Caribisch gebied: De Kleine Antillen

De verhalen

De meeste zeilers beginnen hun wereldomzeiling in het Caribisch gebied en gaan dan via het Panamakanaal naar de Stille Oceaan. Wij kozen voor de langere route onderlangs via Zuid Amerika om na 45.000 mijl pas in de Caribbean aan te komen. "Dat zal dan wel weer even wennen zijn voor jullie" horen we menig medezeiler zeggen. Het Caribisch gebied is de "achtertuin" van de Amerikanen. Het barst van de charterschepen en relatief rijke zeilers die er gewoon een paar maandjes per jaar vertoeven of mensen die een sabatical nemen om even te ruiken aan het cruisersleven. Als we de verhalen mogen geloven is het gebied grondig verpest, belachelijk duur, met overvolle ankerplekken waar opdringeringe boatboys je lastig vallen en waar je je dingy overdag aan een ketting moet leggen en snachts aan dek moet halen. Buitenboordmotoren worden gestolen en incidenteel wordt er zelfs wel eens een jacht overvallen. Het jachtentoerisme schijnt er zo massaal te zijn dat er geen sprake meer is van het saamhorigheidsgevoel dat wij kennen. Zeilers die hun "rondje" erop hebben zitten slaan het Caribisch gebied daarom vaak over en zetten rechtstreeks koers naar Europa. Geen aanbeveling dus. Waarom gaan we dan toch? Nou, heel eenvoudig: het is toch zeker niet voor niets dat hele volksstammen naar de Caribbean trekken? We zien wel....

Het bestaat nog

Onze bestemming is Tobago. Dat is min of meer een bewuste keuze. Het orkaanseizoen begint binnen een maand dus we willen in ieder geval in veilig gebied blijven, niet te noordelijk en binnen een dag zeilen van een veilige haven op Trinidad. Tobago ligt een beetje buiten de doorgaande route omdat, komende vanaf Trinidad, het betekent dat je het net niet in een dag kunt halen en tegen de wind en stroom in moet ploeteren. Volgens onze enigszins gedateerde pilot van 20 jaar oud is Tobago daarom "one of the last unspoiled Carribbean island". Vanaf Suriname is het perfect bezeild. We hebben stroom en wind mee en leggen de 480 mijl binnen 3 dagen af. Wel krijgen we een paar onweersbuien met regen en krachtige windstoten over ons heen. Daarom laten we 'snachts het 2e rif in het grootzeil zitten en rollen de genua half weg. Ook voeren we bewust geen toplicht omdat we onzichtbaar willen blijven. Voor de kust van Venezuela wordt nl sporadisch nog wel eens een jacht overvallen. Ook Guyaanse vissers schijnen op die manier wel eens bij te verdienen, maar meestal wagen die zich niet in diep water. Twee keer zien we een vrachtschip en dan doen we wel snel het toplicht aan en roepen hem bovendien op. Een paar keer krijgen we bezoek van een groepje nieuwsgierige dolfijnen die de gebruikelijke acrobatische toeren voor de boeg uithalen.

Zaterdagochtend net na zonsopgang lopen we de prachtige tropische baai van Charlotteville binnen. Het water is helder en een zwerm Jan van Genten en Fregatvogels vliegt met ons mee. Tot onze verbazing ligt er geen enkel jacht. We worden verwelkomd door rastamannen in kleine vissersbootjes met aan weerszijden van de boot twee bamboestokken. "Yoh skip, wan tuna? Or shrimp or lobster?" Het lijkt dus nog te bestaan.

 

Nog meer vooroordelen

Maar dan andersom, over ons. Het eerste wat je hoort te doen als je een ander land binnenkomt, is je te melden bij de authoriteiten: immigratie, douane en havenmeester. We hebben de authoriteiten al een uur voor onze aankomst opgeroepen op de marifoon, maar er antwoordde niemand. Dus gaan we gewapend met onze paperassenmap naar de immigratie. Het gebouw is open, de airconditioning staat op de hoogste stand, maar alle kantoren zijn leeg. Ook bij de douane zit alles op slot. Een havenmeester hebben ze in dit gehucht niet, dat scheelt weer. Wij herhalen ons rondje dat weekend nog 4 keer, steeds met hetzelfde resultaat. Maandagochtend hebben we meer "geluk". Immigratie is er om 10 uur nog steeds niet, maar bij de douane is een kantoor open. "Goedemorgen". "What do you want!" snauwt een mannenstem. We vertellen dat we komen inchecken. Geen idee wat er toen fout ging, maar de beste man begint opeens uit het niets een tirade naar ons uit te slaan. "Jullie komen uit een groot Europees land en denken dat wij hier allemaal dom zijn. We kennen jullie soort. Je komt hier stiekem in het weekend binnen, verstopt je in een baaitje en dan kom je maandag langs omdat je niet wilt betalen. Onze kustwacht had jullie al lang moeten onderscheppen en bovendien moet immigratie "the first line of defence" zijn. Je moet betalen, betalen!" Wij houden ons wijzelijk stil in de hoop dat hij kalmeert. Hij laat ons een paar handgeschreven lijstjes uit 2009 zien met allerlei verschillende bedragen. "Dat kost je US35", zegt hij triomfantelijk. Ik kijk naar het lijstje en zie daar staan "fees for embarking passengers en cargo" en vraag hem beleefd of dit misschien niet voor de commerciele vaart is. Dat schoot hem dus helemaal in het verkeerde keelgat. "You are not very smart", schreeuwt hij en herhaalt nog eens wat voor oplichters wij in Europa allemaal zijn. Genoeg is genoeg. Ik vertel hem dat wij ons absoluut niet welkom voelen, dat er ook eerlijke mensen in Europa zijn, dat iedereen in dit dorp kan bevestigen dat wij al dagen op zoek zijn naar immigratie en douane, dat we best wel weten dat we overtime moeten betalen in het weekend en dat ik mijn Tobago-feestje niet laat verpesten door een chaggerijnige ambtenaar. Ik hoef hier niet naar te luisteren, en loop demonstratief het kantoor uit. Harry handelt de zaak verder af. De man blijft zijn tirade herhalen en is zo boos dat hij demonstratief afziet van de US35. "I know you, I only make you happy if you don't have to pay. So here you are, you don't have to pay. Are you happy now?" Harry herhaalt vergeefs nog eens onze kant van het verhaal en dat niet alle zeilers hetzelfde zijn. Goeiedag zeg, wat voor slechte ervaring heeft die man meegemaakt? Of zou het gewoon een maandagochtendhumeur zijn geweest? Later horen we van medezeilers die een uur na ons incheckten dat dezelfde man ontzettend aardig was......

Over indianen, slaven en rastamannen

De naam Tobago is afgeleid van Tobaco of Tovaco, en heeft betrekking op de pijp die de Carib-indianen rookten, niet op de tabac zelf dus, zoals wij dachten. Gek eigenlijk, maar wij hebben ons nooit gerealiseerd dat ook hier ooit indianen leefden, hoewel dat natuurlijk heel logisch is. Maar je hoort of leest er nauwelijks over. Zoals zo vaak lijkt de geschiedenis van een land pas te beginnen bij de komst van de Europeanen. Tobago was de meest zuidelijke grens van het Carib-rijk. Hier verzamelden alle oorlogskano's zich jaarlijks om aanvallen uit te voeren op buureiland Trinidad en het Amazonegebied. De Carib-indianen waren zeer gevreesd. Niet alleen door de vredelievende Arawaks die in de heuvels woonden, maar ook door de kolonisten. In een brandbrief aan de Spaanse koning schreef de Gouverneur van Trinidad dat het in de zeeen rondon Trinidad stikte van moordlustige indianen die de vrouwen en kinderen van de Arawaks afvoerden en hun mannen opaten. Ze waagden zich niet aan blank vlees, maar namen de Europeanen wel gevangen om als slaaf voor ze te werken. Wat er vervolgens gebeurd is met de indianen staat in onze gidsen niet meer beschreven, maar dat laat zich raden. Uitgeroeid door de kolonisten, doodgegaan door ziekte of gewoon weggetrokken naar het vaste land. Op Tobago zie je ze in ieder geval niet meer.

Hier treffen we uitsluitend afstammelingen van slaven aan, die net als in Suriname, uit Afrika werden gehaald om op de suikerplantages te werken. Ironisch genoeg werden daarvoor schepen gebruikt met namen als "Jezus", "Gift of God", "Liberty", "Justice" die zendelingen naar Afrika brachten, slaven naar Amerika en suiker/rum naar Europa. Tobago is ontdekt door Columbus tijdens diens derde ontdekkingsreis naar de Americas. Hij noemde het eiland toen Assumption. Daarna werd Tobago het strijdtoneel van de Portugezen, Spanjaarden, Fransen, Hollanders en later de Engelsen. Het kleine eiland is minstens 30 keer van eigenaar verwisseld.

Je hoeft niet echt te zoeken naar de Nederlandse invloed. Op de heuvel bij Scarborough, uitkijkend over de baai, staat het Dutch Fort met een rijtje kanonnen die in de 17e eeuw bescherming moesten bieden tegen de piraten. Het verhaal gaat dat de Nederlanders in 1779 al hun bezittingen, juwelen, geld en vrouwelijke slaven op een schip hadden geladen om daarmee te vluchten als de strijd te hevig zou worden. Helaas is het schip in de haven in brand gevlogen en gezonken. In 1990 heeft men nog wel een aantal bronzen kanonnen opgedoken, maar de Nederlandse schat zou er nog moeten liggen. Hier in Charlotteville staan ook kanonnen, engelse, en die waren en zijn nog steeds op de Nederlanders gericht.

 

"Rastaman vibrations gon' cover the earth, like water cover the sea".

Bob Marley is hier nog steeds immens polulair en krijgt alleen concurrentie van de dominee die via luidsprekers het gospel verspreidt. We worden 's ochtends gewekt met reggae-muziek en gaan met dreigingen van hel en verdoemenis naar bed. Als je 's ochtends vroeg langs het strand rent komt de geur van marijuana op je af. In de schaduw van de bomen liggen vissers in hangmatten hun roes uit te slapen. Marijuana, rum en dreadlocks, zo hadden we het ons ook voorgesteld. Soms kloppen vooroordelen.

 

Het eiland is heuvelachtig en weelderig groen. Langs de weg groeien papaya's, advocado's, mango's, bananen en limoentjes waarvoor we bij de marktkraampjes overigens een fortuin moeten betalen. Overal lopen kippen met een horde kuikentjes. Die zijn van iemand. Alleen de kippen die op het strand lopen mag je zo vangen. Ik zie dat wel zitten, maar om onszelf niet voor schut te zetten houden we het zekerheidshalve maar op diepvrieskip. In de keurig onderhouden tuinen, maar ook in het wild zien we bloemen in allerlei kleuren en geuren waarvan we de naam niet weten. Het doet ons denken aan Ilha Grande in Brazilie. Alleen zijn de mensen hier stukken welvarender. Een beetje zoals in Frans Polynesie. De wegen worden goed onderhouden en er rijden nieuwe auto's en goede bussen. Ongeveer een derde van het nationaal budget gaat op aan overheidssalarissen. De inkomsten van het eiland komen uit gas-en oliewinsten voor de kust van Trinidad, visserij en toerisme. Die visserij is heel kleinschalig. We zien dat niet altijd alle vissers uitvaren en ze komen terug met ongeveer 8 middelmatige vissen, waarvoor je al snel 3 tot 4 euro per stuk betaalt. In tegenstelling tot de franse caribische eilanden, waar het ingestorte toerisme weer langzaam op gang komt, blijft het toerisme op Tobago achteruit gaan. De gemiddelde werkloosheid is 5.2% maar het dubbele onder jongeren. Die trekken naar buureiland Trinidad dat er niet beter aan toe is, en verdwijnen in de criminaliteit. Het enige wat spot goedkoop is hier op Tobago is de diesel en benzine. We vullen onze dieseltanks voor 20 cent per liter, dat is nog eens feest. Jammer dat we bijna vol waren.

Ondertussen hebben we gezelschap gekregen van een handvol andere jachten, waaronder drie bekenden uit Zuid-Afrika. Kyran, de schipper van Lilly Bolero, een karakteristieke schooner, is jarig en nodigt het hele zootje uit voor een feestje dat doorgaat tot in de vroege uurtjes en ontaardt in een bizarre verkleedpartij. Veel rumpunch en daarna hoofdpijn. De volgende dag gaan we met z'n allen zeilen, het laatste tochtje voor opstapster Angie, die hier van boord gaat.

