De Tuamotu Archipel

Een Hollandse tragedie in de Danger Islands

"Tua" betekent "veel" en een "motu" is een eilandje in het Polynesisch. Een atol bestaat uit een ring van meerdere motus, vandaar dus Tuamotu.. De Tuamotu archipel bestaat uit 76 atollen en strekt zich uit van 135 tot 150 graden westerlengte en van 14 tot 22 graden zuiderbreedte, een paar stipjes op de kaart. Je komt er vanzelf doorheen opweg van de Marquesas naar Tahiti. Tot 1963, het jaar waarin Frankrijk begon met de eerste atoomproeven op Mururoa, was er niet zoveel bekend van de Tuamotus. Een aantal atollen, oa Rangiroa en Apataki, zijn ontdekt door Nederlanders: Le Maire en Schouten in 1616 en Roggeveen in 1722, lang voordat Tahiti werd ontdekt. Deze laatste maakte zich overigens niet erg populair door bij aankomst meteen het vuur te openen op het welkomstcomittee. De Polynesiers kwamen echter met een tegenaktie. Onze landgenoten werden door verleidelijke polynesische dames in de val gelokt en gestenigd. Meer dan tien Nederlanders kwamen daarbij om het leven. Zoals vaker in de geschiedenis vond Nederland deze eilanden niet interessant genoeg, want er viel geen handel te bedrijven. Moet je je voorstellen dat al dat moois van ons had kunnen zijn! Kapitein Cook noemde de Tuamotus de "Danger Islands" en dat was niet voor niets. De atollen zijn erg laag. Je ziet ze pas op ongeveer twee mijl afstand en dan alleen nog maar met goed weer. Op het moment dat je ze ziet, zit je ook al bijna op het koraalrif dat de atollen omringd. Bovendien staan er tussen de atollen verradelijke en onvoorspelbare stromingen. Je moet dus continu goed opletten en exact weten wat je positie is. Je zou denken dat dit vandaag de dag, met onze moderne navigatiemiddelen als GPS en Radar niet zo moeilijk moet zijn, maar twee weken geleden is er nog een deelnemer van de Blue Water rally (de klassieker Gypsy Moth) op het rif bij Rangiroa gelopen, en dit schip had een professionele schipper aan boord. Een gewaarschuwd mens telt dus voor twee. Wij zijn er nog niet helemaal uit welke atollen we zullen bezoeken. Kiezen we voor de gemakkelijke, maar ook de meest platgetreden route in het noorden? Of zullen we eerst naar het zuiden afzakken en dan een paar atollen bezoeken die nog niet zo vaak bezocht worden en daardoor hopelijk nog een beetje van hun oorspronkelijke karakter behouden hebben?. Als we de Amerikaanse pilotboeken moeten geloven, kunnen we beter direct naar Tahiti gaan. Die pilots zetten we dus in de kast en we vertrouwen er maar op dat de Fransen het wel weten, het is immers hun "Territoire Outre Mer". En dat blijkt een goede beslissing.

Zwarte parels in Kauehi

Vanaf de Marquesas zetten we koers richting Kauehi. Een afstand van ruim 550 mijl. We hebben fantastische meelopende winden, ongeveer 20 tot 25 knopen. 's Nachts rommelt het een beetje en we zien overal weerlichten om ons heen, maar wij zeilen er probleemloos omheen. We gaan veel te hard en komen na 4 dagen, 12 uur te vroeg, in het donker, aan. Dat is dus naadje: dit atol heeft weliswaar een brede doorgang in het rif maar met het uitgaande tij kan er 5 knopen stroom in de pas staan met gevaarlijke brekers. We besluiten om ongeveer 10 mijl van het atol te gaan bijliggen en te wachten tot het de volgende ochtend doodtij is. Bovendien is het ons eerste atol en weten we niet goed wat we kunnen verwachten. Niets wijst erop dat we in de buurt van land zijn, maar de radar laat duidelijk een groene streep zien. Als we 5 mijl mijl verwijderd zijn van de doorgang, houdt de GPS er spontaan mee op. Tijdelijk geen satelliet ontvangst. En ondanks dat het Hemelvaartsdag is wordt er even stevig gevloekt, in stereo. We zien 3 jachten uit het atol komen. Het blijken bekenden te zijn en zij vertellen ons dat de doorgang geen probleem is. Onze berekeningen obv maanstanden was dus goed! Toch is het nog wel even spannend. Tot aan het rif is het nog steeds erg diep, ongeveer 1000m. Dan veranderd de donkerblauwe kleur van het water in azuurblauw en loopt de diepte opeens terug naar 16m, 12m, 6m....... shit, ik kan de bodem zien!. Er staan witte brekers in de doorgang en er wordt voelbaar aan de kiel getrokken, maar het valt allemaal reuze mee. Vol gas gaan we er moeiteloos doorheen. En dan zijn we in de lagune. Het water heeft een groenige aquamarijn kleur, maar verder lijkt het wel op het IJsselmeer: we kunnen de overkant niet zien. Heel vreemd, we hadden ons nooit gerealiseerd dat een atol zo groot zou zijn, en dan is Kauevi, 12mijl lang en 8 mijl breed, nog maar een middelmaatje. Voorzichtig varen we door de lagune, Harry voor op de punt om uit te kijken voor verradelijke koraalkoppen, maar dat valt mee. Het duurt nog zeker 2 uur voordat we bij onze ankerplek zijn. Voor een klein strandje met een paar huisjes en een wit kerkje, maar nog zeker een halve mijl van de kant, laten we ons anker vallen. Tot onze verbazing komen er een 6-tal kinderen aangezwommen. Als we ze "bonbons" geven zijn ze niet meer van boord weg te slaan. Harry pakt het brutaalste meisje en gooit haar overboord. Tot grote hilariteit van de rest die er ook maar snel achteraan springt. "Au Revoir, a demain!". Genietend van de zonsondergang luisteren we naar het meerstemmig gezang dat vanuit het kleine witte kerkje naar ons toekomt.

