Terug in de Carieb

Sabatical

"Een reiziger moet niet te veel omkijken
Maar vergeten wat achter hem ligt
Anders loopt hij het gevaar
Daar te blijven staan waar hij omzag"

Augustinus
Op de middelste stoel in de middelste rij te midden van luidruchtige vakantiegangers, verplaats ik me van A (Amsterdam) naar B (Bonaire). Met reizen heeft dit niets te maken. Het is snel en goedkoop. Vliegen kost 3ct per km. Varen 1 euro per mijl. Maar daar krijg je dan ook meer beenruimte voor. In de Carieb met z'n Mickey Mouse-afstanden, loopt deze berekening spaak. Afhankelijk van je gezichtspunt, rijzen de kosten per mijl de pan uit, of wonen we gewoon lekker goedkoop. Waarom maken we dan niet gewoon wat meer mijlen?

We vonden dat we toe waren aan een "sabatical". Even geen gejakker tegen de heersende stroom en windrichting in, even geen gehaast om uit stormgebieden te komen. Even gewoon pas-op-de-plaats. Om de boot een welverdiende grote onderhoudsbeurt te geven, om onszelf de tijd te gunnen voor het maken van toekomstplannen. Maar ook omdat we behoefte hadden om weer ergens te zijn, onder soortgenoten. Ook een zwerver is tenslotte een sociaal dier. De laatste drie jaren zijn we continue onderweg geweest. Je vertrekt, komt aan, en vertrekt. Per definitie het ritme van de reiziger. Je observeert, je verkent, je maakt contact. Contacten zijn vluchtig en komen zelden voorbij de oppervlakkigheid omdat het dan al weer tijd is om afscheid te nemen. We verheugden ons daarom op het weerzien met bevriende zeilers (en Albert Heijn) in Curacao.
Voor 7 uur gaan we anker op en varen met het ochtendgloren door de opening in het rif bij Aruba. Koers ESE, motorzeilend tegen wind en stroom, uiteraard. 80 Mijl tot het Spaanse Water in Curacao. We dachten dat we het eerste stuk onder de beschutting van de kust zouden varen, maar dat valt tegen. Tot voorbij Oostpunt gaat het moeizaam maar als we eenmaal uit de vervelende kruiszeeen zijn, worden de bewegingen van de boot aangenamer en pikken we ook wat snelheid op. De windhoek wordt iets gunstiger en een tijdlang kan de genua zelfs uit. Maar snachts valt de wind weg en moet onze nieuwe Yanmar het werk weer grotendeels doen. Er zijn behoorlijk wat vissersboten op het water en dat bevalt ons eigenlijk niet zo. We zitten dicht bij de kust van Venezuela en daar is het op dit moment erg onrustig. Mensensmokkelaars proberen snachts vluchtelingen aan land te brengen in Aruba en Curacao. Er zijn de afgelopen tijd al tientallen bootjes onderschept waarbij ook wapens en drugs gevonden is. Je zou denken dat de Nederlandse kustwacht hier actief patrouilleert, maar die is in geen velden of wegen te bekennen. Wat ons ook niet bevalt is de lucht. Boven het vaste land van Venezuela zien we weerlichten. Het komt steeds dichterbij. Drie keer krijgen we een onweersbui met hevige rukwinden en stortbuien over ons heen. Alles blijft heel. Als we bij de verradelijke smalle doorgang naar het Spaanse Water aankomen, wachten we een uurtje tot het licht wordt. We zijn er. Onze voorlopige verblijfplaats voor het komende half jaar.

De koffie is nog niet klaar of we krijgen al bezoek. Humberto, wat een verrassing! 10 jaar geleden voor het laatst gezien in Thailand. Toen zeilde hij de wereld rond in een 9 meter bootje met z'n hondje. Nu is hij met zijn 90! jarige moeder en een 45 ft catamaran onderweg naar Fiji. Voor hem de derde keer, voor zijn moeder de eerste en waarschijnlijk de laatste keer. Een bijzonder avontuur. De dagen erna ontmoeten we nog meer bekenden en maken we kennis met een internationaal groepje enthousiaste verse vertrekkers. Twee weken maken we deel uit van een gemeenschap van gelukkige vagebonden. Er zijn happy hours en spontane verjaardagspartijtjes. Maar dan is het orkaanseizoen voorbij. Er komen "weather windows" en de vertrekkers doen wat ze meestal doen, nl vertrekken. Als we de laatste boot hebben uitgezwaaid begint het te regenen.
Het regent en het blijft regenen. Wij pakken de draad van het "gewone" leven op. Twee keer per week met het busje naar de supermarkt. Te vaak langs Budget Marine voor een nieuwe buitenboordmotor, een fatsoenlijk toilet, een kapitaal aan verf, en tal van andere veel te dure bootspullen. Een uitgesteld bezoek aan de tandart en kapper. Afspraken maken met de werf. Na 15 jr weer eens naar de stembus. En ook maar weer eens het gedoe met de "BV Nld" (verzamelnaam voor bank, verzekering en andere ongein) in goede banen proberen te leiden.
In Febr stopt de regen en gaan we een maandje de kant op bij Curacao Marine Services. Er wordt een spant in het achterschip vernieuwd en een nieuw stuk in de mastvoet gelast. Mooie gelegenheid om meteen het tuig weer eens grondig na te kijken. We lichten alle vloerdelen voor inspectie van de bilges en waar nodig worden die voorzien van een nieuwe epoxy-laag. En als het dek en de romp weer in een nieuw 2 componentensysteem staat, gaat de Zwerver glimmend van trots weer het water in. En nu?
En daar liggen we dan terug te kijken op onze zeilavonturen. Naast het beroemde zeiljacht "Northern Light" dat ooit als eerste overwinterde in het pakijs op Antarctica. We zagen het jaren geleden in een baai in Argentinie. De nieuwe Nederlandse eigenaren wonen en werken op Curacao, de kinderen zijn zojuist ingeschreven voor het nieuwe schooljaar. Het schip ziet er perfect onderhouden uit. Zouden ze ooit nog vertrekken?
 
Happy Hours zijn er ook nog steeds. Alleen voelen we ons in deze subcultuur van "achterblijvers" steeds minder happy. De meesten zijn uitgezeild en zo trots als Columbus dat ze met zoveel succes aan het georganiseerde leven in Nederland ontsnapt zijn. Daar zit je dan, iedere donderdag van 5 tot 7 met z'n allen rond een lange tafel geanimeerd een nietszeggend gesprek gaande te houden. Twee keer is voor ons genoeg om ervan overtuigd raken dat het mogelijk moet zijn om dood te gaan van verveling. En omdat we het daar maar liever niet op willen laten aankomen, gaat de Zwerver weer anker op. Augustinus had het 1500 jr geleden al bij het juiste eind: De reiziger is gedoemd te vertrekken.