We vullen onze dagen met zwemmen, speervissen, en BBQ'en op het strand. Onze Limburgse buren uit Suriname, Loud en Marlene, zijn ook gearriveerd. Ongewild leveren Marlene en ik spontaan een bijdrage aan het uitsterven van de Tobago-leguaan. Een locale man wijst op een stipje in het water. "Kijk, een leguaan". Het had wat mij betreft net zo goed een dobberende kokosnoot kunnen zijn, maar Steve weet ons te overtuigen en met Marlene aan de gashendel scheuren we op het stipje af. Verdomd als het niet waar is. Het beest komt af en toe boven om adem te halen en voordat we het door hebben doet Steve een greep in het water en zit er opeens een klauwende leguaan met zwiepende staart in de dinghy. Steve grijnst."Het is een vrouwtje en ze heeft eieren". Nou, wat een tractatie. En uiteraard had niemand van ons een camera bij de hand...

Af en toe wordt er geklust. Ik werk kleine beschadigingen op de romp weg, repareer de vlag, naai nieuw klitterband op de dingy-hoes en ..... weet onze beste PC te crashen. Harry ontfermt zich over onze nieuwe 2e-hands dinghy die hetzelfde gebrek vertoont als z'n voorgangers: hij loopt langzaam maar zeker leeg. Grrrr geen goede lijm meer. Dan maar zwarte sikaflex.... oh...oh! Er wordt eventjes gevloekt, maar de dominee kan het gelukkig niet horen want we zijn verhuisd naar Pirate-bay aan de overkant.

 

Mangrove oesters in Carriacou

Juist op het moment dat wij concluderen dat wij het hier wel heel erg saai vinden (en dat was meteen al de eerste dag), komt er een mannetje in een roeibootje langzij. "Do you want oysters, they are very delicious". Harry informeert naar de prijs. US$17 per dozijn. Is dat niet een beetje veel gevraagd? "Yes, and they are very small. But don't forget they are very delicious". Harry's cursus onderhandelingstechnieken werkt hier niet. Het enige wat we bereiken is dat hij ze voor ons opent en er desgewenst ook nog limoentjes bij kan regelen. Maar het mannetje heeft iets kinderlijks ontwapends. Ik vind hem geniaal, Harry denkt dat hij hartstikke gestoord is. Vooruit dan, morgen om 18.00 uur? "OK, eh by the way, heb je misschien een beetje bakolie voor me?" Blij als een kind met het jampotje bakolie en de oesterorder, roeit het mannetje de duisternis in. We horen hem in de verte nog roepen: "don't forget, they are very delicious".

De volgende dag stipt om 18.00 uur is hij er weer. "Zijn er nog andere oesterverkopers langs geweest? Want dat zijn slechte mannen, ze willen me vermoorden. En eh, ik kan de oesters alleen maar openen met een glaasje rum erbij". Geen probleem, daar hebben we toevallig een aantal flesjes van ingeslagen in Suriname. Het eerste bord oesters is klaar. Ze zijn inderdaad erg klein. Druppeltje tobasco en limoensap erop.... "En?" vraagt Sammakaria verwachtingsvol. "They are very delicious" zeggen Harry en ik in koor. Het mannetje grijnst van oor tot oor en maakt nog een bord klaar, en nog een. Hij is niet meer te stoppen. Ze zijn echt heel erg lekker maar we hebben er minstens 40 op. Wat zou de rekening zijn? Harry geeft hem EC50 ongeveer US$20. "Oh, you gave me good money, that's 3 dollar more than I asked". Ja, maar je gaf ons ook veel meer dan wij vroegen. "You made my day, can I have one more rum for the go?" Graag gedaan, you made our day. En vervolgens komt hij dagelijks langs om even een rummetje te drinken, veel te groene bananen te verkopen, of gewoon maar even om te kletsen. "I am very happy that I'm alive" zegt ie op een dag. Ik vraag hem of zijn concurrenten daar misschien iets mee te maken hebben. Nee, zegt ie, "dit was een "act of God. Ik was vanochtend duizelig en kon niet meer op m'n benen staan". Misschien een beetje te veel rum? vraagt Harry. "Nee, ik had gewoon honger, vandaar dat ik maar even langs kom. Heb je misschien een stukje salami, want dat lust ik zo graag". Salami hebben we niet, dus geven we hem maar een paar plakken Friese ontbijtkoek en z'n dagelijkse glaasje rum. "Very delicious" zegt ie en verdwijnt weer de duisternis in. Gek of geniaal?

En verder gebeurt hier helemaal niets. We liggen in Tyrell Bay, een goed beschutte, maar geen bijzonder mooie baai op Carriacou, een eilandje iets ten noorden van Grenada. Er liggen minstens 50 andere zeiljachten in de baai, veel te veel naar onze smaak, maar het is er doods. Veel amerikanen laten hier hun boot achter onder de hoede van een bootboy en vliegen even naar huis. Er is geen mooi rif, we zien geen vissen en speervissen is hier trouwens toch verboden. Op het land is ook al niets te beleven. Er zijn een aantal strandtentjes, maar we zien er nooit iemand zitten. Een colaatje kost er 50% meer dan in de hoofdstad 10 km verderop. Iedereen biedt gratis wifi aan, maar zodra je je colaatje besteld hebt, werkt het opeens niet meer. Alleen op zondag is er enig vertier. In de Old Rum-shop zitten allemaal locale mannen domino te spelen. In het restaurant van de jachtclub ontmoeten we een amerikaans koppel. Ze hebben de vlag meegenomen. Er komen nog meer Amerikanen bij, allemaal in rood, wit, blauw gekleed. Het is 4 july, hun nationale feestdag en dat wordt gevierd met hamburgers. Als ze maar geen tickerparade gaan houden! We huren een scooter maar hebben het eiland in een halve dag gezien. Heel mooi, heel groen, maar zo dood als een pier. We merken absoluut niets van de traditionele cultuur die zo geroemd wordt en vinden de mensen ook niet echt vriendelijk. Eerder ongeinteresseerd. We vermoeden dat Carriacou in het hoogseizoen een zeilers"hub" is vanwaar de jachten komen en gaan naar de overige eilanden. Wij gaan ook. Naar het moedereiland Grenada.

 

Gewoon lekker zeilen

Een van de redenen waarom het Caribisch gebied zo populair is, is dat de afstanden tussen de eilanden klein zijn. Als je na de koffie vertrekt lig je voor happy hour in de volgende mooie baai. Van Carriacou naar Grenada is ongeveer 30 mijl met de wind mee. Je hebt amper een kaart nodig. Voor vertrek raadplegen we even C-maps of er nog gevaarlijke riffen zijn. Niet echt als je de normale afstand tot de kust houdt. Wel ligt er halverwege ergens een onderwatervulkaan waar je met een ruime marge omheen moet. Je loopt hier blijkbaar niet alleen kans om in een orkaan terecht te komen, maar je kunt dus ook nog een tsunami treffen. En verder navigeren we met onze ogen en de kleine schetsjes in het pilotboek. Grenada is een hoog eiland en ondanks dat het een beetje heiig is, zien we het vanaf Carriacou al liggen. Eigenlijk vergelijkbaar met een zondagmiddagtripje van Den Oever naar Urk. Er gebeurt helemaal niets wat het vermelden waard is. We zeilen gewoon heel erg lekker tot vrijwel op de ankerplek aan de voet van fort St. George.

 

Het Caribisch gevoel

"En", zegt Harry spottend, "heb je het Caribisch gevoel al een beetje te pakken?" We staan een beetje gedesillusioneerd buiten op de drempel van de scheepsbenodigdhedenwinkel. Eindelijk vond ik het bewuste potje jachtlak waar ik al zo lang naar op zoek was. Maar toen ik bij de kassa US$68 moest afrekenen, heb ik het maar weer terug op de plank gezet. Harry verging het idem dito met een liertje waarvoor ze US$850 durfden te vragen. Het positieve is dat je hier weer alles kunt krijgen maar er hangt wel een prijskaartje aan. Nu kun je wel zgn "ship-in-transit"-korting krijgen als je je met je scheepspapieren registreert, maar dan nog loont het zich om te gaan zoeken op internet en de spullen te laten verschepen uit de USA en zelfs uit de UK. Zo bemachtigen we hetzelfde lewmar-liertje bij Westmarine in de USA voor US$650 en besparen we nog eens ruim US$100 op een smartcharger. Alles is hier gericht op de vakantievierende vermogende zeiler. Er is een werf met een mooie travellift waarmee je uit het water getakeld kan worden, maar dan plaatsen ze de jachten hutje mutje naast elkaar zodat je absoluut niet aan je boot kunt werken. Dat is trouwens ook niet de bedoeling want daar hebben ze nl allerlei gespecialiseerde bedrijfjes voor. Je levert gewoon je klussenlijst in en dan is het werk gedaan als jij weer terug van je tripje naar de USA of Europa komt.

De eerste dag maakten we de fout door onze afvalzak in een ton te gooien bij een chique marina. Meteen komt er een bewaker naar ons toe. "als u hier geen ligplaats heeft moeten u bij het kantoor toestemming vragen om uw afval hier te deponeren waarvoor wij u overigens kosten in rekening zullen brengen". Bij de Grenada Jachtclub wordt Harry gesommeerd onmiddellijk z'n dinghy van de steiger te halen. We wilden het bootje even platleggen om te kijken waar het lek nu eigenlijk zit. Dat doen we aan het eind van de verder lege steiger en we zijn absoluut niemand tot last. "Dat doet u maar op het strand". Wij gaan op zoek naar een zeil- en canvasmaker voor relatief simpele zeilreparaties en nieuwe kussens in de kuip. Waar we ons dan vreselijk aan ergeren is, dat je bij die internationaal gerunde bedrijven dus gewoon een oor aan genaaid wordt. Niet alleen vragen ze een Europees uurloon, maar ook op het materiaal komt een extra toeslag van 20%. En als je vraagt of je het stofje ook in het blauw of grijs kunt krijgen is het antwoord: "U kunt alle kleuren krijgen als het maar wit is". En daar moet je dan ook nog een paar weken op wachten. Dit soort bedrijven is dus helemaal niet geinteresseerd in ons en wij niet in hun. Het is even zoeken, maar uiteindelijk vinden we alles wat we nodig hebben bij locale aanbieders die oprecht blij met ons lijken te zijn. Wij kopen de kussens bij een locale schuimfabrikant en Johnny maakt er voor de helft van de prijs een strakke bekleding om. En verder korten we onze klussenlijst in door de niet-urgente zaken er gewoon af te schrappen. Des te meer tijd blijft erover om dit prachtige eiland te verkennen.

Levendige historie

Grenada wordt ook wel Spice-Island genoemd. Ogenschijnlijk lijken de groene heuvels niet gecultiveerd, maar wat wij voor jungle aanzagen, blijken plantages te zijn. Op het eiland wordt behalve heerlijk tropisch fruit, nootmuskaat, kruidnagel, kaneel en gember verbouwd. In de tijd van de VOC, toen wij Hollanders een monopolie hadden op nootmuskaat (dat destijds duurder was dan goud!) stalen de Engelsen stiekem een paar nootmuskaatstruiken van het eiland Run (de Molukken) en brachten die naar Grenada wat daarvoor een perfect klimaat bleek te hebben. Grenada is nu de tweede grootste nootmuskaatleverancier van de wereld. Des te ironischer is het feit dat wij Manhattan inruilden voor het eiland Run. Samen met Loud en Marlene, bezoeken we de Belmont Estate, een 300 jaar oude werkende plantage waar we text en uitleg krijgen over de cacao-fabricage. De rauwe cacao-vrucht smaakt naar een aardbeienzuurtje en lijkt in de verste verte niet op de bittere 70% pure chocola die we aan het eind van het tourtje mogen proeven. En weet je hoe de van nature doffe cacaobonen hun glans krijgen? Door ze in een grote gietijzeren schaal te gooien en er vervolgens een paar vrouwen op blote voeten in te laten dansen. Echt waar!

