek en misselijk in de boot achter. De boottocht is ronduit spectaculair. Na een paar testrondes gaan we in hoge snelheid al zigzaggend door de stevige branding. De zodiac maakt daarbij zulke harde klappen dat ik me verbaas dat alles heel blijft. Het water is ijskoud, 17 graden. Zelfs door in ons 5mm wetsuit te plassen blijven we niet warm. Het zicht is slecht, de vissen en het koraal maar gewoontjes. De zusjes Q houden het na een half uurtje voor gezien. Op de terugweg maken we nog een keer een stop in Sodwana Bay. Het weer is een stuk beter. Deze keer houdt een van de motoren ermee op en gaan we naar een andere duiklocatie. Een school dolfijnen komt nieuwsgierig naar de boot toe. We springen in het water, maar de duikschool heeft geen snorkels zodat we telkens naar de oppervlakte terug moeten om adem te halen. Zeer vermoeiend. Het zicht is goed en we zien oa reuze lintstaart roggen. In de verte is een walvishaai gesignaleerd, maar die zien we helaas niet. 's Avonds bij het kampvuur krijgen we gezelschap van een wilde genetcat die, net als die rotapen, dol is op spagetti.

Nijlpaarden in Kosi Bay

We rijden verder noord naar Kosi Bay, op de grens met Mozambique. Ook hier weer een enorm wijds zandstrand met hoge duinen. De riviermonding is een breed uitgewaaierde delta en staat vol met rieten visfuiken, een techniek die al vele generaties oud is. Vissers inspecteren hun fuiken op surfplanken van riet. De delta is een grote getijde poel waar je heerlijk kunt zwemmen en snorkelen. Maar de stroom is erg sterk. Het is heel ondiep en er zitten morenen tussen de rotsen, uitkijken dus. Ik snorkel met Casper op m'n rug en heb de grootste moeite om niet af te drijven. Het woord tourisme hebben ze hier nog niet uitgevonden. We willen heel graag een boottochtje maken maar worden blijkbaar verondersteld onze eigen boot mee te nemen. Er zijn wel steigers en boothellingen maar geen boten te huur. Uiteindelijk weet Annemarie een vage afspraak te maken met iemand van een hotel die wel een boot heeft en iets wil bijverdienen. We vinden nog een paar verdwaalde toeristen zodat we de kosten kunnen delen. De tocht gaat door smalle rietvelden waar we reigers en hagedissen zien. Deze smalle kanaaltjes verbinden een aantal meren, die naarmate we dichter bij de kust komen, steeds zouter worden. In het minst zoute meer zien we nijlpaarden.

Thembe elephant park

Een uurtje ten westen van Kosi Bay ligt Thembe, nu een beschermd park voor olifanten, vroeger een koninkrijk. De koning leeft nog en heeft blijkbaar nog enige invloed ook, want de camping waar we naartoe hadden gewild is door hem gesloten. Evenals voor Kosi Bay, heb je voor Thembe een 4x4 nodig. Het heeft hier duidelijk minder geregend dan in Richards Bay. We rijden door diep mul zand en de begroeiing is droog en dor. We passeren rakelings een reuze olifant die op een paar meter van de weg tussen de bosjes staat. Hij heeft enorme slagtanden en wappert met z'n oren. We hadden hem helemaal niet gezien! We stoppen bij een "waterhole" waar de dieren zich in droge tijden verzamelen. We hebben geluk. Als we aankomen staat er al een olifant te drinken. Er lopen ook een paar hertjes omheen. Vanuit een veilige hut kijken we naar een life-natuurdocumentaire. Het lijkt alsof deze olifant de kust veilig moet verklaren want even later komen er vanuit het niets nog een drietal olifanten aanlopen. Steeds meer dieren komen erbij, er heerst een soort rangorde. Als de kudu's gedronken hebben, komen de wrattenzwijntjes. De bavianen blijven op een afstand toekijken. Als er eentje probeert dichter bij te komen, wordt hij door een impala weggejaagd. Als we verder willen rijden wil de motor niet starten. Gelukkig konden we een sleepje krijgen van iemand. Dit gebeurt later op de dag nog een keer. Eigenlijk hadden we op de terugweg naar Richards Bay nog naar een Zulu cultureel centrum willen gaan, maar we willen niet het risico lopen ergens op een afgelegen plek stil te komen staan, dus hiermee eindigt onze vakantie. Annemarie en Casper gaan nog op walvissenjacht in Durban en daarna op het vliegtuig terug naar Nederland.