 

Windstilte van de Ziel

We zijn inmiddels verhuisd naar buureiland Bonaire en doen hard ons best om ons te bekwamen in de kunst van het nietsdoen. En dat moet niet onderschat worden. Volgens Nietzsche hebben wij last van "existentiele verveling", niet te verwarren met de misbare "toestandverveling" wat ons overkwam tijdens de "Happy Hours" op Curacao. "Existentiele verveling" is een soort van van leegte dat je confronteert met de zinloosheid van het bestaan en je met je neus drukt op je eigen nietigheid en eindigheid. Dat klinkt misschien erg zwaar, maar met een koud biertje, starend over het azuurblauwe water, is het best vol te houden.  Het schijnt ook, zo lezen we in een ander filosofisch pleidooi voor nietsnutten, een zinvolle leegte te zijn die vooraf gaat aan een grote verandering. Als stilte voor de storm, als het ware. Maar dat werkt volgens neurowetenschappers alleen als je die leegte ook daadwerkelijk leeg laat en niet gaat invullen met nieuwe afleidingen of aanbiedingen die de "vervelingsbestrijdingsindustrie" voor ons heeft klaarliggen. We nemen aan dat duiken niet valt onder de categorie afleiding en 2x per week inloggen bij het national hurricane center doen we niet uit verveling maar uit zelfbehoud. Nu is het dus alleen nog zaak om zo lang mogelijk in deze dromerige toestand te blijven, waardoor de zgn "thetagolven", die met creativiteit geassocieerd worden, vanzelf gaan stromen en tot nieuwe inzichten gaan leiden. Een biertje dan nog maar?

Aan ideeen geen gebrek. Ze vallen net zo overvloedig uit de lucht als de regen tijdens tropische storm Brett die rakelings passeert. Om te voorkomen dat vruchtbare ideeen in de lucht blijven hangen of in het water vallen, wijden we er een heuze brainstormsessie aan, compleet met stiften en gele plakkertjes.  Alles mag, niks is gek of fout. Nou ja, niet helemaal natuurlijk. Toen een van ons met het idee "werken" op de proppen kwam, werd er door de ander even diep gefronsd. En "boot verkopen" viel ook niet in goede aarde. Even leek het te ontaarden in zo'n onvermijdelijke "f*ckit" list die iedereen tegenwoordig schijnt te hebben, maar na nog een biertje kwamen daar dan toch de "dingen" te staan waar het werkelijk om gaat in het leven. Althans in ons leven. Na wat husselen en groeperen, hangen we er een tijdsplaatje aan zelfs enkele aktiepunten. En voila, daar ligt een heel acceptabel plan waar we weer een paar jaartjes mee vooruit kunnen. Er zijn nog wel een aantal vraagtekens en open einden, maar dat houdt het flexibel en spannend. We zijn blij dat we in ieder geval weer een doel hebben en niet stuurloos rondzwerven. Al was het alleen maar om te voorkomen dat we ongemerkt opgenomen worden in het legertje van onaangepasten en rustelozen, dat het ontbreken van een doel in het leven verwart met ultieme vrijheid.

 

Waardeloos?

 

"Hoe zijn we eigenlijk aan Bonaire gekomen?", vraagt Harry. "Gewoon gejat, de oorspronkelijke bevolking uitgeroeid of verdreven en toen slaven hierna gebracht?" Bijna goed, maar voor het smerige werk hebben we wel een beetje hulp gehad van de Spanjaarden en Engelsen. In 1499 landde Amerigo Vespucci hier als een van de eerste Europeanen. Ze noemden de ABC eilanden Islas Inutiles (waardeloze eilanden) omdat ze er geen goud vonden en het land volkomen ongeschikt was voor landbouw. De oorspronkelijke Indianenbevolking werd afgevoerd naar Zuid-Amerika om daar als slaaf te gaan werken. Ze werden vervangen door veroordeelden en krijgsgevangen die in het midden van het eiland, veilig voor piraten, de nederzetting Antriol stichtten. Het eiland werd niet gekoloniseerd. Wel introduceerden de Spanjaarden ezels en geiten op het eiland. En die lopen hier nog steeds vrolijk rond. De ezels van nu hebben het overigens beduidend beter dan de bevolking toen. Ze zijn beschermd en er is zelfs een opvangcentrum waar je ze voor $7 kunt aaien!

In 1633, tijdens de 80-jarige oorlog, kwamen de Nederlanders ten tonele. De Spanjaarden hadden St Maarten ingepikt en als vergelding namen de Nederlanders toen maar de ABC-eilanden in beslag. Bonaire werd in 1636 op de Spanjaarden veroverd, lezen we. Hoezo veroverd? Op wie? Gevangenen en ezels! Het "waardeloze" eiland werd vervolgens onder bestuur gesteld van de West Indische Compagnie en deze importeerde een klein?! aantal slaven die samen met de gevangenen tewerkgesteld werden in de landbouw (hout en mais) en zoutwinning. Ook werd er een fort gebouwd, fort Oranje. Dat weerhield de Engelsen er niet van om tijdens de Napoleontische oorlogen twee keer Bonaire te veroveren. Tijdens die Britse periode kwam er een groot aantal blanken naar het eiland en die bouwden er een nederzetting aan de kust, Playa, het latere Kralendijk, een verbastering van Koralendijk. In 1814 werd het eiland weer aan Nederland teruggegeven. Op 30 september 1862, de dag van de Emancipatie oftewel de afschaffing van de slavernij, werden er 600 overheidsslaven en 150 prive slaven bevrijd. Het land en de zoutpannen werd verkocht en kwam in handen van 2 grootgrondbezitters die het leven van de bevrijde inwoners nog steeds zuur maakten. Veel inwoners moesten gedwongen vertrekken naar Aruba, Curacao of Venezuela. Op de zuidpunt van het eiland, bij de zoutpannen, staan nog steeds een aantal slavenhuisjes. Je kunt er niet lang uit in liggen en de deuropening is met opzet zo laag gehouden om vluchten te ontmoedigen. Vluchten? Waar naar toe?
En hoe is het nu? Dat ligt eraan aan wie je die vraag stelt. Wanneer minister Plasterk in aug een afscheidsbezoek brengt aan Bonaire, raak ik per ongeluk verzeild tussen een groep boze burgers met spandoeken met daarop teksten als "minder Makambas", "stop Nederlandse apartheid", "wij willen geen 2e rangs burgers zijn". Als enige "Makamba" op het plein, raakt het me. Maar helemaal verbaasd ben ik er niet over. Je hoeft het opgepoetste Kralendijk maar te verlaten om de armoede te zien in het binnenland die schril afsteekt tegen de leuke pandjes aan het water waar de Nederlanders leven. En als ik de prijzen in de supermarkt zie, die toch zeker 40% hoger liggen dan in Nederland, vraag ik me of hoe een gezin in Rincon daarvan kan leven. Niet dus. Volgens een onderzoek van het onafhankelijke NIBUD leeft een groot deel van de Bonairianen onder de armoede grens. Om gewoon te kunnen leven heeft een alleenstaande volgens het Nibud $1400 nodig. Een gezin met kinderen meer. Het minimumloon is $4,65 per uur, $800 per maand. De AOV is $600 per maand. WW kennen ze niet. Een Onderstand-uitkering is $500 pm. Dat zijn wij hier alleen al kwijt aan boodschappen! Ik luister naar James Finies, de voorman van de actiegroep "Nos ke Bonaire bek" (geef ons Bonaire terug). Hij vindt dat Nederland met 2 maten meet. Wel meteen het Nederlandse belastingstelsel invoeren maar niet de sociale uitkeringen en pensioenen aanpakken. Ook vindt hij het slecht dat een Nederlandse elite hier de dienst uitmaakt. Meer of minder Makambas? In Nld wordt je daarvoor aangeklaagd.