 

Behalve 70% pure chocola, proeven we ook 70% pure rum. River Antoine is een historische destilleerderij waar het proces de laatste 300 jaar vrijwel ongewijzigd is. Het is de enige destilleerderij op het eiland die nog rum maakt van locaal verbouwd suikerriet. Indrukwekkend is het grote waterrad dat de massieve gietijzeren persmachines aandrijft. Via een spoortje wordt het suikerriet in een duwkarretje aangevoerd. Overal liggen stapels afvalriet dat gedeeltelijk weer gebruikt wordt om de ketels op te stoken. Werkelijk alles gebeurt handmatig, van het kappen van het riet, het zeven van de rum, het vullen van de flessen tot het plakken van de etiketjes. Er werken maar liefst 95 mensen en het doet ons sterk aan slavenarbeid denken. Dat was het waarschijnlijk vroeger ook, maar daar wordt niet over gerept. Het is nu een cooperatie. Hoe kunnen ze in godsnaam concurrerend zijn, vragen we ons af. Dat hoeft ook niet volgens onze gids. Er is meer locale vraag dan ze aankunnen ondanks dat deze rum bijna 40% duurder is dan andere locaal geproduceerde rum. In Nederland noemen we zoiets een openluchtmuseum of sociale werkplaats......

 

Verguisd of vereerd ?

Grenada is een relatief jonge democratie, die z'n onafhankelijkheid opgedrongen kreeg in 1974. Zoals zo vaak in de geschiedenis, was het land daar nog niet aan toe en ontbrak het aan bestuurlijke ervaring. Met als gevolg onlusten, stakingen en binnen 5 jaar een coupe door de links radicale Maurice Bishop die grote fan was van Fidel Castro en Grenada probeerde te hervormen in een socialistisch/ communistische staat. Er kwam onderwijs en medische zorg voor iedereen, maar wie hem tegensprak werd gevangen genomen. Ook werden de onafhankelijke nieuwsbladen verboden. Al gauw kwam er oppositie en wel uit eigen gelederen. In 1983 werd Bishop door z'n eigen leger gevangen genomen. Het volk pikte dit niet en kwam massaal in opstand en slaagde er zelfs in om Bishop te bevrijden. Maar in de chaos werd hij weer gevangen genomen en samen met z'n voltallige kabinet geexecuteerd. De gouverneur-generaal riep toen de hulp in van de USA die samen met de buurlanden een militaire interventie opzetten. Volgens onze Amerikaanse reisgids werden ze door het volk met open armen ontvangen. De orde op Grenada werd hersteld en er kwamen nieuwe verkiezingen. En sindsdien is het weer een tropische paradijs. Maar op de binnenplaats van Fort George, de plek waar Bishop en z'n ministers werden geexecuteerd vragen we ons af welke rol Amerika daadwerkelijk gespeeld heeft. Er hangt een plaquette met de namen van de slachtoffers: "they have gone to the stars and shine for ever in glory".

We ontmoeten er Rasta - Jimmy die zich de roerige gebeurtenissen nog goed kan herinneren. Zijn verhaal is aangrijpend maar erg verwarrend: "Mijn vader kwam er bij om. Hij demonstreerde voor de vrijlating van Bishop en vocht tegen de communisten". Maar eh, was Bisshop dan geen communist, vragen we hem. "Wat weten wij gewone mensen nu van politiek af? Communistisch, socialistisch, who cares. Hij was goed voor het volk".

Het "ware" verhaal

De toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan dacht daar blijkbaar iets anders over. De "commies" waren erop uit om Amerika te onderwerpen en de regering moest dus omver geworpen worden. In uiterste geheimzinnigheid werd de invasie "Urgent Fury" op Grenada vanuit het Witte Huis voorbereid. De missie werd geheim gehouden voor het Amerikaanse volk en zelfs voor de Senaat. Om geen argwaan te wekken werden zelfs geen stafkaarten van het ministerie van defensie gebruikt, maar waren de seals aangewezen op de touristenfolder "The Isle of Spice". De eerste poging mislukte. De eerste 16 seals werden in het stikke donker gedropt ipv in het geplande daglicht (men had vergeten rekening te houden met 1 uur zomertijdverschil) op een levensgevaarlijke hoogte van 600ft ipv de geplande 1200ft, bovendien midden in een hevige regenbui en 10ft golven. Vier seals verdronken in de lijnen van hun parachute. Het 2e team werd ver verspreidt gedropt van de bootjes die hun aan land moesten zetten. Ze zwommen terug naar het moederschip en de missie werd afgeblazen. In de daarop volgende week blies het communistische regiem in Grenada zichzelf op. Maar Reagan zette door. De missie werd omgeturnd tot een zgn reddingsactie van 500 amerikaanse medische studenten die misschien wel eens gegijzeld konden worden door de communisten. Dit verhaal was achteraf ook beter te verkopen aan de Senaat en het Amerikaanse volk. Toen de seals aankwamen op de universiteitscampus van St George troffen ze er max 100 hoogst verbaasde studenten. De rest bevond zich op de campussen van Grand Anse en Prickly Bay. Prickly Bay? Waar ligt dat? "Urgent Fury" kostte de onwetende belastingbetalers $135 miljoen, er werden 8000 amerikaanse militairen ingezet waarvan er 19 de dood vonden, 17 door eigen vuur of andere ongelukken. Er werden 300 Grenadians gedood, waarvan 18 psychiatrische patienten in hun bed. 300 studenten werden "bevrijd", de overige 200 bleven feestvierend achter in Prickly Bay. Margareth Tatcher (Grenada behoort tot het British Common Wealth) was woedend en de aktie werd unaniem afgekeurd door de UN. Maar president Reagan's populariteit bij het Amerikaanse volk steeg naar 90%, een mooie start voor z'n 2e verkiezingstermijn. En de seals? "Our couragious Armed Forces gave their lives in defense of our national security".

Op het oude vliegveld in het binnenland, vinden we twee overwoekerde Antonov-toestellen, stille getuigen uit een roerig verleden. Volgens Jimmy waren er in die tijd maar liefst 27.000 Cubanen op het eiland. Dat lijkt ons erg veel op een totale bevolking van 100.000. Zeker een nulletje (rummetje) te veel.

Carnaval

In augustus? Ja, in augustus. In het Caribisch gebied wordt ruim een half jaar lang carnaval gevierd. Het begint in Trinidad / Tobago in februari, gelijk met ons carnaval, en eindigt in augustus in Grenada. Het carnaval wat hier gevierd wordt heeft dan ook helemaal niets met Pasen of vasten te maken, maar alles met de uitdrijving van de boze geesten. Tenminste, dat denken we begrepen te hebben. De voorbereidingen beginnen al maanden van te voren en iedere school en buurtgemeenschap op het eiland is erbij betrokken, van jong tot oud. Over het hele eiland vinden competities plaats en de beste steel-pan-band, mooiste koningin, spectaculairste koning, grappigste calypsozanger en knallendste carnavalkraker moeten eerst worden gekozen voordat het feestgeweld kan losbarsten. Bij de carnavalskrakers moet je je vooral geen voorstelling maken van de "Deurzakkers" of "Joep Meloen" maar eerder van een gestoorde discjockey die kei-harde agressief klinkende house-rap-rock zingt/schreeuwt. Iedere zondagmiddag van 16.00 tot middernacht was er een voorselectie op het strandje pal voor onze boot waarbij de volumeknoppen blijkbaar ook getest werden.

Tijdens de carnavalsoptocht konden wij de hoogstaande teksten van deze soca's dan ook moeiteloos meebrallen: "bend-over, bend over, fck, fck, like a truck truck", "be my movie, be my movie, do it as if you like it" en "I'm a Psycho" eindigden in de top drie. En wie het hardste kon bleren, werd uitgeropen tot Soca-monarch. De gemiddelde leeftijd van deze groep carnavalsvierders lag ruimschoots onder het onze, maar dat had je waarschijnlijk al geraden.

Bij deze muziek hoort overigens een bijzonder merkwaardige dansbeweging waarbij uitsluitend de heupen en billen bewegen. Ik zal dit niet verder beschrijven omdat onze lezers daar wellicht rooie oortjes van krijgen. Het zal wel te maken hebben met onze tijdsgeest want laten we wel wezen, in de jaren 50 vonden veel mensen de de snelle bekkenbewegingen van Elvis Presley tijdens optredens ook maar schandalig en immoreel.

Wij konden meer waardering opbrengen voor de Steel Pan Band competities (da's voor oude lullen). Een gemiddelde Steel Pan Band bestaat uit 40 leden in de leeftijd van 5 tot 75 jr die enthousiast staan te rammelen op zo'n 150 olie-drums en andere blikken toestellen. Het niveau ging van plaatselijk schoolbandje tot professionele bands die ook in Amerika en Europa optreden. Eveneens erg spectaculair waren de verkiezingen van de King- en Queen die bijna bezweken onder het gewicht van hun costuum. In tegenstelling tot de samba-queens in Brazilie, die schitterden door hun natuurlijke schoonheid en wiens lichaam minimalistisch bedekt waren met kraaltjes en veren, waren deze zgn Panorama-queens behoorlijke mannetjesputters met bovenbenen drie keer mijn maat. Deze "dames" en heren droegen in de parade, die urenlang voortduurde onder een brandende zon, ongeveer 35kg op hun lichaam. De Calypso-songs (ook voor oude lullen), wereldberoemd geworden door Harry Belafonte (Daylight come and me wan'go home) waren leuk, maar om deze volkskunst echt te waarderen heb je achtergrondkennis nodig van de locale politiek. Vaak gingen de calypso-songs gepaard met kleine schetsjes. De teksten waren humoristisch/satirisch en gingen over corruptie bij de overheid of geweld bij de politie. Soms begon het publiek opeens heel hard te joelen en fluiten terwijl wij de clou weer eens gemist hadden.

En dan het echte carnaval. Dat werd afgetrapt door Jouvert, een unieke optocht door de stad die om 5 uur 's ochtends begint. Het is dan nog schemerig en symbolisch worden de "Djabdjabs" een soort boogieman met hoorns en gedrenkt in zwarte olie, met zware kettingen afgevoerd. Net zoals de feestgangers, zijn wij minimaal gekleed in zwembroek en een oud werk T-shirt want er wordt nl met gekleurde olie en verf gegooid. Wij weten het gegooi te ontwijken maar de feestgangers waren zo enthousiast dat ze ons spontaan omhelsden zodat we alsnog onder de smurrie kwamen te zitten.

Als alle demonen verdreven zijn wordt de zonsopgang gevierd met de panorama, een parade van alle carnavalsgroepen, voorafgegaan door de koning of koninging. Ergens halverwege het parcours moeten ze hun act opvoeren voor een jury waarna de band van het jaar wordt gekozen. Geen idee waar de jury op let want alle costuums waren even prachtig en aan dansjes of iets dergelijks deden ze niet. Iedereen deed maar iets voor zichzelf en dat was nou juist de charme ervan. We zagen leden van een groep nog bij een ijscotent staan terwijl hun groep al stond op te treden voor de jury. Of kleine kinderen die opeens geen zin meer hadden en gewoon de andere kant op liepen of erbij gingen liggen. En dan te bedenken dat je in Rio al puntenaftrek krijgt als je afwijkende schoenveters draagt! Hier is carnaval veel meer een volksfeest waar iedereen zichtbaar van genoot. Wij ook.