Er wonen ongeveer 150 mensen op dit atol en die leven allemaal op een smal striepeltje grond. Hun voortuin grenst aan de lagune en hun achtertuin aan het rif. In tegenstelling tot de Marquesas zijn de eilanden behoorlijk droog en dor. Water is soms zelfs een probleem. Ieder huis heeft grote zwarte ton in de tuin staan waarin regenwater wordt opgevangen. Op palmbomen na, groeit hier niets. Met de komst van syntetische alternatieven, is de copra-industrie in verval geraakt. De grootste bron van inkomsten komt tegenwoordig van de zwarte parels, en dat is een lucratieve business. Met de bemanning van "Sea Cardinal" maken we een uitje naar de grootste pearlfarm. Onze gastheer, Tiakehau, tevens kruidenier, burgermeester en eigenaar van een transportbedrijfje, is een indrukwekkende gespierde vent, rijkelijk getatoueerd en met een markante kop. Enthousiast vertelt hij ons over het reilen en zeilen van z'n bedrijf en en passant probeert hij ook nog het Evangelie aan ons te slijten. Een parelkwekerij is arbeidsintensief. De baby-oesters worden mbv zgn "collecteurs" (zwarte plastic slingers) gevangen buiten het rif. Als ze na ongeveer 2 maanden groot genoeg zijn wordt er voorzichtig een miniscuul klein plastic bolletje in gebracht waarop de oester als reactie parelmoer gaat afzetten. Na een half jaar wordt gekeken of er zich een parel ontwikkelt. Zo ja, en als de kwaliteit veelbelovend is, laten ze de parel doorgroeien tot 12 a 18 maanden. Iedere 3 maanden worden de oesters onder hoge druk afgespoten en indien nodig, worden ze verplaatst naar planktonrijke gronden. Alle parels gaan naar Tahiti waar ze mbv een X-ray gescand worden. Met een kwekerij van 250.000 oesters behoort Tiakehau tot de kleinere tot middelgrote bedrijven. De grootse parelboer in deze regio heeft er maar liefst 9 miljoen! Slechts de helft van de oesters produceert een parel en daarvan is ongeveer 25% van export kwaliteit. De belangrijkste afzetmarkten zijn Honkong, China en Japan. Een beetje parel brengt tussen de $50 en $100 op. Aangetrokken door deze nieuwe rijkdom, stortten zich enkele jaren geleden veel polynesiers op de markt, om naar een jaar alweer falliet te gaan. Volgens Tiakehau hebben Polynesiers de verkeerde mentaliteit: zijn niet gewend om te werken en grijpen bovendien erg graag naar de fles. Met als gevolg dat 90% van de parelindustrie nu in handen is van Chinezen, die bovendien een veel betere neus hebben voor het internationale handeldrijven. Aan het einde van deze interessante excursie komt dan eindelijk het eindproduct op tafel.

Wow! Voor onze neus liggen honderden donkere parels te schitteren, varierend in vorm, grootte en kleur, van donkergroen/blauw/paars tot zilverwit. De aantrekkingskracht is onweerstaanbaar en meteen beginnen er 6 paar handen te graaien. Tegen inruil van een fles rum krijg ik maar liefst 8 kleine en 5 grote parels.