Lang niet iedereen is het met hem eens. En de werkelijkheid ligt uiteraard zoals altijd iets genuanceerder. Er wonen 20.000 mensen op Bonaire. In 2001 had 85% de Nederlandse nationaliteit maar was slechts de helft er geboren. Na 2010 is de samenstelling veranderd. Er zijn nu 40 nationaliteiten op het eiland. De meesten zijn afkomstig uit andere ABC eilanden, Venezuela en Dominicaanse Republiek die hier een beter leven hopen te vinden. Minder dan 10% is afkomstig uit Nederland. Maar deze minderheid is in het algemeen wel beter af dan de rest. Het betreft voor een deel ambtenaren die hier als expats tijdelijk uitgezonden zijn en voor hetzelfde werk meer verdienen dan hun locale collegas. En wat wij zelf iedere dag zien is dat bij de duikscholen uitsluitend internationale jonge mensen op tijdelijke contracten werken. En die krijgen voor een leuke vakantiebaan wel $1350,- per maand. En dat steekt.

Wel is er sinds Bonaire een "bijzondere gemeente van Nld" werd, veel vooruitgang geboekt mn op het gebied van onderwijs en zorg waarbij wel degelijk rekening is gehouden met de minderbedeelden. Zo kennen ze hier geen eigen bijdrage, betalen ze geen 21% BTW en is de kinderbijslag ingevoerd. Ik kreeg zelfs de indruk dat de meeste mensen niet eens zozeer tegen Nld stonden te demonstreren maar tegen hun eigen locale overheid, de eilandsraad. Dit is nu al de 5e nieuwe regering binnen 2 jaar. Met zoveel politieke instabiliteit kun je toch ook geen land besturen? Bovendien schort het nogal eens aan onderling vertrouwen en openheid. Zo klagen de mensen dat Nederland niets doet aan het slechte wegennet terwijl er 9 miljoen beschikbaar was gesteld die de locale overheid heeft besteed aan het opknappen van de haven.

Het lijkt me, zeker nadat we de effecten van de Engelse en Franse ex-koloniale bestuursmodellen in deze regio gezien hebben, dat het concept van "bijzonder Nederlandse gemeente" nog niet zo slecht is. Het heeft tijd nodig om verder te groeien en juist dat "bijzondere" biedt veel mogelijkheden om aan de speciale behoeften van de eilanders tegemoet te komen en om de baten en lasten beter in balans te brengen. Maar dan moet er wel vertrouwen zijn en gepraat worden. En vooral daarom neem ik het minister Plasterk kwalijk dat hij niet even naar buiten kwam om de mensen aan te horen en een petitie in ontvangst te nemen. Want de echte boosheid ontstond pas toen hij er geniepig via de achterdeur tussenuit piepte. Wat een gemiste kans!

En uiteraard kwam er een vertekend negatief beeld van deze manifestatie op TV tijdens het NOS journaal en Nieuwsuur. In een tijd waarin Nld zich niet afvraagt "Hoe komen we eraan?", maar de rechtse politiek zich vooral bezig houdt met "Hoe komen we er af!".

 

En zo komen wij het orkaanseizoen wel door

Niets is gemakkelijker dan duiken op Bonaire. Vooral als je met je eigen boot pal voor de duikschool ligt met in je achtertuin het koraalrif. Vrijwel iedere dag laten we onze duikflessen vullen en gaan er met de dinghy of de Zwerver op uit. Soms met zeilvrienden, meestal met z'n tweetjes. In het locale suffertje lazen we een interview met Amerikaanse wetenschappelijke onderzoekers die beweerden dat binnen 15 jaar grote delen van het koraal in de Carieb dood of verdwenen zullen zijn vanwege klimaatverandering en vervuiling. Wij geloven er geen sikkepit van! Hier op Bonaire is daar in ieder geval niets van te merken. Wij zien wel eens stukken afgebroken koraal, daar waar lokale vissers hun anker, of liever gezegd, hun steen uitwerpen of daar waar een illegaal mooringblok in de afgrond is gestort. Zo ver wij het kunnen beoordelen ziet het koraal er nog steeds prachtig uit. En er is een grote hoeveelheid en varieteit aan vis te zien. Ook zien we bloeiend koraal en nieuwe uitlopers. En daarom hebben wij er ook geen problemen mee dat we $10 per dag voor een mooring moeten betalen. En $25 voor een parkvergunning om te mogen duiken. Het geld wordt oa gebruikt voor voorlichting op basisscholen. Dive Friends Bonaire organiseert met enige regelmaat onderwater-opruim-duiken en voorlichtingsavonden over mn de schildpad die op Bonaire z'n eieren komt leggen. Goede zaak!