Ontbijtradio

Ieder zeilgebied heeft z'n eigen soort cruisers en daar moet je even aan wennen. Hier in het Caribisch gebied zien we veel glimmende boten, doorgaans een ruime maat groter dan de onze, onder Amerikaanse vlag en bemand door een keurig gekleed grijs koppel op spierwitte gympen. En waar Amerikanen zijn, daar wordt altijd het een en ander georganiseerd. En dat moet je ze nageven, daar zijn ze briljant in. Niets wordt aan het toeval overgelaten, alles tot in de perfectie. Elke ochtend, behalve zondag, begint de dag met het Grenada Cruisers Net. Dat is een sociaal net want het gemotor van de ene baai naar de andere kun je geen cruising noemen. Zoals gebruikelijk begint ook dit net met een algemene oproep aan zeilers om noodsituaties te melden. In al die tien jaar dat we zeilen kwamen er slechts 4 reacties: een omgeslagen solozeiler bij Kaap Hoorn, een uitgebrande boot in Patagonie, een zieke cruiser in de Stille Oceaan die door een helicopter afgevoerd moest worden en een ontmaste boot op de zuid-Atlantische oceaan. Serieuze gevallen dus. Hier op Grenada is het iedere week wel een paar keer raak: een waarschuwing voor slecht gemarkeerde visnetten in de baai, een waarschuwing voor locale hengelaars die vanaf de brug een lijntje uitgooien, een oproep aan onverantwoorde zeilers om vooral toch licht op je dinghy te voeren en helaas ook 3 keer een melding van een gestolen buitenboord motor met het bijbehorende vingertje "had je maar een slot moeten gebruiken". OK, dat was een nuttige tip, voor het eerst in ons zeilersbestaan hebben wij nu dus een slot op onze dinghy. (en voor het eerst een nieuwe dinghy met nog steeds een oude motor). En het leuke is dat iedereen zich met van alles en nog wat wil bemoeien en overal een mening over heeft. Zelfs als de zon een minuut later opkomt dan de netcontroller meldt, dan wordt dat ijverig gecorrigeerd met bronvermelding. Verder is er de rubriek "Treasures of the bilge" een soort marktplaats van 2e handsbootspullen. Daar verwacht je dus de gebruikelijke afgedankte zeilersrommel, maar hier worden spullen aangeboden die van z'n levensdagen niet bij ons aan boord te vinden zijn: diverse merken ijsmakers, een massagetafel, een waterscooter, een reddingsvest voor een hond en leren draaistoelen voor de navigatietafel . In de rubriek "help with parts en services" doen mensen een beroep op boat-sitters en zelfs plant-sitters. Een keer was er een man die een speelkamaraadje zocht voor z'n zonen "I have a 19 & 20 year old kid on board....". Wij komen niet meer bij van het lachen. De meest uitgebreide rubriek is "social events & activities". Alsof de commerciele pizza-, burger-, movie-, karaoke-, bingo- en BBQ nights in de diverse marina's nog niet genoeg zijn, kun je deelnemen aan stretching & yoga-classes, aqua-aerobics classes en cooking classes. Er zijn domino- , poker- , triviant-, cricket- en petange- competities. En voor de serieuzere typetjes zijn er bijeenkomsten van de AA, bijbelstudies, gospel lunches en niet te vergeten de "woman against sexual discrimination"- lezingen. En uiteraard wordt er speciaal busvervoer geregeld. De churchbus brengt je zondags naar de Methodistische kerk en de shoppingbus doet een rondje langs de supermarkten, de scheepsbenodigdhedenwinkels en de warme bakker. Klokslag 7.30 uur gaat bij ons de marifoon aan, zogenaamd voor het weersbericht, maar stiekem ter vermaak. De ontbijtshow is er niets bij.

 

Valse start

Het is allemaal erg leuk en gezellig in Grenada, zeker nu we met een leuk groepje zeilers zijn en eindelijk ontdekt hebben waar het leukste Happy Hour is. Maar het begint te jeuken en we willen weer zeilen. Als we Grenada half september verlaten bestaat er nog een kans dat we een orkaan over ons heen krijgen, maar die kans is klein. Tegen het einde van het orkaanseizoen volgen de orkanen doorgaans een meer noordelijke route. Er zijn twee redenen waarom we zo vroeg vertrekken. Ten eerste willen we de grote meute voor zijn. Naar schatting zeilen hier in het hoogseizoen een paar duizend jachten die allemaal richting St. Maarten gaan. Wij zijn zeer op onze privacy en vooral op ruimte gesteld en hebben geen behoefte aan kuddegedrag op overvolle ankerplekken. De tweede reden heeft te maken met de wind. Die komt op dit moment nog overwegend uit het zuid-oosten maar neemt in nov/dec niet alleen in kracht toe maar draait bovendien naar het noordoosten. De kleinen antillen is een ketting van eilandjes die van zuid naar noord lopen en pas na Martinique in noord-westelijke richting afbuigen, waardoor de zeilhoek gunstiger wordt. Vol goede moed en met een afgewerkte klussenlijst beginnen we aan ons tiende cruising-seizoen. De zon schijnt, het water is blauw en..... onze nieuwe laptop houdt het spontaan voor gezien. Drie maanden oud was het stomme ding. Geen nood, dachten we, we hebben nog een goede reserve en als die het ook mocht begeven, nog een antieke met een paar ontbrekende toetsen die het na een paar pogingen ook altijd nog doet. Dit wil je dus niet geloven, maar binnen 2 dagen gaven alle drie de laptops de geest. Hoera, made in China! Bijna 10 jaar lang varen wij tot ongeloof van onze medezeilers, heel ouderwets op papieren kaarten en uitgerekend nu hebben we nog niet eens een overzeiler van dit gebied! Bovendien kunnen we zonder laptop geen weersberichten ontvangen en dat is toch wel een naar idee in een orkaangebied. We besluiten terug te gaan naar Grenada waar 1 laptop tegen een astronomische prijs gemaakt kan worden en de rest afgeschreven wordt. Han, een zeilende landgenoot leent ons spontaan zijn antieke reserve laptop. En hopla, binnen een week zijn we weer op pad. Wat kan er nu nog mis gaan?

De gerepareerde laptop houdt er na 1 dag zeilen weer mee op en op het antieke geval van Han staan verouderde kaarten. Uitgerekend de aanlopen naar havens en ankerplekken ontbreken. Bovendien bespeuren we een afwijking van bijna een mijl. En dat is veel in een vaargebied met smalle doorgangen door riffen. Het idiote is dat je er vreselijk onzeker van wordt als de positie op het scherm afwijkt van de werkelijkheid, ook als je zeker weet dat je goed zit. We besluiten ons niet langer te ergeren en volgen de aanwijzingen en kleine schetsjes in de cruising guide ondanks dat daar duidelijk bij vermeld staat dat die beslist niet bedoeld zijn om op te navigeren. De afstanden zijn zo klein dat je het volgende eiland altijd al kunt zien. 's Nachts varen hoeft hier niet en overdag zijn de riffen goed te zien. Onze ogen en de dieptemeter zijn onze belangrijkste navigatie-instrumenten.

Tropical wave in de Keys

De Grenadines zijn mooi maar niet zo ongerept als de cruisingguide ons wil doen geloven. De voormalige engelse eilanden zijn arm. Er groeit praktisch niets en de economie is 100% afhankelijk van het jachttoerisme. En dat is te merken. Zodra we een ankerplek opvaren, worden we al opgewacht door een "boatboy" die ons hoopvol een meerboei van 10 euro per nacht aanprijst. Pech voor hem maar wij hebben net geinvesteerd in een nieuwe ankerlier en ketting en hebben bovendien niet de illusie dat de meerboeien onderhouden worden. Daarna volgt er doorgaans een stoet venters met kreeft, vis of fruit. Als de prijzen redelijk zijn kopen we om de beurt van iedereen een beetje. Maar als je ze vriendelijk afwijst is het ook goed. De jongens zijn nooit opdringerig zoals we wel eens van anderen gehoord hebben. We vullen onze dagen met wandelen, lezen, zwemmen of snorkelen. Ondanks de vele riffen in dit gebied, is het snorkelen maar matig. Het rif is niet bijzonder mooi en er is weinig vis.

Wel zien we met enige regelmaat een schildpad en in Chathambay op Union-island zwommen er maar liefst een stuk of tien rond de boot. Schildpadden mogen hier door de locale bevolking gegeten worden, evenals walvissen. Maar er mag niet commercieel op gevist worden. Het nationale gerecht hier is Lambi, een soort currie van schelpdier. De oranje-roze schelpen worden verwerkt in cement of gebruikt als decoratie in de tuin. Op Union-island zagen we een enorme "afvalberg" van schelpen. Er lag ook een schild met resten vlees en een walvisstaart tussen.

De topattractie van de Grenadines zijn de Tobago Keys, een groepje eilandjes met stranden van poedersuiker omgeven door riffen. Het strand is zo wit dat alle foto's mislukt zijn. Het is beschermd natuurgebied waar schildpadden broeden. Als we 's ochtends vroeg een wandelingetje over een van de eilandjes maken, worden we opgeschrikt door leguanen die snel veiligheid zoeken onder de cactussen. We ergeren ons blauw aan dagjestoeristen die het leuk vinden om hun naam te krassen in de bladeren van aloe vera. Het is heerlijk rustig op de ankerplekken. Meestal liggen er niet meer dan vier boten. Soms hebben we zelfs het rijk voor ons alleen. Zo ook in de Tobago Keys. Als de dagjestoeristen weg zijn, blijven er nog zes boten over. Maar dat verandert snel als laat in de middag de wind opsteekt. De lucht wordt donker, het water kleurt spectaculair groen. Er verschijnen witte koppen. Via een repeater konden we 's ochtends op de marifoon het weersbericht van het Grenada cruisersnet nog ontvangen. Die hadden het wel over een zgn tropical wave die overtrok, maar de windsterkte zou 15 tot 20 knopen zijn, geen 30+. Hebben we iets gemist? De boot naast ons vertrekt. De boot achter ons ook. Ze varen terug naar Union Island of zoeken bescherming achter een eiland. Wij durven dat niet. Wij hebben nl geen kaarten en met dit weer kun je de riffen niet zien. Wat nu? Het anker houdt goed. Voor de zekerheid gooien we nog maar een paar meter extra ketting erbij en zettten we het ankeralarm. Ongeveer 100m voor ons ligt een witte meerboei die goed te zien is. We spreken af dat we die oppikken, mocht het misgaan met het anker. Het begint te onweren en te bliksemen en de regen valt met bakken uit de lucht. De volgende dag blijft het slechte weer aanhouden. We blijven de hele dag aan boord. Er komt een ongeruste medezeiler langs. Of wij misschien een gribfile hebben? Zeker ook een kapotte PC? De derde dag klaart het genoeg op om de eilandjes te kunnen onderscheiden. We halen het anker op en vertrekken naar Canouan. Halverwege trekt de lucht weer helemaal dicht en begint het weer te poeieren. We volgen blindelings onze koers, zonder kaart, zonder peilpunt. Voor ons kunnen we nog vaag het zeiltje onderscheiden van onze buurman. Die volgen we dan maar. Als we bijna bij Canouan zijn klaart het gelukkig weer op zodat we veilig de baai in kunnen varen. Achteraf horen we dat orkaan Sandy een heel stuk noordelijker voorbij is getrokken en grote schade heeft aangericht in New York en omgeving.

Pirates of the Caribbean

We liggen niet voor anker in een waterval 2 mijl landinwaarts, zoals de PC van Han aan geeft, maar in Walilabou. De diepe baai is omgeven door hoge donkergroene heuvels. Ankeren is lastig want de bodem loopt van 20m ineens op naar 3m. Daarom ankeren we achterwaarts en bevestigen het hek met een lange landvast aan een vervallen steiger waarop een roestige metalen toren van Pisa staat die elk moment op ons neer dreigt te vallen. We worden geholpen door een boatboy in een roeibootje. De woest uitziende jongen noemt zich Sparrow en vraagt voor het aannemen van een lijn doodleuk 10 euro. Wij vinden de helft al meer dan genoeg. Sparrow maakt er geen punt van maar verdwijnt wel met ons wisselgeld. En we hadden hem nog wel een biertje gegeven! In eerste instantie zijn we teleurgesteld in de baai die door de cruisingguide als pittoresk wordt omschreven. Wat een oude rommelzooi, is onze eerste reactie.

Maar als we het decor eens rustig in ons opnemen valt opeens het kwartje: wij liggen in de filmset! Op het kleine strandje onder de bomen zien we een paar galgen. Een eindje verder is de werkplaats van de timmerman met een aantal doodskisten tegen de muur. Binnen hangen de originele film scripts en een paar vergeelde foto's van de opnames. Aan de andere kant is een kleine kade waar een vijftal kanonnen op ons gericht. Die vervallen steiger, waarvan de planken trouwens gebruikt zijn als bouwmateriaal door de locale bevolking, is de steiger waar Johnny Depp nonchalant opstapte en een biertje in ontvangst nam terwijl achter hem z'n boot verging. Opeens vinden we het heel erg grappig. En het bijzondere is dat er absoluut geen touristen of andere boten zijn.

 

Creatief met kip

Alle eilanden die we tot nu toe bezocht hebben zijn voormalige engelse kolonies die al dan niet vrijwillig voor hun onafhankelijkheid hebben gekozen. We vragen ons af of ze daar nu spijt van hebben. Geen van de eilanden kan zelf z'n broek ophouden en zonder steun van ex-moederland Groot Brittanie hebben ze geen bestaansrecht. Ook zien we regelmatig kleine projectjes die gesubsidieert worden door de Europese Unie. Bushokjes, scholen en zelfs meerboeien. Maar zoals overal elders op de wereld wordt ook hier blijkbaar in het budget geen rekening is gehouden voor onderhoud van die projecten.