Snorkelen en schelpenzoeken op Fakarava

Met een afmeting van 30 mijl in de lengte en 15 mijl in de breedte, zo groot als het IJsselmeer, is Fakarava het op een na grootste atol in de Tuamotu archipel. Het heeft een spik-splinter- nieuwe diepwaterkade voor grote schepen, een grote gemakkelijke doorgang door het rif en een vliegveld waardoor de bereikbaarheid erg gemakkelijk is en de bewoners hun oorspronkelijke karakter verloren hebben. In een vreselijke tropische stortbui en 30 knopen wind komen we op onze ankerplek aan. Er liggen nog 5 jachten en bijna iedere dag lopen er nog eens 3 nieuwe binnen. Het bevalt ons in eerste instantie niet zo erg, maar als we een uurtje verderop ons anker voor een idyllisch strandje van een onbewoonde motu laten vallen, wanen we ons in het paradijs. De hele lagune is bevaarbaar. Je moet wel goed uit blijven kijken voor koraalkoppen, maar met goed weer en de zon in de rug, is dat geen probleem. Iedere dag liggen we op een andere ankerplek, de ene nog mooier dan de andere, en telkens moederziel alleen. In onze blote kont gaan we op verkenningstocht langs het rif, schelpenzoeken, snorkelen, lezen en gewoon lekker niksen. Heerlijk!

Onbeperkt kreeft eten op Toau

Als we willen vertrekken ontdekken we dat de watertank leeg is en noodgedwongen moeten we een dag blijven. Daarna komt er een week van depressies voorbij, gepaard gaande met harde winden en regen. Een week later en een beetje ongeduldig, lichten we in stromende regen ons anker. Er staat een normale passaatwind van 20 knopen, maar de zee is nog niet helemaal bedaard. En dat merken we als we door de pas naar buiten gaan. Er jachtje voor ons verdwijnt half onder de golven. Wij maken de boot stormvast, hebben onze reddingsvesten aan en zijn voor de zekerheid maar aangelijnd. Gedurende een kwartier wanen we ons in een wasmachine; rare brekende golven gooien ons alle kanten op. Toch is er niets aan de hand. We hebben en sterke motor en Zwerver blijft goed op koers. Als snel komen we onder de beschutting van het volgende atol, Toau en wordt het een heerlijke zeiltocht. Toau heeft weliswaar een doorgang naar de lagune, maar die wordt in het algemeen als gevaarlijk beschouwd, zeker met dit soort zeeen als vandaag. We kiezen voor de noordzijde. Daar is een soort cul-de-sac in het rif en we hebben gehoord dat een locale familie daar een aantal moorrings heeft neergelegd. Dat betekent dat we op elk moment van de dag kunnen aanlopen en geen rekening hoeven te houden met de getijden. Zodra we de ankerplek binnenlopen komt ons een motorbootje tegemoet varen en neemt onze lijnen aan. Binnen 5 minuten liggen we heerlijk aan een moorring. Wat een luxe. Toau is een waar juweeltje. Het water is helderder dan elders en het snorkelen (bij de visfuiken) is grandioos. Wel erg zwaar tegen de stroming in. Het koraal is in zeer goede staat en er is een grote hoeveelheid aan kleurrijke vis in alle soorten en maten.

Op de motu woont slechts 1 familie: Gaston en Valentine, met haar moeder, zus en diens man. Ze leven van de visvangst, copra-teelt en in beperkte mate van tourisme (zeiljachtjes en duikers) erg klein schalig allemaal.

Ze hebben hun eigen kerkje gebouwd waar Valentine elke zondag om 10 uur de mis leidt en naast hun huis staat tot onze grote verbazing een heuze telefooncel van France Telecom waarmee we internationaal kunnen bellen! Diezelfde avond worden we, met nog drie andere jachten, uitgenodigd voor het diner. Gaston heeft kreeften gevangen, wij verzorgen de wijn. In het kleine openlucht restaurant is een lange tafel gedekt, compleet met heerlijk ruikende bloemen. Het voorgerecht bestaat uit schelpdieren in een knoflookdressing, opgediend in een mooie schelp. Daarna komen er schalen met grote kreeften, vis in cocus, poisson cru, rijst en salades. Een zelfgebakken cake met slagroom en vruchten na. Wat een feest. Een driesterren-restaurant kan er niet aan tippen. Er is zoveel dat er kreeft overblijft. En prompt worden we de tweede dag weer uitgenodigd om de restjes op te maken. Daarna wordt er een varken geslacht: weer aanleiding tot een feest. Vier dagen genieten we van de gastvrijheid van deze familie en leren veel over de cultuur van de polynesiers. Een zeer bijzondere ervaring!