 

"A gentleman doesn't go into the wind"

"Een hele goede morgen op deze dolfijne dinsdag", roept Wakkere Joris van Dolfijn FM. Ik kan zijn enthousiasme vandaag niet echt delen want in plaats van een toast uit te brengen op mijn verjaardag die we op St Maarten dachten te vieren, zit ik nu op Bonaire met twee bezwete mannen verhit te naaien in de kajuit. "Goh, nu wordt het eindelijk eens interessant", hoor ik een aantal lezers denken, dus laat ik er meteen maar bij vertellen dat ik achter een naaimachine zit en die twee mannen 50m zeil in goede banen proberen te leiden. Het achterlijk van de genua ligt eraf en op 4 plaatsen is de beschermende UV strip losgescheurd. Hoe kon dat nu gebeuren? Hebben we misschien storm gehad of zo?

"Beter dan dit wordt het niet" zegt Ton van zeiljacht True Blue die het traject Bonaire - St Maarten de laatste 8 jaar ieder seizoen rond deze tijd van het jaar weer aflegt. "Als je wacht tot de passaatwind zich gesettled heeft dan lukt het niet meer om er tegenin te varen". St Maarten ligt "Bovenwinds". De rechtstreekse koers is 50 gr NO, de wind is zwak tot matig uit oostelijke richting, soms een paar graadjes erboven, soms een beetje eronder. Wij kunnen niet zo scherp aan de wind varen dus dat wordt slagen maken. Het plan is om eerst met behulp van de motor zo ver mogelijk oostelijk proberen te komen in de hoop daarna in 1 lange slag naar St Maarten te zeilen.

Al snel blijkt dat "oostelijk komen" niet zo bijster te lukken. Door de stroom en de golven worden we te veel weggezet. We veranderen van taktiek. Als de wind een beetje noord van oost zit maken we een slag in zuid-oostelijke richting en zodra er een zuidelijke component in de wind komt gooien we de zeilen over de andere boeg. Na 20 uur aanmodderen maken we de balans op: we hebben effectief nog geen 65 mijl afgelegd en dreigen over 4 dagen in St Croix op de Britse Maagdeneilanden uit te komen. Als we dat al halen want het ziet er niet naar uit dat we uberhaupt nog kunnen zeilen en dan kon het wel eens zijn dat we niet eens genoeg diesel hebben. Nog 400 mijl te gaan! We vragen ons af waar we in hemelsnaam aan begonnen zijn. Wie wil er nou dagen achtereen motoren terwijl je zeilen hebt? Wij niet! "A gentleman doesn't go into the wind" zegt Harry humeurig. "We zetten de motor uit en zien wel waar we uitkomen". Puerto Rico dus, en dat maar liefst met een snelheid van 2.5 knopen! Dat wordt 'm dus ook niet. Grrrr! De beslissing is snel genomen. "OK, grootschoot los, we keren om!" En terwijl we heerlijk relaxed met een snelheid van 5.5 kn voor de wind de vuurtoren van Bonaire voor de tweede keer passeren, zien we in het licht van de volle maan de troosteloze flarden in de genua. Geschavield langs de stagen, telkens wanneer de Zwerver met z'n neus de golven in dook. Wat ontzettend dom. Dit doen we dus nooit weer! We gaan over op plan Z...... van ZEILEN!!!

 

Van ons bed gelicht in Kingston

Tegelijk zitten we rechtop in bed. Wakker geschrokken van iets. Dan horen we het weer: een motorbootje komt langzij, stemmen, er wordt iets geroepen. Het duurt even voor het doordringt waar we zijn. De afgelopen 4 dagen hebben we op zee doorgebracht. Fantastisch gezeild, mooie wind, continu 6 knopen en heel belangrijk: nul motoruren. Tegen middernacht liepen we de grote commerciele haven van Kingston binnen waar we vlak voor de Royal Jamaica Yacht Club het anker lieten vallen en na een slaapmutsje tevreden te kooi gingen. Kingston, nou niet bepaald een stad met een goede reputatie. Verdorie, nee he, niet weer! Op dit soort momenten neemt de schrik het over van het verstand. Terwijl ik het bed uit vlieg, klaar om de confrontatie met de nazaten van Henry Morgan en Captain Black Beard aan te gaan, zet Harry de situatie in het juiste perspectief. "Het is waarschijnlijk de kustwacht die onze marifoonoproep met de havenmeester heeft opgevangen". Bijna goed. Even later zitten we in onderbroek en een inderhaast aangeschoten T-shirt, met twee allervriendelijkste grijze heren van de quarantainedienst zonder uniform maar met een knalrood ouderwets dik reddingsvest om, aan de tafel. Ze komen controleren hoe het met onze gezondheid gesteld is en of we geen over-de-datum etenswaren aan boord hebben. "Mag ik uw gele inentingsboekje zien? Ingeend voor gele koorts? Hebben jullie een holdingtank? Brengt u plantaardige producten het land in?" Even dreigt het gesprek helemaal de verkeerde kant op te gaan. Maar gelukkig blijken de authoriteiten meer geinteresseerd te zijn in het papierwerk en maken ze geen aanstalten om eea te checken. "OK, let op, dit is belangrijk", zegt senior. "Wij noteren nu de tijd, 01.19 uur, mee eens?" Eh..... ja, maar waar gaat dit in hemelsnaam over? Nog steeds een beetje slaapdronken laten we het geheel gelaten over ons heen komen. "Hebt u misschien een schaar voor mij, het papier is een beetje nat geworden, dan knip ik dat er even af. Dit is uw copie, dit moet u morgenochtend doorgeven aan de douane en immigratie. Welkom in Jamaica en ik wens u verder een goede nachtrust". Als we het gestempelde formulier nader bekijken, blijkt het op de tijdsnotering na, helemaal leeg te zijn!