Op St. Vincent krijgen we een lift achter in de laadbak tussen de bananen. Vroeger waren de plantages van grootgrondbezitters en werden de bananen geexporteerd naar Europa. Maar na de onafhankelijk werd het land verdeeld over een groot aantal kleiner boeren die misschien wel verstand hadden van landbewerking, maar die geen geld hadden voor investeringen en ook geen kaas hadden gegeten van internationaal handeldrijven. De boeren klagen. Na de laatste orkaan een paar jaar geleden zijn de irrigatie-systemen niet meer hersteld. Europa haalt z'n bananen uit Zuid-Amerika en de overheid verleent geen subsidies meer en adviseert de boeren om over te stappen op cacao. Al zou zo'n boertje daar het geld voor hebben dan duurt het jaren voordat hij kan oogsten. De landbouw en visserij op de eilanden is heel klein schalig en voornamelijk voor eigen consumptie.

Alle hoop is nu gevestigd op toerisme. Maar de effecten van de economische crisis zijn goed merkbaar. Hotels en restaurants zijn leeg. In de winkels zien we voornamelijk geimporteerde producten uit de USA. Die zijn goedkoper en zien er aantrekkelijker uit dan de locale producten. Groenten zijn schaars. Vers vlees of vis is bijna niet te krijgen of onbetaalbaar. De locale mensen eten rijst, bonen en meer botten dan vlees. Wij zijn ondertussen erg creatief met diepvrieskip geworden.

 

Du vin, du pain, du boursin

Het is dan ook een verademing als we in Martinique aankomen. Er zijn moderne supermarkten met heerlijke europese en locale producten die ook nog eens verrassend betaalbaar zijn. De straten en stranden zijn schoon, we kunnen ons afval gewoon in een ton gooien zonder $3 per zakje te betalen aan iemand die het gewoon in de bosjes gooit, we kunnen ons bijbootje afmeren aan keurige steigers waar je niet bang hoeft te zijn voor roestige spijkers. Inchecken doe je zelf heel efficient en gratis via een PC. 's Ochtends halen we een warm stokbroodje bij de boulangerie waar dan al mensen gezellig op het terras met een kop koffie en chocolade-croissantje hun krant zitten te lezen. Er zijn leuke winkels, muziekanten fleuren het straatbeeld op en de mensen zijn niet zo super dik als in de voormalige engelse kolonies. Kortom: veel meer kwaliteit voor minder geld. Je zou dus eigenlijk weer terug moeten naar een vorm van kolonialisatie maar dan zonder de uitbuiting en betuttelingsfactor. Als een soort goedmaker voor aangedaan leed... Ontwikkelingshulp kan dan ook stopgezet worden want via de EU dragen wij indirect een steentje bij, daar zorgt Frankrijk wel voor! Dat gaat misschien wel erg ver, maar al die kleine fluteilandjes zouden veel meer samen moeten werken en een soort Verenigde Caribbean moeten oprichten. Scheelt ons in ieder geval een flinke duit aan inklaringskosten.

Yoles racing

We liggen voor anker, mooi beschut achter het fort van Fort de France, de hoofdstad van Martinique als we gesommeerd worden door de wedstrijdleiding om te verkassen ivm de yoles races die hier iedere zondag worden gehouden. Yoles zijn traditionele houten zeilschepen van ongeveer 10 meter lang, oorspronkelijk gebouwd voor de visserij. De boten hebben geen kiel maar wel een grote lap zeil en worden in balans gehouden door een 12 koppige bemanning die op houten palen klimt om de boot rechtop te houden. Als ze over-stag gaan moeten de palen razendsnel naar de andere kant gebracht worden. Soms slepen de mannen met hun benen door het water. We liggen eerste rangs en genieten van het spectaculaire schouwspel. Rakelings worden we gepasseerd. Twee boten knallen op elkaar vlak voor de finish. De moeite van het verkassen waard.

Iets aan te geven?

Op Quadeloupe worden we op een ochtend voor 7 uur gewekt door het getoeter van een passerende motorboot. Eerst reageren we niet, maar als ik voorzichtig door het kiertje in het openstaande luik gluur, zie ik dat het de grijze patrouilleboot van de gendarmerie is. De zware boot komt langzij en meert aan terwijl het hard waait en wij al blij zijn dat het anker onze eigen boot op z'n plek houdt. Er komen 4 streng kijkende mannen in uniform aan boord. Hun engels is nog slechter dan ons middelbare-school-frans. Koffie? Non mercie. Ze willen onze paspoorten en bootpapieren zien en vuren de gebruikelijke vragen op ons af. Waar komen we vandaan, waar gaan we naar toe, dat snappen we allemaal nog wel. Dan komt er een ingewikkelde vraag waarop Harry en ik allebei spontaan "oui" antwoorden. Wij dachten nl dat ze ons vroegen of we al ingeklaard waren. De mannen kijken elkaar veel betekenend aan. De man met ons paspoort zegt tegen z'n baas: "Ze zijn kort geleden nog in Suriname geweest". En dat was het signaal voor de anderen om in aktie te komen. Ons paspoort wordt meegenomen naar de patrouilleboot en er wordt gebeld naar een centrale om te checken of wij wel zijn wie we zeggen. Twee anderen gaan met Harry mee naar binnen voor een grondige inspectie. Ze weten precies waar ze moeten zoeken: onder de matras, in het kastje achter de onderbroeken en in Harry's portemonnaie. Zelfs de zorgvuldig ingepakte houtwerkjes uit de Pacific moeten eraan geloven. Gelukkig zien ze het antieke pistool en de krissen uit Indonesie over het hoofd. Alles gaat overhoop en ze vinden niks. We hebben nl niks aan te geven. Waarom we dan toch "ja" zeiden toen ze vroegen af we iets aan te geven hadden? Praat dan toch eens engels zoals de rest van de wereld!

Een zwembad vol as

Soufriere, zo heet de vulkaan op Montserrat, is al op ruime afstand te zien. Het verschil met de Soufrieres van St. Vincent en St. Lucia is, dat dit een werkende vulkaan is. Rondom het zuidelijke deel van het eiland, de richting van waaruit wij komen, is een "maritime exclusion zone" een soort kordon van 2 mijl waarbinnen niet genavigeerd mag worden. De pilot adviseert zelfs om het eiland niet aan de benedenwindse kant te passeren ivm asregens die je dek behoorlijk kunnen vervuilen. Nou is dit wel weer een beetje overdreven want asregens zijn sinds 2009 niet meer voorgekomen, maar er komt wel degelijk rook uit de vulkaan. Ook zijn de lavastromen duidelijk te zien. Zo ver we kunnen kijken is het landschap kaal en grijs. We ankeren aan de noordkant van het eiland in Little Bay, de enige baai waar je nog mag komen. In contrast met het zuiden is het hier weelderig groen. Na de tijdrovende inklaringsprocedures in oude roestige containers waar de temperatuur niet te harden is, sluiten we ons aan bij een groepje Amerikaanse zeilers en organiseren gezamenlijk een eilandtourtje bij Sam Sword.

Eerst bezoeken we de katholieke kerk waar nogal wat O'Brians and O'Rians begraven liggen. De eerste Europeanen waren Ieren die in 1630 van St. Kitts kwamen waar ze problemen ondervonden met de overwegend Protestantse bevolking. Wat is dat toch met die lui? De tweede golf Ieren kwam in 1649 na de verovering van Ierland door Cromwell. Net zoals elders in het Caribisch gebied, werd hier suiker verbouwd en er kwamen slaven. Toen dit onrendabel werd vertrokken de Ieren en bleven de slaven vrij maar berooid achter. Met de lunch krijgen we "goat water" een typisch Ierse specialiteit van het eiland. Het lijkt nog het meest op waterige ossenstaartsoep met alleen de botten.

In 1995, het jaar van de grote vulkaanuitbarsting, woonden er ongeveer 11.000 mensen op het relatief welvarende eiland. Amerikanen en Canadezen hadden hier een tweede huis. Na de uitbarsting, waarbij de hoofdstad Plymouth en omgeving totaal verwoest werden, volgde er een exodus van 2/3 van de bevolking. De resterende dakloze bevolking werd geevacueerd naar het noordelijke deel van het eiland. Het zuidelijke deel werd tot verboden gebied verklaard. In 2003 stortte de kegel in, en het leek erop dat de vulkaan daarmee ingeslapen was. Er werd een grote schoonmaakaktie opgezet, huizen en wegen werden gerepareerd. En net toen het weer een beetje bewoonbaar werd kwam de 2e uitbarsting in 2006 en daarna nog eentje in 2008. Het hele zuidelijke gebied werd weer verboden toegang en dat is het nog steeds. Ik weet niet wat de meeste indruk op ons maakte, de verwoeste hoofdstad met huizen tot aan de dakrand bedekt in as, of de zgn "exclusion zone" met leegstaande gerenoveerde villa's en hotels. We lopen door de parkachtig aangelegde tuin van het chique Vue Point hotel, dat volledig volgeboekt was maar geevacueerd werd. Het zwembad staat tot de rand vol met as. In de receptie staat een brandkast die net 10 cm boven de aslaag uitsteekt. Zou niemand een poging hebben gedaan die uit te graven, vragen we ons af. De golfclub die ooit aan zee heeft gelegen, ziet eruit als een crossbaan en ligt nu een halve km landinwaarts. Door de asregens is er land bijgekomen. Je kunt dus ook niet meer vertrouwen op de dieptes die op de zeekaarten aangegeven staan.

Onze gids Sam vertelt over de persoonlijke tragedies die zich hebben afgespeeld. Er zijn niet zo veel doden gevallen, ik geloof 19 of zo (boeren die hun vee wilden redden) , maar veel mensen bleken niet verzekerd te zijn. "Act of God" staat er in de kleine lettertjes van de verzekeringpolissen. De banken daarentegen zijn minder gelovig: de hypotheek van je huis dat je niet meer hebt, of waar je niet meer in mag, moet je gewoon aflossen. Met vereende krachten en noodfondsen uit Amerika en Europa is er een nieuwe hoofdstad gebouwd. Er heerst een gemoedelijke dorpse sfeer, de mensen zijn vriendelijk en lijken een sterke onderlinge band te hebben. Maar als je een beetje dieper graaft ligt dat toch iets ingewikkelder. We praten met een visser die vertelt over de plunderingen van leegstaande huizen. En over berovingen in het opvangcentrum. Ook zijn er de laatste jaren weer mensen uit Engeland teruggekeerd die met hun engelse pensioen of spaargeld nu goedkoop huizen en land opkopen. Voor mensen als Sam heeft hij geen goed woord over: eerst de benen nemen en nu geld verdienen aan het leed van anderen......

St Kitts & Nevis

Op aanraden van onze collega- ramptoeristen, zetten we koers naar Nevis en St Kitts, een voormalige engelse kolonie. Daar maken we de fout door officieel in te klaren en zijn ruim 70 euro kwijt aan administratiekosten, moorringfees, milieuheffingen, harbour duties en port fees. De ambtenaar kan goed rekenen maar ons niet uitleggen wat het verschil is tussen harbour duties en port fees en waarom wij die uberhaupt moeten betalen terwijl wij een halve mijl verderop voor een verlaten strand liggen. Wel vertelde hij ons dat wij niet verplicht een (door de EU gesponsorde) meerboei hoefden op te pikken maar wel de huur ervan moesten betalen. Het maakt ze dus geen mallemoer uit waar we ons anker uitgooien, al was dat midden in het koraal. Het is ze gewoon om het geld te doen en daar valt niet over te discussieren. Charlestown, de hoofdstad van Nevis, voelt heel erg Brits met britse gebouwen en een klokketoren. Er zijn sfeervolle pleintjes en een stoffige bibliotheek waar we mogen internetten.

We gaan lekker koloniaal lunchen op een voormalige suikerplantage die smaakvol omgebouwd is tot hotel-restaurant. Zowel het eten als het uitzicht is voortreffelijk.

 

Basseterre, de hoofdstad van hoofdeiland St Kitts daarentegen doet ondanks zijn mix van engelse en franse architectuur, heel Caraibisch aan met rommelige straten, luide muziek en eetstalletjes. Er is ook een nette straat met palmen in potten en belastingvrije winkels waar je diamanten en andere prullaria kunt kopen; daar worden de cruiseschippassagiers door geloodst. We nemen de bus naar de andere kant van het eiland waar de britten in de 19e eeuw een gigantisch fort hebben gebouwd. Het ligt strategisch op een heuvel, Brimstone Hill. Aan de "achterkant" heb je uitzicht over het groene binnenland en aan de "voorkant" kun je kijken tot aan St Eustatius. De gebouwen zijn mooi gerestaureerd. Binnen is een museum met veel foto's en oude voorwerpen. Ook is er een moderne kunstexpositie. Het fort is zo groot dat je je er gemakkelijk een hele dag kunt vermaken. Zeer de moeite waard!