Speergunnen op Apataki

Van Toau naar Apataki is slechts 20 mijltjes. Een makkie: wind voor 't lappie en stroom mee. We komen iets eerder aan dan geplanned, maar de doorgang door het rif ziet er rustig uit en we wagen het er maar op. Halverwege de pas is een klein dorpje waar je kunt aanleggen aan een kade. Dat gaat niet helemaal goed. Er staat een verradelijke dwarsstroom en voordat we er erg in hebben worden we tegen de ruwe kade geduwd. Lelijke kras in het lakwerk die we dezelfde middag nog onder handen nemen. De mensen in het dorpje zijn erg nieuwsgierig en het halve dorp komt op hun driewielers voorbij om ons te begroeten. Rustig in de kuip zitten met een glaasje wijn is er niet meer bij. Sebastiaan is het meest hardnekkig en niet bij onze boot weg te slaan. Hij brengt ons vers stokbrood en wij nodigen hem uit aan boord. Tussen grote happen popcorn door, vertelt hij ons enthousiast over het Evangelie. Hij is zojuist overgestapt van de Zevende dag Adventisten naar de Mormonen. Het verhaal van Eva en de verboden appel wordt zo levendig vertelt dat ik bereid ben de hele erfzonde op me te nemen als die vent maar ophoepelt. Harry doet net of ie slaapt. Dan komt z'n neefje Michael langs: een jonge, dikke poynesier met kroeshaar en een klein knotje. Zonder te vragen komt hij er ook maar gezellig bij zitten. Dat geeft normaal gesproken niet, maar deze jongen was zo stoned als een aap. Verdwaasd zit hij in de kuip allerlei kokhalsgeluiden te maken. Sebastiaan heeft het opeens erg druk en smeert hem snel. "Neem je familie ook lekker mee", zegt Harry. "Non, non, c'est un probleme avec la drogue". Ja lekker, zitten wij ermee. Harry en ik proberen de dikke polynesier op te tillen en van de boot te werken.. Gelukkig is hij in een lollige bui en werkt nog enigszins mee. Waarom hebben wij dat soort dingen nu altijd?

Apataki heeft een alleraardigst dorp met een heerlijke relaxte sfeer. Het meest opvallend zijn de grote driewielers met een mandje achterop, van die aangepaste fietsen voor gehandicapten. Dikke vrouwen met een bloem achter hun oor, gekleed in een pareo (fleurige wikkelrok) en een grote BH, coup E of F, sigaret op de lip, komen traag voorbij fietsen. Een bende kinderen voor en achterop. Een groepje bakvissen van een jaar of 12 komt giechelend hun engels testen. "Hello, what's your name" en dan stokt het gesprek. Ook dit dorp leeft van de parelindustrie. Iedere ochtend om 6 uur vertrekken de speedbootjes naar de kwekerijen in de lagune. Ook wij gaan de lagune in. Jammer genoeg valt er weinig te zeilen omdat de wind uit de verkeerde richting komt. Voorzichtig tuffen we langs de licht blauwe rand, steeds met een scheef oog op de dieptemeter gericht. We laten ons anker vallen voor een parelkwekerij en nemen een verfrissende duik. We liggen er nog geen tien minuten of er komt een speedbootje voorbij met daarin drie mannen. "Hebben jullie zin om mee te gaan, we gaan speerfishen". We bedenken ons geen seconde en vliegen even later met grote snelheid over het water. Gewapend met een enorme speergun duiken we het water in. We bevinden ons midden in een school van duizenden grote en kleine gekleurde vissen. Maar het speergunnen valt nog niet mee. We hebben moeite om naar 10 meter te duiken zonder lood. Bovendien vind ik die haaien die hongerig om ons heen zwemmen ook maar griezelig. Binnen een half uur is de viskorf gevuld. Onze bijdrage: nul!! (Harry's 10cm visje tel ik niet mee). Alfred blijkt een rijke parelkweker te zijn. Hij nodigt ons uit voor het avondeten en vertelt smakelijk over z'n ervaringen in de "beschaafde" Europese wereld, waar hij vreselijk gediscrimineerd werd en door de politie ondervraagd werd toen hij een liter dure parfum cash betaalde.

De volgende dag krijgen we een rondleiding door het bedrijf en blijven we lunchen. Dan nemen we afscheid van Alfred en na nog een paar dagen moederziel alleen in de prachtige lagune, zetten we koers naar Tahiti. Een volgend hoofdstuk.

 

Terug naar logbook