 

Morgan's Mug

Met de schoolbus van de Caribbean Maritime University, tussen giebelende officieren-in-spe, gaan we naar Port Royal, ooit het beruchtste piratennest van de wereld, thuishaven van oa Henry Morgan en Captain Blackbeard. De goed onderhouden weg, aangelegd door "them Chinaman", gaat na het vliegveld over in een hobbelweg vol gaten en kuilen. Zowel links als rechts van ons zien we mangroves waar het barst van de reigersoorten en daarachter zee. We passeren onze ankerplek maar de Zwerver is zowel vanaf land als vanaf zee gelukkig niet te zien. En dat is exact de reden dat maar liefst 1500!! piraten in de 17e eeuw Port Royal als uitvalsbasis kozen om vandaar de goud- en silvervloten van de Spanjaarden te onderscheppen of aanvallen te ondernemen op Spaanse handelssteden. Dat deden ze overigens met een vrijbrief van de gouverneur. Voor Jamaica, toen nog een suikerplantage in ontwikkeling, was de buit een noodzakelijke aanvulling van de staatskas.
We stappen uit bij Fort Charles, een niet indrukwekkend en slecht gerestaureerd fort dat gedeeltelijk gebouwd is onder toezicht van Captain Morgan. Er is een klein museumpje bij waar een schoolklasje met 20 drukke 6 jarigen uitleg krijgt over slavernij. "These slaves were very privileged to work here, with the best tools in the most beautiful place in the Caribean", horen we de gids zeggen. Gelukkig wordt de aandacht van de kinderen afgeleid door een reusachtig kanon. Na een half uurtje geloven we het allemaal wel en gaan we in het stoffige gehucht op zoek naar een koud drankje. Een terrasje vinden we niet, wel een leuk oud kerkje maar de deur is op slot. Terwijl we door de ramen staan te gluren worden we betrapt door de overbuurman. "Charmaine, show them visitors our church". Een goedlachse stevige mevrouw hijst zich met een zucht uit het verroeste campingstoeltje omhoog en komt even laten aan sloffen met de sleutel. Het kerkje is in alle opzichten een positieve verrassing. Het blijkt opgedragen te zijn aan Engelse zeevarenden. In het midden staat een indrukwekkend orgel waarvan het houtsnijwerk glimt van de boenwas. Een zijdeur opent naar een pittoresk kerkhof waar de grafstenen de geschiedenis van Port Royal vertellen.

"Charmaine, did you show them visitors Morgan's Mug?" Onze gastvrouw opent een deur naar een klein parochiezaaltje. Daar uit een zelfgetimmerde kast, naast de thermoskan en koffiekopjes, haalt ze een antieke scheepskist te voorschijn. Dit is niet te geloven: in die kist zitten 3 massief zilveren eucharistie voorwerpen. Trots houdt ze de wijnkan omhoog: "Morgan's Mug, daar dronk hij zijn wijn uit". Rum lijkt ons waarschijnlijker. En waarschijnlijk heeft ie dit zilverwerk gestolen uit een andere kerk in Portobello of Cuba, aan het eind van zijn leven berouw gekregen en het toen maar geschonken aan het kerkje in Port Royal. Dit is een museumstuk! Wat is er eigenlijk geworden van Henry Morgan? Ligt ie hier ergens begraven of is ie naar Engeland gebracht? Charrmaine haalt haar schouders op: "I think he called it a day".

Sir Henry Morgan was aan het eind van zijn leven een vermogend man met 3 suikerplantages en 130 slaven. Als ervaringsdeskundige was hij de aangewezen persoon om Jamaica te adviseren in militaire zaken. Hij is zelfs nog een tijdje gouverneur van Jamaica geweest. Morgan stierf aan de drank en zijn begrafenis op Jamaica werd bijgewoond door zowel Engelse hoogwaardigheidsbekleders als de elite van de piraterij. Het verschil was overigens niet altijd even duidelijk. Drie jaar later werd Jamaica getroffen door een zware aardbeving en is 3 kwart van Port Royal, inclusief het kerkhof, in zee gezakt. Alles schijnt nog in takt te zijn, een soort onder-water-Pompei. Het lijk van Captain Henry Morgan is nooit gevonden maar zijn geest leeft voort in de fles.

 

"Them CIA, them kill Bob Marley!"

Via de zuidkust scharrelen we op ons dooie gemak in westelijke richting. Het kan ons eerlijk gezegd niet zo bekoren. Er is te weinig wind om de zeilen lekker bol te houden en aan het einde van de dag moeten we altijd weer de motor bijzetten willen we voor het donker een ankerplek bereiken. De ankerplekken bieden maar matige beschutting en zijn ook niet erg attractief. We dachten dat de "keys" in Portland Bight misschien wel aardig waren, maar de eilanden liggen aan een grote scheepvaart route en op steenworp afstand van een lelijke havenstad met fabrieken. Bovendien gebruiken locale vissers de Keys als hun lunchkamp waar ze met netten op aas vissen. Het strand ligt vol met plastic, touw en piepschuim. De enige plaats aan de zuidkust die de moeite waard is, is Blackriver. We varen 'snachts de baai binnen en laten gewoon maar ergens op ruime afstand van het dorp ons anker vallen. Uitslapen is er niet bij. Om 7 uur worden we gewekt door drie mannen met machinegeweren. De kustwacht. Ze zijn erg aardig, komen niet aan boord maar willen alleen maar even onze papieren controleren en een praatje maken. Uiteraard komt het gesprek al snel op Bob Marley. Of wij het laatste nieuws al gehoord hadden? "Them CIA, them kill Bob Marley, ja man!" Wij weten niet beter dan dat de beste man gestorven is aan kanker. "No Man! They put a pin in his shoe and the poison got in his leg". Liep Bob Marley dan op schoenen? "Ja man, you don't believe me! It's on social media, so it's true. Same with Michael Jackson. Them CIA kill everybody who becomes to popular".

 

Back stage met Rasta Robbert in Blackriver

Op aanwijzing van de kustwacht parkeren we de Zwerver pal voor hun station. Altijd fijn dat er iemand op ons let. Daar hadden we ons geen zorgen over hoeven te maken, want zodra we voet aan wal hebben gezet ontmoeten we Rasta Robbert die zich opwerpt als onze persoonlijke lijfwacht. "Everybody knows me, nobody will touch you". Hij draagt witte sokken onder een te korte joggingbroek, een gouden oorbel en leren race handschoentjes. We mogen geen foto van hem maken. "I have to protect my identity". Als de rondleiding langs de kerk, politiebureau en supermarkt erop zit vraagt Robbert: "Wanna buy marihuana?" Nou nee, lijkt ons geen goed idee. Maar we willen wel ergens een biertje drinken. "OK, let me show you something Jamaican ". We kunnen nog steeds niet goed inschatten of we nu met de locale dorpsgek of een oplichter te maken hebben, maar omdat we toch niets anders te doen hebben sjokken we maar gewoon achter hem aan. In een achteraf gedeelte van het dorp gaat hij een krottenwijk binnen. We kijken elkaar even aan. Dit soort buurten vermijden wij doorgaans. Maar we dragen slippers en oude kleding en hebben geen waardevolle spullen bij ons. En stiekem zijn we best wel nieuwsgierig. We volgen hem door een wirwar van nauwe gangetjes tussen hutjes van ruwe houten planken, verroeste golfplaten en stukken gescheurd zeil. Het stinkt er naar urine en verrot eten. Ergens huilt een kind, een schelle vrouwenstem roept iets onverstaanbaars. Aan het einde van een doodlopend steegje schuift Robbert een vuil gordijn opzij en gaan we een hutje binnen . We bevinden ons in een soort gogo-bar waar twee donkere gespierde mannen behangen met goud ons argwanend aankijkend. In de hoek staat een tafel met dominostenen en als ik ze begin te husselen bromt een van de zware jongens verveeld "you wanna play?" OK, waar spelen we om? Drie rondes later heb ik 3 coladopjes en hun "R.E.S.P.E.C.T." gewonnen.