 

Hollands erfgoed op St Eustatius

We zitten op een bankje op het verlaten binnenhof van Fort Oranje en kijken uit over de ankerplek waar een handjevol bootjes loom op de deining liggen te rollen. Het is zo rustig en vreedzaam dat we ons maar met moeite een voorstelling kunnen maken van het leven in de gouden eeuw toen Eustatius het handelscentrum van het Caribisch gebied en een van de drukste havens ter wereld was. Er lagen toen gemakkelijk 300 zeilschepen voor anker. Met kleine roeibootjes werden goederen uit de hele wereld geladen en gelost. Duizenden tonnen aan handelswaar werd opgeslagen en verhandeld in pakhuizen die pal aan het water stonden. Kostbare stoffen als brokaat en linnen, goud, silver, suiker, tabak, katoen maar vooral ook slaven en wapens. In die tijd waren de europese grootmachten in oorlog met elkaar. Nederland bleef ook toen neutraal en legde bovendien geen handelsbeperkende belastingen en andere restricties op. De winstmarges waren het grootst op wapens en munitie die illegaal in kratten gemarkeerd met thee of rijst naar de rebellerende kolonies in de USA werden verscheept. Hebberigheid is dus niet alleen een zonde van deze tijd. Dit, plus het feit dat de gouverneur van Eustatius per ongeluk een Amerikaans handelsschip eervol begroette met kanonsschoten, waardoor gesuggereerd werd dat Nederland als eerste de onafhankelijkheid van de USA erkende, leidde tot grote irritatie van Engelande. In 1781 viel de engelse admiraal Rodney Eustatius binnen en confisceerde alle schepen en pakhuizen, waar hij tot zijn verrassing betrekkelijk weinig kostbaarheden vond. De Nederlanders gaven zich zonder al te veel weerstand over maar hielden verdacht veel begrafenissen. Toen admiraal Rodney de opdracht gaf om een van de doodskisten te openen, bleek deze vol te zitten met gouden munten en juwelen.

Begin 19e eeuw kwam er door veranderende politieke en economische omstandigheden (oa afschaffing slavenhandel) een einde aan de unieke vrijhandelspositie van Eustatius. In 1846 werd fort Oranje door het nederlandse leger verlaten. De kademuren vervielen, pakhuizen kwamen onder water te staan en orkanen verwoestten de aan het water gelegen handelspost. De laatste ruines staan er nog steeds.

Fort Oranje en Oranjestad liggen op een hoog plateau en zijn lopend bereikbaar via het oude slavenpad. Door de rood-witte luiken, groene poortjes en oud hollandse lantaarns, doet het fort een beetje kneuterig aan. Het zou goed staan op een kalender van Anton Pieck. Het oude centrum van Oranjestad lijkt op een openluchtmuseum. We lopen over typisch hollandse klinkertjes door de Kerkstraat en de Kapelweg, alsof we een wandelingetje door Hoorn of Medemblik maken en herkennen het logo van de openbare bibliotheek. In een pand iets verderop zijn een vrouwenopvangcentrum en het bureau voor jeugdwelzijnzorg gevestigd. De activiteiten worden aangekondigd in het nederlands. We vragen ons af wie dit kan lezen; wij hebben alleen nog maar spaans gehoord. Het dorp is mooi gerestaureerd en op z'n kerstbest aangekleed, de tuintjes keurig geharkt, de straten brandschoon en het is er net zo doods als op het kerkhof van de Nederlands hervormde kerk. Blijkbaar wonen de echte mensen ergens anders. In de tuin van de katholieke kerk staat een kerstmannetje naast een arreslee vol pakjes. Er is ook een interessant oud joods kerkhof. Vanouds was de handel in handen van Joden. Op de dag voor kerst is alles gesloten. Alleen de afhaalchinees en de chinese supermarkt met Conimexproducten is open. Die domineren nu de wereldhandel. Daar ontmoeten we ook de echte mensen: Cubanen, Haitianen en andere Latino's, gezeten op de stoep met een blikje bier. Ze hebben niets op met het rijke verleden van het eiland maar hopen hier een betere toekomst te vinden nu Eustatius' een nieuwe status verworven heeft als gemeente van Nederland.

Pak de putty maar!

Sinds een jaar of anderhalf staat er af en toe een klein plasje water in het vooronder. Waar het vandaan komt is een raadsel. Een lekkende WC-pomp? Vuiltje in de afsluiters? Water uit de ankerkluis? We sluiten het een voor een systematisch uit door de afsluiters te vervangen, de pomp te voorzien van nieuwe kleppen en een ingenieus afvoersysteem voor de ankerkluis te knutselen waar Harry patent op wil vragen. Het water is zout, helder van kleur en is er alleen na een aandewindse koers, vooral als we een beetje hebben liggen stampen. Vloer bij de WC eruit gebroken: niets te zien. Ook ons bed moet eraan geloven, maar ook daar zit alles goed in de epoxy-tar. "Zou het kunnen dat er misschien een haarscheurtje in een lasnaad in het onderwaterschip zit" vroegen we Morgan, de lasser in Zuid-Afrika. Die betwijfelt dat maar last toch maar voor de zekerheid de plaats van vermoeden. Euvel verholpen. Dachten we. Niet dus. Sinds we uit Grenada vertrokken zijn, halen we na iedere zeiltocht een sponsje water uit het vooronder. We zetten onze speurtocht voort. Het lastige van een boot is dat deze beweegt. Het water loopt alle richtingen uit en kan overal achter blijven zitten. Je weet dus niet goed waar je het probleem moet zoeken. Op een gegeven moment zien we eenn spoortje roestwater dat in de richting gaat van een kastje tussen de WC en ons bed. We kunnen er niet bij zonder iets af te breken waarvan we niet zeker weten of we het wel weer in elkaar kunnen zetten. Maar wat moet dat moet, bovendien hebben we toch niets te doen tussen kerst en oudjaar. Ik hoor het akelige gekraak van hout en even later het gevloek van Harry. Dan begint het gebik. Ik denk nog grappig te zijn door een opmerking te maken dat ie vooral niet te hard moet slaan.

"Pak de putty maar", roept Harry koel maar dringend "ik steek de schroevedraaier er zo door heen!" Oei, dat klinkt serieus. Putty is kneedbaar staal dat binnen minuten hard wordt, ook in water. Ik heb het binnen 5 seconden gepakt want het ligt op grijpafstand, bedoelt voor dit soort calamiteiten. Ik ruk de verpakking eraf, de instructies zijn in het Thais, maar ik weet uit m'n hoofd hoe het werkt. Of liever gezegd hoe het zou moeten werken: de 2 componenten mengen niet goed en het voelt te droog. Er staat geen houdbaarheidsdatum op, maar ik kan me voorstellen dat een tropisch klimaat geen goede omgeving is voor dat spul. Ondertussen stroomt het water gestaag binnen en kunnen we niet stoppen met sponsen. Het idiote is ook dat we het gaatje niet kunnen zien. Iedere chirurg had ons kunnen vertellen dat we die schroevedraaier erin hadden moeten laten zitten, maar goed, dat hebben we niet gedaan. Wat nu? Zal ik hulp gaan halen? Een extra hand en/of hoofd is misschien wel nuttig. Bob en Lia van de Boyo liggen niet ver van ons vandaan. Bob heeft ook een stalen Koopmans en heeft die boot zelf gebouwd. Handige jongen dus. Bob heeft ook geen putty maar wel een razendsnelle dingy en komt even later met maar liefst 8 staven putty terug. Nog steeds hebben we het gaatje niet gevonden en daarom smeren we het verdachte gebied ruim in met alle 8 staven. Het water blijft stromen. Het duurt verdomme veel te lang voordat die K-putty hard wordt. Het is maar goed dat we niet op de oceaan zitten maar voor anker liggen op St Maarten. Bob komt met een ander voorstel: "als we nou eens een stempel maken en die met een dikke laag sikaflex insmeren en met keggen vastzetten. Heb je hout?" Voor het eerst ben ik blij dat Harry zo veel "troep" mee sleept. De stempel is zo gemaakt en we spuiten anderhalve tube sikaflex leeg. De beide mannen zitten helemaal onder. Mijn aanrecht ook, merk ik later. Het water blijft komen, maar is gelukkig al beduidend minder. Ondertussen heeft Lia gebeld met een nederlandse werfbaas die ze kent. De werf is gesloten, maar in geval van nood kunnen we komen. We besluiten dat de nood nog niet hoog genoeg is en zingen het nog een paar dagen uit, om de beurt dweilend, ook 'snachts. Op oudjaarsdag worden we uit het water getakeld. Toch nog avontuur in de Caribbean. Maar daar zaten we nou bepaald niet op te wachten.

De waan van de dag op SXM

Huh, SXM? Klinkt als kinky sex..... Tja, het kwartje viel bij ons ook niet direct, maar SXM is cybertaal voor St. Maarten. De toeristenindustrie probeert je hier op allerlei manieren wijs te maken dat dit een tropisch paradijs is. En als aandenken kun je dan een T-shirt, een blauw molentje of blauwe klompjes kopen met daarop de tekst "I love SXM". Ik koop een zak vol van die T-shirts voor Harry, niet omdat we het nou zo leuk vinden op St Maarten, maar omdat hij goedkope werk T-shirts nodig heeft. Mijn hoofd lijkt uit elkaar te knallen, ik heb koorts, een "omhooggekropen" blaasontsteking en een oorontsteking en droom van een schoon bed op een koele slaapkamer. Maar als ik m'n ogen open doe bevind ik me in een rommelige boot waar je je kont niet kunt keren en waarin gebikt, geslepen, gelast en veelvuldig gevloekt wordt. In zo'n toestand moet je eigenlijk geen mening vormen van een nieuwe plaats want dat geeft een vertroebeld beeld. Maar zelfs met m'n best wil kan ik er geen paradijs van maken. De werf is steriel vergeleken met de junkyard in Zuid-Afrika waar we vorig jaar stonden, maar ligt parallel aan de startbaan waar om de tien minuten een vliegtuig landt of opstijgt. De oorverdovende herrie is voelbaar in je hele lijf. Het geleverde werk is o.k. maar de werkethiek is om te janken. Afspraken worden niet nagekomen, de feitelijk gewerkte uren is maar 30% maar de werf brengt wel een uurloon van $65 in rekening plus nog eens 11% allerlei administrative kosten! Gelukkig weet Harry de eindrekening tot normale proporties terug te praten. Het ondiepe water van de lagune is vies en stinkt naar putlucht. Er liggen honderden jachten die allemaal 's nachts hun vuilwatertanks lozen. Als je het hier waagt om te gaan zwemmen loop je grote kans een infectie op te lopen, als je al niet overvaren wordt door supersnelle dinghies of kleine ferries waarvoor geen snelheidslimiet geldt. Er ligt aangespoeld plastic tussen de mangroves. Aan de wal is eveneens niet te ontkomen aan de overlast van menselijke civilisatie. Langs de tweebaansweg ligt zwerfvuil. 's Ochtends en 's avonds scheuren de auto's rakelings langs je heen. Harry wordt een keer geraakt en ipv sorry verwijt de bestuurster ons dat we niet op de weg moeten lopen. Vanaf 15.00 uur staat er dagelijks een file. Als we met het busje naar happy hour in Lagoonies willen (nog geen 5km) dan doen we daar 1 uur over. ' Nachts liggen we wakker van de disco muziek. We nemen ons voor om St Maarten direct te verlaten zodra de boot weer zeewaardig is.

Maar als het smerigste werk gedaan is en de boot na het tewaterlatingsfeestje nog steeds drijft, blijkt SXM ook een andere kant te hebben. Het is er gezellig! Het is een sociale ontmoetingsplek waar cruisers, wedstrijdzeilers en vakantievierders gezamenlijk in de kroeg belanden. We zien oude bekenden en maken nieuwe vrienden en ontdekken zelfs een paar mooie plekjes op SXM. Het water in Simpson Bay is azuurblauw en van de juiste temperatuur. Iedere dag zien we schildpadden rond de boot. Soms springt er een kleine rog uit het water. Vlakbij is zelfs een rotspartij waar je best aardig kunt snorkelen. Het strand is ronduit geweldig. Met een klein vriendengroepje en hond Loudje gaan we iedere ochtend zwemmen en een stevige strandwandeling maken. Met Lia ga ik shoppen aan de franse kant. Ze hebben er echte oude hollandse kaas en allerlei andere lekkernijen. Af en toe maken we een leuke wandeling door de heuvels waarbij we koeien, geiten en zelfs aapjes zien. Er worden boeken en tijdschriften uitgewisseld. Bij de jachtclub mogen we gratis internetten, douchen en water halen. Je kunt er heerlijk zitten en vanaf het terras, zippend aan je glas koude tonic, de superjachten bewonderen die door de brug gaan.