Autopech in Lesotho

Terug in Richards Bay krijgen we nauwelijks de tijd om nog wat klusjes te doen. Ten eerste regent het veel maar binnen 3 weken krijgen we weer familiebezoek. Met Harry's broer Jan gaan we een paar dagen wandelen in de Drakensberg, de Sani-pas over naar Lesotho en een paar dagen op safari in Kruger. De Sani-pas is spectaculair. Een smalle onverharde weg met grote keien en gaten kronkelt met haarscherpe bochtjes omhoog. De lucht is blauw en de zon schijnt maar er blaast een frisse wind. In de plooien van de bergwanden ligt her en der nog een restje sneeuw. Het busje trekt het goed, maar het linker achterwiel baart ons zorgen. We vrezen dat het chassis het weer begeven heeft. Bovenaan de top is een hotel-restaurant. Boven de bar hangt hangt een bordje: "hoogste pub in Africa". Natuurlijk maken we daar een foto van. Het busje is inderdaad door z'n wielen gezakt en dat had op geen slechtere plek kunnen gebeuren dan hier in Lesotho. We rijden door een vrij onherbergzaam gebied. Af en toe passeren we een kudde geiten of een locale bewoner op een kleine ponny gewikkeld in de traditionele wollen dekens waar Lesotho om bekend staat. De dorpjes stellen niets voor; meestal een paar hutjes en winkeltjes langs een onverharde weg. Geen garage waar je zoiets kunt laten lassen. We besluiten om door te rijden naar Clarens. Gelukkig hebben we het slechtste gedeeltje van de weg gehad en hoeven we niet meer door diepe kuilen. In Bethlehem, een iets groter plaatsje naast Clarens wordt de klus binnen een uurtje geklaard. We reizen vrolijk verder richting Swasiland, maar 40km voor de grens krijgen we een lekke voorband. Dat zou normaal gesproken geen probleem hoeven te zijn. Ware het niet dat de reserve band niet past. We bellen een sleepwagen die ons naar een garage brengt. De lekke voorband is zo gepiept maar nu blijkt het linkerachterwiel bij nader inspectie toch niet goed gerepareerd te zijn. Het wiel zit er scheef op en schuurt langs de as. Het is een kwestie van enkele uren voordat deze band het ook begeeft. Wederom brengen we een aantal uurtjes in een garage door. Het blijft lapwerk maar de monteur verzekerd ons dat we ermee naar Kruger komen en terug naar Richards Bay.

Beestenboel in Kruger

Swasiland kan ons niet bekoren. Arm, rommelig, niets bijzonders. We rijden er in een halve dag doorheen omdat het de kortste weg naar Kruger is. Kruger daarentegen is zeer de moeite waard. Het is druk in de kampen, overnachtingen varieren van camping tot luxe lodges. We hebben niet gereserveerd en de camping is eigenlijk vol, maar een aardige receptioniste propt ons er toch tussen. Er zijn kioskjes, souvenierwinkels en eettentjes. Je krijgt de indruk dat je in de Beekse Bergen bent, vooral als we met 20 auto's op een verharde weg met z'n allen een glimp van een leeuw proberen op te vangen. Maar als je even van de hoofdweg afgaat, ben je weer terug in Afrika en heb je al het moois weer voor jezelf. We zien veel wild: kuddes olifanten, veel giraffen, zebra's, gazelles, leeuwen, cheetahs en zelfs een grote kudde neushoorns. Eerlijk is eerlijk, Kruger is grandioos en niet voor niets top attractie nr 1 van Zuid Afrika. Na drie dagen Kruger zetten we Jan af op de grens met Mozambique. Hij gaat daarna nog door naar Namibie. Wij gaan terug naar Richards Bay ons serieus voorbereiden op een lastig stukje zeilen naar Kaapstad.