Blackriver ligt aan de monding van de gelijknamige rivier die zo genoemd is vanwege de kleur van het water. Eigenlijk is dat niet correct want het water is wel degelijk helder maar lijkt zwart, of eerder donker rood door de pigmenten van de mangrovewortels. Vroeger werden die wortels gebruikt om muren en textiel te verven. Nu mag dat niet meer. De hele delta is beschermd natuurgebied. De inkomsten komen nu voornamelijk uit toerisme en een klein beetje uit visvangst. Met George, een echte rastafaria, maken we een jungle tourtje in een klein vissersbootje. We gaan op het heetst van de dag want dan is de kans om krokodillen te zien het grootst. George weet precies waar ze zitten wat ons doet vermoeden dat die dieren daar gevoerd worden. Het is een prachtig natuurgebied. In de rietkragen en mangrovebossen zien we tal van reigersoorten. Af en toe passeren we een crabvisser die zijn fuiken inspecteerd. Op open plekken drijven enorme eilanden van waterlelies en waterhyacinten. De rivier heeft oneindig veel vertakkingen waar je gemakkelijk de weg kwijt kunt raken. Maar George kent het gebied op z'n duimpje en zet ons na een heerlijke middag weer keurig af bij de visserijhaven.

 

Bloody Bloody Bay

"This should be called "Paradise Lost Bay" as it is so beautiful that is makes your head spin. White sand beaches and a very protected anchorage with pristine waters to swim in". Zo omschrijft Frank Virgintino in the Free Cruising Guide onze volgende bestemming. Dat belooft wat! Eindelijk een plek die wellicht de moeite waard is om iets langer te blijven.... Nou, nee dus. Bloody Bay is een groot toeristisch circus. De hele baai is volgebouwd met hotels in een kitscherige stijl van "duizend-en-een-nacht" met boogjes en torentjes. Waterscooters, catamarans en glasbodembootjes scheuren in grote snelheid voorbij. Rood verbrande toeristen liggen rij aan rij op een stretcher onder een parasol. In het resort links van ons horen we de entertainer allerlei aanmoedigingskreten roepen om de gasten in beweging te krijgen en rechts van ons vinden maar liefst 2 trouwerijen plaats. In het midden staan welgeteld 62 kraampjes met "made-in-China" prullaria. Het strand is afgezet met een groot hek. Verboden toegang voor Jamaicanen. Rond een uur of zes lijkt het rustig te worden. Maar dat duurt maar even. Tot diep in de nacht vermengen de disco dreunen zich met het false gejank van de karaoke zangers. Wat een afgang. Amerikaanse cruising guides zouden verboden moeten worden. Maar ja, een gegeven paard.....We nemen niet eens de moeite om de dinghy te water te laten. Bij het eerste daglicht halen we ons anker op en laten we bloody "Bloody Bay" voor wat het is.

Daar worden we nou depri van!

Er nadert een koufront uit Amerika en dat brengt harde noordelijke winden. We hebben nog een dag om een beschutte plek te vinden maar die is er niet aan de westkust. Dat is jammer want deze kust is bijzonder mooi. Er zit niets anders op dan in een ruk door te varen naar Montego Bay waar we toch naar toe moesten om uit te klaren. Zodra we de lelijke flatgebouwen en grote containerhaven van Montego Bay in het zicht krijgen, hebben we al weer zin om rechtsomkeer te gaan. Met tegenzin zoeken we een ankerplekje in het kommetje tussen de jachtclub en de cruise terminal. Dat valt niet mee want het ligt vol met grote charter catamarans die ook nog eens aan een mooring liggen waardoor ze een kortere draaicirkel hebben dan wij. Ook wordt het snel ondiep en aan de drie wrakken te zien kon er ook wel eens van alles en nog wat op de bodem liggen. Net als we denken dat we redelijk goed liggen, meren er maar liefst 2 grote cruise schepen naast ons af. Ze komen akelig dicht bij maar het kan net. Er komt een tankboot langzij en er gaat duidelijk iets mis. Een paar honderd liter diesel stroomt onze kant uit en beneemt letterlijk onze adem. Getver! Als het koufront komt blijkt ook nog eens dat de golven zo de haven binnen rollen. Ze worden deels gebroken door een rif waardoor het net niet echt gevaarlijk wordt, maar wel uiterst onaangenaam. We besluiten ankerwacht te houden. Als we de volgende ochtend van boord gaan hebben zowel de steiger als verscheidene jachten schade opgelopen en moeten wij $10 pp/pd voor deze geweldige ankerplek betalen. En daar krijg je nog niet eens een warme douche voor!

En oh ja, ook hier worden we 'snachts wakker gehouden door luide muziek, als je dat agressieve geschreeuw van gefrustreerde jonge Jamaicanen tenminste muziek wilt noemen. "Dance Hall" is duidelijk niet onze smaak maar de teksten zijn ronduit walgelijk en haatzaaiend: "fuck the white, kill them all because they're light". Dat mag en heet vrijheid van meningsuiting of musicale expressie. Het lijkt me dat de Black Awareness beweging nu toch wel een beetje aan het doorschieten is.

Het slechte weer houdt een paar dagen aan. We vervelen ons het luplazerus en gaan de stad in. Ook dat wordt geen succes. Nu er 2 cruiseschepen liggen vragen de taxichauffeurs opeens $10 voor een ritje wat normaal $2 kost. De stad heeft absoluut niets te bieden. De straten en het trottoir zijn kapot, overal liggen bergen afval en alle winkels verkopen dezelfde goedkope Chinese rommel achter gevels met tralies. Een leuk eettentje vinden we niet. Zodra we ergens blijven staan worden we belaagd door iemand die met alle geweld met ons mee wil lopen en ons de toeristenstalletjes wil laten zien. "A don't mis" volgens diezelfde Amerikaanse cruising guide. In een grote Amerikaanse shoppingmall doen we voor recordprijzen onze boodschappen en in een even deprimerende Amerikaanse hamburgertent zittten we rillend in een airconditioned ruimte een klef broodje te eten. In de locale krant lezen we dat het aantal moorden in Jamaica gestegen is van 1000 in 2016 naar 1500 in 2017. We zijn het poepzat en vragen ons af wat al die toeristen hier in godsnaam te zoeken hebben.