Om je een idee te geven wat een superjacht is:

De Eclipse is 154m lang en past niet door de brug. Onderdeks kunnen 2 helicopters geparkeerd worden, er is een onderzeeer aan boord waarin 12 personen 30 dagen onder water kunnen blijven. Als toetje heeft het jacht een luchtafweersysteem met raketten. De afleveringkosten van dit "speeltje" bedroegen bijna 1 miljard euro. Ruim 60 man personeel moeten het jacht in tip-top conditie houden. De eigenaar, meneer Abramovitch, arriveert in stijl in z'n prive jet, een boeing 737.

Zou die man gelukkig zijn? Nee, want hij heeft nog geen Airbus A380!

Net zo krankjorum als die superjachten is het feit dat het K-eilandje van 7 mijl lengte opgedeeld is in een frans en een Nlds gedeelte. Aan de franse kant spreken ze frans, betaal je in euro's en werkt je apparatuur op 220V. We gaan naar de franse kant voor ons stokbrood, de camembert, de pate en oud hollandse kaas. Aan de NLDse kant spreken ze engels (of spaans), betaal je met US dollars (of Antiliaanse guldens) en werkt je apparatuur op 110V (of helemaal niet). De Nldse kant is belastingvrij, daar ga je dus naar toe voor je drank. Aan de franse kant mag je gratis ankeren, terwijl je aan de NLDse kant daarvoor betalen moet. Het eiland stikt van de NLDse zeilers en die liggen vrijwel allemaal aan de franse kant maar gaan feestvieren aan de NLDse kant. Is het nog te volgen? Gelukkig rijden de auto's aan beide kanten van het eiland aan de rechterkant anders was het helemaal een zootje!

Hoewel de boot al lang gerepareerd is, blijven we nog zeker 6 weken langer op St Maarten dan geplanned. Dat is de schuld van Bert en van Han. Bert (deze keer zonder Sas) komt de 2e helft van maart gezellig 3 weken met ons mee varen. We doen een rondje eiland en brengen een bezoek aan buureiland Anguilla. Bert heeft beloofd zelf hierover een stukje te schrijven, maar de copy-datum is allang verstreken en we hebben nog niets gezien. Als Bert geweest is en we voor de tweede keer klaar zijn voor vertrek, nodigt Han ons uit om in april met hem aan boord van "Art Objects", een Hanse 47, de Voiles de St Barts te gaan zeilen. Maar boot, bemanning en eigenaar zijn daar eigenlijk nog niet helemaal klaar voor. Na een gezellig proefvaartje werd besloten de Voiles te laten lopen en gaan we eind april de Antigua Regatta zeilen. Ach wat maakt het ook allemaal uit, gezelligheid kent geen tijd!

Antigua sailing week

Het stuk van St Maarten naar Antigua is ongeveer 100 mijl, voor onze boot te ver om overdag te zeilen. We vertrekkken daarom rond een uur of 10 na de koffie met het idee om de volgende ochtend met daglicht aan te komen. Er staat een mooie noord-oosten bries van een knoop of 20, en Zwerver heeft er zin in. De zeilen staan er mooi bij, maar waarom staat er dan toch zoveel druk op het roer? Ik kijk achterom en zie dat het nieuwe hoofdroer van de windpilot is verbogen. Dat is balen want Harry heeft daar zeker een dikke week hard op gezwoegd en er de nodige euro's aan besteed. We leggen de boot stil en Harry gaat aangelijnd het water en weet na een kwartier rukken het roerblad eraf te krijgen. De aluminium pijp blijkt niet dikwandig genoeg en is bijna 90 graden gebogen. De electronische autopilot neemt de klus met gemak over. Met een knik in de schoot lopen we een knoop of 7, soms zelfs 8. Veel te hard! Met deze snelheid komen we nog in het donker aan. We leggen een rif in het grootzeil, maar dat haalt niet veel uit. Dubbel gereefd lopen we nog steeds een knoop of 6 maar bij Antigua komen we in de luwte van het eiland en moeten we zelfs een paar mijltjes motoren. Tegen 7 uur 's ochtends lopen we Falmouth harbour binnen. Het beddengoed is kletsnat en het vooronder staat weer onder water. Deze keer geen gat in de boot maar een afdekkapje van de ankerlier dat is weggespoeld. Grrrrr!

Antigua was in de 18e en 19e eeuw het belangrijkste eiland van de engelsen in de West Indies. In English Harbour, een perfecte natuurlijke haven, lagen de commerciele en oorlogsschepen, ook tijdens het orkaanseizoen goed beschut. De engelsen bouwden er hun verdedigingswerken en de Nelson's Dockyard, een kleine nederzetting met pakhuizen, een scheepswerf, een touwslagerij, een zeilmaker, een tuiger. Nelson's Dockyard is mooi gerestaureerd en de zeilmaker en tuiger bevinden zich nog steeds in de historische panden.Het plaatje wordt compleet doordat de haven vol ligt met prachtige klassieke zeiljachten uit alle windstreken van de wereld, die hier afgelopen week de Antigua Classics hebben geraced. Lilly Bolero, een bevriende schooner uit Nieuw Zeeland ligt er ook. Schipper Kyran vertelt ons dat hij in Grenada op het rif is gelopen en daar 2 dagen heeft liggen te bonken. Het schip heeft helemaal vol water gestaan en was bijna verloren . Ze zijn van het rif getrokken en naar een werf gesleept. Deze race was de eerste zeiltocht na maanden hard werk.
Er rest ons nog een dag of 3 voordat de race-week begint. Tijd genoeg om de omgeving te verkennen. Er loopt een hele mooi trail van English Harbour over de punt van het schiereiland naar Falmouth harbour. We lopen langs restanten van oude verdedigingswerken en tussen de boeiende cactussen door hebben we een prachtig uitzicht op de aanloop van beide havens. Met een busje gaan we naar de hoofdstad St John, een levendige stad met fleurige fruit- en groente stalletjes. Ook hier is het historische centrum smaakvol gerestaureerd. In de historische panden zijn ateliers en restaurantjes gevestigd.

Inmiddels is Art Objects, de boot waarmee we gaan racen, ook gearriveerd. Met schipper Han, eigenaar Ari en opstapper Jerry gaan we naar het openingsfeest. Ook daar treffen we weer oude bekenden uit Zuid-Afrika. Het lijkt wel of iedereen deze week op Antigua zit. De volgende dag arriveren ook Loud en Marlene en hijzen we gezamenlijk de Hanse, in wedstrijdtenue.

Zondag, de eerste race-dag. Alles voelt onwenning en vreemd aan boord. We hebben een paar regels en taken doorgesproken maar er heerst nog geen echte discipline. Han is de schipper, maar Ari roept ook allerlei verwarrende bevelen. De overige rollen zijn een beetje vaag. Ik moet de fok vanuit de kuip bedienen en Harry verricht hand-en spandiensten op het voordek. Iedereen maakt fouten. Zo laat ik bv bijna de genacker weer zakken omdat ik de verkeerde stopper open. En Harry vergeet de zeilzak aan de reling te haken zodat deze overboord waait. Op een kleine boot als Zwerver is alles heel overzichtelijk en simpel georganiseerd. De vallen zitten bij de mast, de stuurboordschoot zit aan stuurboord en de bakboordschoot aan bakboord. Alles wordt rechtstreeks en manueel bediend. Wij zijn dus niet gewend aan een twee rijen stoppers waar vallen, schoten, reeflijnen en giekneerhouder voor ons op onlogische wijze geordend zijn. En dan al dat touwwerk dat overal in grote trossen over de kuipvloer ligt.

De eerste start is ronduit spectaculair. Een vijftiental boten kruisen voor elkaar langs om maar de beste uitgangspositie te bemachtigen. Als het signaal voor de laatste minuut gegeven wordt, hijzen we de fok die op een zelfkeerrail staat, zodat we heel snel zonder fouten over stag kunnen gaan. Het wordt dringen bij de startlijn. Net als ik denk dat we vol tegen een ander boot aan gaan, valt de boot voor ons een klein beetje af om snelheid te maken. Er ontstaat een piepklein gaatje en tot ontsteltenis van iedereen, en vooral tot grote schrik van de startboot, duikt Han in dat gat en gaan wij als eerste in volle vaart over de startlijn. Klik hier voor filmpje.

Het eerste rak is aandewind en omdat de fok op de zelfkeerinstallatie staat hoeven wij niet veel meer te doen dan met z'n allen aan de hoge kant van de boot te gaan zitten met onze benen onder de reling door. Komt ons overgewicht toch nog van pas. Op de halve windse rakken verliezen we tov de concurrentie omdat wij een 90% fok hebben en zij met grote 120% genua's zeilen. Dan komt het moment dat we de genacker moeten hijzen. Wat een drama! Het hijzen gaat goed, maar dan zien we opeens dat we de halshoek aan de spi-boom hebben vastgemaakt, waardoor het zeil er dus verkeerd om op zit! Wat een blamage! Razendsnel laten we de genacker weer zakken, zo snel dat ie in het water komt te vallen. Oh nee! Tot overmaat van ramp staat de camera-boot naast ons alles uitgebreid te filmen. Vanavond komen we in bloopers. Maar als het zeil weer uit het water is gevist en eenmaal staat zoals het hoort, lopen we als een trein en maken we weer een deel van de achterstand goed. We eindigen die dag heel keurig op de vierde plaats. De volgende zeildagen gaat het niet veel beter. Het is ongelooflijk wat je allemaal fout kunt doen met een genacker. Twee keer zat het ding compleet gedraaid en een keer was het zelf zo erg dat Loud in volle deining de mast in moest om het vastgelopen zeil weer uit de knoop te halen. Maar bij ons bleef, op een overboord gewaaide zeilzak na, alles gelukkig heel. We spraken later met medezeilers die meerdere zeilen aan flarden hadden gezeild. Op onze laatste zeildag leek het of we het truukje onder de knie hadden. Er werden die dag twee races gezeild en beide keren kwamen we als eerste over de finish-lijn. Maar door de ongunstige rating van de boot haalden we die dag weliswaar een dagprijs als 2e, maar eindigden we in het totaal klassement helaas als vierde. Ik ben ervan overtuigd dat we met een beetje meer voorbereiding en discipline, gemakkelijk een podiumplaats hadden kunnen halen. Maar dat is voor een volgende keer. Wij hebben ontzettend genoten. Han, hartstikke bedankt voor deze onvergetelijke ervaring!

klik voor filmpje

Gezellig weerzien met Meerlust en dolfijnen op de Saintes

Na een weekje team-gedoe zijn we blij als we weer gewoon met z'n tweetjes zijn. Om bij te komen van alle drukte zeilen we naar Green Island, een mooie ankerplek een paar mijljes verderop, waar je aardig kunt snorkelen en leuke wandelingen kunt maken. Halverwege passeren we het vakantiehuis van Eric Clapton. Nou ja huis? Hij bezit hier gewoon het halve schiereiland op een steile klif met daarop een aantal villa's. Van Antigua zeilen we terug naar Guadeloupe, een hele saaie troosteloze, regenachtige dag zonder wind. Het zicht is zo slecht dat we zelfs op een halve mijl afstand de baai van Des Haies nog niet kunnen onderscheiden. In stromende regen gooien we ons anker uit. Het enige positieve van die dag is dat we verwelkomd worden door een groupje dolfijnen. We klaren niet in en laten ons bijbootje aan dek liggen want de volgende ochtend gaan we toch door naar de Saintes. Ook dat wordt grotendeels motoren. In de luwte van de eilanden is het 50% windstil maar kun je ook opeens verrast worden door hevige valwinden. Er werd ons een mooie noordooster in het vooruitzicht gesteld maar we kregen van alles, behalve lekker zeilweer. Motoren met gereefd grootzeil, kan het nog erger? Maar ook nu weer zwemmen er als opkikkertje dolfijnen rond de boot als we een moorring oppikken voor het hoofdeiland op de Saintes. Als we onze mail binnenhalen, lezen we dat Willem en Annehei van de Meerlust om de hoek bij het suikerbrood geankerd liggen. Wij kennen dit sympathieke architectenduo van Zuid-Afrika en hebben ze een half jaar geleden ook al eens getroffen op Martinique.