 

Cuba, vier jaar later

 

Normaal gesproken maken we er geen gewoonte van om terug te gaan naar een bestemming waar we al eerder geweest zijn. Waarom niet? Enerzijds omdat we altijd nieuwsgierig zijn naar het onbekende maar ook omdat het de tweede keer toch meestal anders is dan in je herinnering. Een geslaagd feestje moet je niet willen herhalen. Maar vanwege de west-zettende stroming en oostelijke wind in het Caribisch gebied zijn de keuzes beperkter dan je in eerste instantie zou denken. Tenminste als je wilt zeilen dan. De meest zuidelijke route vanaf de ABC via Colombia en Panama hebben we zojuist in omgekeerde richting gedaan en de meest noordelijkste via Puerto Rica en de Bahamas laten we schieten vanwege de verwoestingen die orkanen Irma en Maria hebben aangericht maar ook omdat daar in dit jaargetijde met z'n koufronten weinig beschutting is. En om een af andere reden trekken die Bahamas ons ook niet. Dan kom je dus als snel uit op Cuba. Is dat erg? Ach welnee, het is alweer 4 jaar geleden dat we er waren. We zijn wel benieuwd hoe het er is na de dood van Fidel en de toenadering van Obama. Ook verheugen we ons op de lekkere kreeft en garnalen.

Hoezo ankerplek is gesloten?!

De zee is nog een beetje ruw en de wind iets harder en noordelijker dan de voorspelling. Niet zo geschikt om een tussenstop te maken op de kleine Cayman eilanden. Je schijnt er fantastisch te kunnen duiken maar de ankerplek is niet erg beschut op open zee. Niet getreurd, het is heerlijk zeilweer dus dan maar rechtstreeks naar Cuba. We krijgen gezelschap van dolfijnen en Jan van Genten. Na 48 uur lopen we 'sochtends om 7 uur de haven van Cienfuegos binnen. Net buiten de monding wemelt het van de eenmansvissersbootjes. Ze zwaaien naar ons. We hijzen de Cubaanse gastenvlag en douanevlag maar als we ons anker willen uitwerpen wordt er vanuit de naastgelegen marina heftig gezwaaid en geroepen. We worden gesommeerd in de marina te komen. "The anchorage has been closed for security reasons" zegt de dockmaster. Hoezo gesloten? We willen niet aan zo'n ruwe betonnen steiger. Je betaalt er 0,70 ct per ft, $30 per dag en daar krijg je gratis allerlei ongemak bij. Er staat geen druk op de waterkraan, de dieselpomp is stuk en de electriciteitskastjes hebben het nog nooit gedaan. "Regulacion" zegt ie schouderophalend. Vriendelijk zijn ze wel, maar het woord servicekomt in het socialistisch woordenboek niet voor. De tweede tegenvaller zijn de verdriedubbelde inklaringskosten: CUC75 pp voor een visa en CUC55 voor de boot. Binnen een week zijn we al CUC 400,- kwijt voor niets. En dan hebben wij nog geluk. Boten die na ons komen worden weggestuurd en gesommeerd in te klaren in Cayo Largo 90 mijl verder. Zelfs als ze reparaties willen doen of gasten moeten afhalen van het vliegveld. De marina ligt vol met maar liefst 40 grote charter catamarans die ieder een plek innemen waar 2 of 3 jachten van Zwerver-formaat kunnen liggen. Iets verderop liggen 3 grote cruiseschepen voor anker. Zij wel! Oranje reddingsbootjes varen af en aan om passagiers aan wal te zetten. Het is duidelijk waar de prioriteiten liggen. Cuba heeft het massatoerisme ontdekt en zit niet te wachten op een handjevol buitenlandse jachten.

Dat wordt dan de groenten van Hak

De formaliteiten gaan uiterst snel. Deze keer komt er niemand aan boord voor inspectie.Ook geen snuffelhond. En de lakmoestest met het grassprietje blijft ook achterwege. De havenmeester is een oude bekende. "I remember you" zegt ie grijnzend. Nu we pal voor z'n deur liggen hoeft ie in ieder geval niet meer bang te zijn dat we er illegaal met onze dinghy op uit gaan.

Cienfuegos lijkt op het eerste gezicht onveranderd. Hoewel het een van de oudste en grootste steden van Cuba is, heeft het de relaxte sfeer van een kleine provinciestad. Het is er rustig en relatief schoon. Langs de boulevard zijn nieuwe palmbomen geplant. De oude hebben het loodje gelegd tijdens orkaan Irma. Vrijwel alle huizen in Punta Gorda hebben nu een bordje in de tuin met "kamer te huur". Ook zijn er een aantal leuke "paladores" (prive-eethuisjes) bijgekomen. De arcade met z'n gotische zuilengalerij heeft een nieuw likje verf gekregen. De stoeptegels eronder zitten vol witte spetteres. Al terrashoppend doen we onze boodschappen. Er zijn een aantal nieuwe winkels bijgekomen die opgezet zijn in de stijl van een westers warenhuis en een iets luxere uitstraling hebben, maar waar de schappen nog steeds half leeg zijn en de locale producten er nog steeds vooroorlogs uitzien en van inferieure kwaliteit zijn. Alles wat er een beetje westers uitziet is zwaar overprijst. Zoals een klein blikje doperwten van het Spar-merk voor CUC3,-.