Het weerzien was supergezellig maar slecht voor ons lijf en lever! De dolfijnen zijn er ook weer. Het is hetzelfde koppel dat we hier een half jaar geleden ook al zagen. Een moeder, Notched Tail, met een hap uit haar vin en haar jong, Jojo die continue om haar heen dartelt en speels z'n snuit in haar buik duwt. Ze zijn absoluut niet schuw, sterker nog, als je in het water springt, komen ze naar je toe. We hebben dan ook uitgebreid met ze gezwommen en ze van heel dichtbij kunnen horen en bewonderen.

F'cking Trinidad

Dat geklooi met die zeilen telkens op die pisafstandjes van eiland naar eiland hoppend vinden we eigenlijk maar niets. Op de heenweg hebben we zo ongeveer overal gestopt en eigenlijk zijn er niet veel eilanden die we zo nodig nog een keer hoeven te zien. Ze zijn allemaal mooi hoor, daar niet van. Maar het is ongelooflijk saai. We geloven het wel en besluiten daarom maar gewoon in een ruk van Martinique naar Grenada te zeilen. Het wordt een heerlijke zeiltocht met goede wind en slechts een enkel buitje. We doen er 30 uur over en ankeren weer op onze oude plek tussen oude bekenden aan de voet van het fort in St George. Daar regelen we onze "vakantie" naar Central America en als onze reservering voor een ligplaats in de jachtclub tijdens het orkaanseizoen ook bevestigd is, zeilen we door naar Trinidad. Ook dat is wederom heerlijk zeilen. We passeren een tweetal booreilanden die met hun felle verlichting niet te missen zijn. De kustwacht is hier zeer actief. Op ruim 20 mijl uit de kust worden we opgeschrikt door felle schijnwerpers. Tegelijkertijd worden we opgeroepen en verzocht onze bestemming en ETA door te geven. Net zo snel als ze uit het niets opdoken, zijn ze ook weer in het niets verdwenen. Die lui patrouilleren hier dus zonder navigatielichten! Verder gebeurd er niets noemenswaardig en voor zonsopgang laten we het anker vallen in Chaguaramas op Trinidad.
Nou, daar liggen we dan. In een commerciele baai tussen een vijftigtal zeiljachten, een handjevol vissersschepen en een paar vrachtschepen. Het water is vies. Er drijft afval en het stinkt naar diesel. Het regenseizoen is begonnen en met een heat-index van 38 graden is het niet om uit te houden aan boord. Dit zijn dus van die typisch zeldzame momenten dat je liever niet op een boot wilt wonen. Wat doen we hier dan toch in godsnaam? Antwoord: wij wachten op ons nieuwe paspoort. Ons huidige paspoort is nog niet verlopen maar gewoon vol. En volgende maand komen er weer een aantal stempeltjes bij. Achteraf gezien zijn we natuurlijke hartstikke stom geweest dat we ons paspoort niet in St Maarten verlengd hebben. Dan waren we hier alleen even naar toe gegaan om ons USA-visum te halen voor volgend jaar en dan weer lekker terug gezeild naar Grenada. Nu kunnen we alleen maar hopen dat het allemaal nog lukt voordat we op vakantie gaan. Maar goed, nu we hier toch eenmaal zijn maken we er maar het beste van. Tussen de buien door worden er kleine klusjes gedaan en daarna gaan we de stad in of gezellig borrelen bij Mary Eliza , eten met de NiX of naar de markt met Razzle Dazzle, die we kennen uit resp Zuid-Afrika en St Maarten. De zeilerswereld is klein.

Het is trouwens opmerkelijk hoe zwaar de eisen voor een nieuw paspoort zijn geworden. Voor ons Nldse paspoort konden we niet eens meteen terecht bij de Ambasade. Je wordt tegenwoordig verondersteld een afspraak te maken en dat kon pas over 3 weken. Daarna worden er vingerafdrukken genomen en in ons geval moesten de pasfotos tot vier keer toe opnieuw gemaakt worden. Vervolgens wordt de aanvraag opgestuurd naar Washington waar het nieuwe paspoort gemaakt wordt. Dat duurt ook weer 3 weken. Ons amerikaanse visum kon allemaal online geregeld worden. Opnieuw pasfotos maken want de eisen zijn weer anders. En vervolgens moesten we maar liefst 5 paginas vragen beantwoorden mbt binnenlandse veiligheid. Of we lid waren van een terroristische organisatie of deze gefinancierd hadden en of we onlangs nog kindsoldaten ingehuurd hadden. Tja, je mag tegenwoordig niet meer lachen op je pasfoto en in ons geval zie je er dan meteen uit als een lid van de Bader-Meinhoff-groep. Ben blij dat ik geen Ulrike heet anders zou de aanvraag niet eens in behandeling genomen worden.

De mensen in Trinidad zijn veel levendiger en aardiger dan elders in de Kleine Antillen. Iedereen groet vriendelijk en als je de weg vraagt of op de bus moet wachten heb je al snel een leuk gesprek. En vaak gaat dat over sex want dat lijkt hier het allerbelangrijkste te zijn. Dat blijkt niet alleen uit het grote aantal kleine kinderen en zwangere vrouwen, maar het straalt gewoon van de mensen af. Zoals ze zich kleden, zoals ze met hun heupen wiegen en zoals hun ogen stralen. Zo ben ik met Joop in een stoffenwinkel in Port of Spain als deze in gesprek raakt met een hoogzwangere vrouw. Het is haar eerste en meteen de laatste voegt ze er spontaan aan toe. Oh ja, vraagt Joop, wat doe je dan om dat te voorkomen? Laat je de boel afsluiten? Nou nee, dat ook weer niet, maar er komt gewoon geen tweede meer. "So you simply stop fucking?" zegt Joop. In Nld riskeer je met zo'n opmerking een klap in je gezicht, in de USA kun je aangeklaagd worden voor sexual harrasment, maar hier begint de voltallige stoffenzaak, allemaal dames (die met belangstelling de conversatie gevolgd hebben) te brullen van het lachen. "You made my day!" zegt de hoogzwangere vrouw nog na-gierend. Op de markt vraag ik de verkoopster wat je met gedroogd zeemos moet doen. Ze kijkt me ondeugend aan en zegt op samenzweerderige toon: "to make hot tea. It's very good for your stamina". Ja, ja, dat zal wel. Als ik later die week alleen op stap ga, hoef ik niet op de bus te wachten. Letterlijk iedere auto stopt om me een lift aan te bieden. Dat sla ik wijzelijk af, totdat de voorman van Peak Yacht Services ook toevallig mijn kant uit moet om z'n dochter tussen de middag uit school te halen. Dat lijkt me redelijk veilig. Asley laat me vol trots foto's zien van z'n kinderen die varieren in de leeftijd van 5 tot 25 jaar. Op mijn voorzichtige vraag of ze misschien van verschillende vrouwen zijn antwoord Asley verbaasd: "Ja natuurlijk! Wat dacht jij dan? I like plenty of sex!. Maar ja, vrouwen, dat is een ander verhaal. If I wanna fuck, I can, maar ik wil er niet mee trouwen. En jij, hoeveel boyfriends heb je? Eentje maar? Wat saai! En daarmee bevestigd hij het beeld wat ik hier al van mannen had gekregen. Lang leve de lol en geen greintje verantwoordelijkheidsbesef. De mannen dragen niet of nauwelijks iets bij in de opvoeding van hun kinderen. Overigens moet Asley zijn vrouwen wel betalen voor z'n pleziertjes. Op de overige antillen is de situatie niet veel anders. Van een sociaal werkster hoorde ik dat werkgevers profiteren van deze alleenstaande moeders die vaak minder dan de helft verdienen dan hun mannelijke collega's. Ze nemen het hoge ziekteverzuim en de onregelmatige werktijden daarvoor graag op de koop toe. Een huisarts op St Maarten vertelde over het schrikbarend hoge percentage aidsgevallen dat ondanks geldverslindende voorlichtingscampagnes nog steeds stijgende is. Ondertussen kijkt Asley op z'n horloge. Ik kan z'n gedachten raden en ben blij als ie me keurig bij het winkelcentrum afzet.

De paden op, de lanen in...

Zo vreselijk als de ankerplek is, zo mooi is het binnenland. Trinidad krijgt een behoorlijk portie regen per jaar en dat is te zien. Alles tiert welig en als je een stok in de grond steekt gaat die volgen smij zelfs nog bloeien. Omdat Captain Harry beweert dat ie andere belangrijke dingen te doen heeft, sluit ik me aan bij een groepje yachties die ook graag de benen willen strekken. We maken een trektocht naar de Paria watervallen. Het eerste stuk voert langs de ruige noordkust waar de golven met geweld uiteenslaan tegen de stijle klippen. Beneden zijn heerlijke stranden waar deze tijd van het jaar de lederrugschildpadden en z'n kleinere soortgenoot de hawksbillschildpad hun eieren komen leggen. Dat doen ze snachts, dus schildpadden zien we niet, maar helaas wel een paar uitgegraven kuilen. We vragen ons af of dat beesten zijn geweest of dat, net als in Suriname, de eieren door locale mensen worden gegeten. Vervolgens gaat de track verder door dichte jungle waar je lekker koel in de schaduw loopt. De track is niet moeilijk maar wel lang. Af en toe glibberen we weg over de modderige keien. Na 2.5 uur komt het einde in zicht: een heerlijk frisse waterval die uitkomt in een perfecte ronde poel. De zon schijnt door het dichte bladerdek, er zijn honderden vlinders, van die grote mariposas en we zien een koppel rode papagaaien. Een klein paradijsje. Ik heb niet de moeite genomen zwemkleding mee te nemen maar duik er gewoon met m'n ondergoed in. Wat is dit heerlijk! En nu weer 2.5 uur terug....

Op stap met Meerlust

Willem en Annehei willen ook wel iets meer van het eiland zien en nu we een auto huren heeft captain Harry opeens niets beters doen en is gelukkig ook weer van de partij. Willem rijdt. Niet altijd de goede kant uit maar wel veiliger dan de Trinidadions. Annehei is reisleidster. Wij hoeven alleen maar te genieten. Onze eerste bestemming is het Asa Wright nature center, een 200 hectare vogelpark waar we rondgeleid worden door een bioloog. Voor mensen zoals wij, die amper het verschil tussen mus en merel kennen, is dit eigenlijk paarlen voor de zwijnen werpen. Ik kan er dus weinig van na vertellen, behalve dat de kolibrietjes wel heel erg schattig waren en dat de tropische bloemen en planten veel indruk hebben gemaakt. We hebben gelunched (de smerigste hamburger ooit) op de veranda van de karakteristieke villa van het park. Daarna stond de Hindu-tempel op het programma. Deze tempel met de toepasselijke naam"Temple in the Sea, staat aan het einde van een handgebouwde pier. De Hindu-gemeenschap heeft hier ook een eigen crematorium. Op het strandje bij de tempel liggen allerlei heiligenbeeldjes en kaarsjes. Het terrein staat vol met vlaggen. Op de terugweg kopen we bij een marktstalletje lekker vers fruit en groenten en Annehei vindt in de vriezer, die toch leeg moet, nog een heerlijke mahi-mahi zodat de lunch ruimschoots gecompenseerd wordt. Oh ja, de dag ervoor hadden we de auto ook al en toen zijn we tegen zonsondergang naar de Caroni swamps geweest, een soort waddengebied waar de rode ibis foureert. We worden met nog een stuk of dertig, meest locale touristen, in een soort duwbak geladen en zodra we plaatsnemen valt er niet alleen een tropische stortbui op ons neer, maar beginnen de locals gezellig hun picknickmandjes te plunderen. Er komt van alles uit: van krakende chipszakjes tot geurige kippepootjes. Als het hoogtepunt van de gezelligheid bereikt is waarschuwt onze gids voorzichtig dat we in een natuurpark zijn en als we iets willen zien is het wel zo handig dat we niet te hard praten. Dat gebeurt.... eventjes. "Kijk, daar ligt een python" zegt iemand. En jawel hoor, een hele dikke vette opgerolde slang, niet zo ver van ons vandaan. We zien er nog meer. Dan komen we bij het eilandje waar de rode ibissen zouden moeten zitten. Er scharrelen een paar rode en witte stipjes op het strand en in eerste instantie zijn we een beetje teleurgesteld. Is dat nou alles? Maar geleidelijk aan komen er diverse groepjes rode ibissen heel sierlijk aanvliegen vanuit Venezuela. Die beesten zijn rood vanwege de rode krabjes die ze hier met laag water op het strandje vinden. Het is een prachtig gezicht. De bomen lijken van afstand net een bloeiende azalea. En binnen een uur is het hele strand vol met rode ibissen.

terug naar logbook