We zijn op zoek naar fruit en groenten. Maar waar we ook kijken, nergens een fruitstalletje te zien.We vragen een fietstaxi waar we moeten zijn voor versvoer. Hij kijkt bedenkelijk. De markt misschien? Maar de markt is ook leeg. Geen kool of wortelen. Zelfs geen tomaatje te zien. Uien en maniok is het enige wat er is. En stapeltjes gedroogde bruine bonen. Bij de uitgang staan jongens van het platteland met strengen knoflook. We vragen wat er in godsnaam toch aan de hand is. Is het misschien niet het juiste seizoen? Is de oogst mislukt als gevolg van de orkanen? Volgende week is het kerst, de winkels zou barstensvol moeten liggen. De mensen halen gelaten hun schouders op. Met een geforceerde glimlach vertellen ze dat alle fruit en groenten naar Havanna gaan, voor de toeristen. Een Belgische zeiler, ook op zoek naar versvoer, vertelt ons dat er fruit en groenten in overvloed waren in Trinidad, Cuba's nr 1 toeristenattractie. Het is topdrukte deze tijd van het jaar. En toeristen brengen geld in het laadje. In een achterafstraat vinden we eindelijk een paardewagen volgeladen met meloenen en papayas. Het is er dus toch! We vragen de koopman naar de prijs. Maar tot onze verbijstering vertelt hij dat de hele lading zojuist verkocht is. Hij wijst op het huis aan de overkant, een "casa privada". Dit zijn privehuizen die kamers verhuren aan toeristen. We herhalen onze zoektocht nog 5 dagen op verschillende tijdstippen maar komen telkens met een lege boodschappentas thuis. Onze bilges liggen vol met de groenten van Hak. Maar wat eten de Cubanen met kerst?

Shopping on demand

Wat ons direct opvalt in het straatbeeld is het grote aantal trendy geklede jongeren met smartphones. Dat was 4 jaar geleden nog ondenkbaar. Niet alleen omdat die smartphones duur zijn, maar simpelweg omdat er (zeker voor gewone mensen) geen internet was. Nu zijn er op vrijwel alle pleinen in de grote steden openbare wifi hotspots. De kwaliteit is zoals alles in Cuba, ver beneden onze maat en uiteraard zwaar gesensureerd. Niet perfect dus, maar het is er, en Cubanen hebben er weer iets bij waarvoor ze iedere dag geduldig in de rij moeten staan: prepaid-kaartjes. Deze kaartjes zijn voor hen best prijzig, CUC1 per uur, maar een Cubaan is geen Cubaan als ie daar ook weer een handeltje in ziet. Op de zwarte markt worden ze verhandeld met een 50% opslag voor degene die niet in de rij wil staan. Zoals wij. Wat kunnen en wat doen Cubanen ermee? Chatten en fotos uitwisselen met hun familie in de USA. Niet alleen familiekiekjes van kinderen en kleinkinderen, maar vooral van spullen die in Cuba niet verkrijgbaar zijn, zoals merkkleding en electronica. Cubaanse kunnen zo hun verlanglijstje doorgeven en de spullen worden meegebracht als de Amerikaanse suikeroom met de feestdagen op bezoek komt. Een soort "shopping-on-demand". Het lijkt alsof deze jongeren het begin van een Cubaanse middenklasse vertegenwoordigen, met alle hoop en snobisme van dien. Luxe in hun ogen betekent aanzien. Eindelijk kunnen ze zich zichtbaar onderscheiden van de rest. Iets wat 60 jaar lang niet mogelijk was. Het socialisme begint scheuren te vertonen. Materialisme, een van de grootste symptomen van armoede, steekt de kop op.

Die smartphones kun je in Cuba bij Etexa (het internetstaatsbedrijf) kopen maar het aanbod is beperkt en het simpelste model kost CUC 250,-. Een Amerikaans model (zoals mijn Galaxy tablet) werkt in Cuba niet. Interessant trouwens dat Samsung zich daarvoor leent. Maar Cubanen zijn inventief en met de komst van internet verschijnen er ook kleine telefoonreparatiebedrijfjes die een gat in de markt hebben gevonden met het ombouwen van de Amerikaanse modellen. Mijn smartphone is al een tijdje kapot en in zowel Nld als Curacao kreeg ik te horen dat die niet gerepareerd kon worden. Dat laat een Cubaan, trots als ie is, zich geen twee keer zeggen. Een hele aardige snelle jongen met afzakbroek legt ons precies uit wat er aan de hand is en heeft ook nog eens de originele onderdelen voor mijn MotoG. We kunnen er op wachten en voor CUC10,- (voor ons een prikkie, voor hem een buitenkansje) zijn we weer van deze wereld. We vragen hem hoe hij in godsnaam aan die onderdelen komt. Die haalt een vriend van hem uit Panama. Het is al lang niet meer zo dat reizen naar het buitenland voorbehouden is aan de elite of bepaalde beroepsgroepen. Iedere Cubaan met familie in het buitenland (en dat zijn er veel), maar ook iedere Amerikaanse Cubaan met een Cubaans geboortebewijs, mag ieder jaar op "familiebezoek" en 125kg aan spullen meebrengen zonder dat dit belast wordt. Er gaat tegenwoordig zelfs een rechtstreekse vlucht van Florida naar Havanna. Een jaar geleden vloog ik met m'n moeder van Panama naar Havanna en wij waren de enige niet-Cubanen in het vliegtuid. Het duurde uren voordat wij onze bagage hadden want eerst moesten alle flatscreens, computers en balen vol merkkleding en sportschoenen uitgeladen worden. Dit zijn dus verkapte zakenreisjes om het handelsembargo te ontlopen die door de overheid toegestaan en gestimuleerd worden. Zoals elders in de wereld gaat het er hier dus ook om welke contacten je hebt!

Het is weer om te genieten!

Via de zuidkust zeilen we met mooie meelopende winden op ons gemak in dagetappes richting Havanna. Waar we 4 jaar geleden af en toe nog de bodem kustten omdat onze C-maps kaarten niet helemaal correct waren, kunnen we nu volledig vertrouwen op Navionics. Het is heerlijk weer. Zonnig, maar niet zo heet en broeiering als in de zuidelijke Carieb. 'sNachts koelt het af tot een graad of 20 waardoor je ook weer lekker slaapt. Er zijn dolfijnen, schildpadden, leguanen en.... vissers! We ruilen bier, rum, t-shirts, petjes en vislijn voor kreeft en zeebaars. Zij blij, wij blij. Wat een feest. Het is nog vroeg in het seizoen met kans op koufronten met harde noordelijke winden. Daardoor hebben we de ankerplekken vrijwel altijd voor ons zelf. Uitzondering is Cayo Largo. Daar barst het van de charter catamarans die iedere dag een stuk of 50 toeristen op hetzelfde stukje strand afzetten en die allemaal dezelfde fotos maken en iedere avond met luide muziek de zon in de zee zien zakken. En tot onze verbijstering horen we van een andere zeiler, die zich wel braaf gemeld had bij de authoriteiten, dat je in Cayo Largo CUC 0,30,- per ft/dag (CUC12,-) moet betalen om achter je eigen anker te mogen liggen. Dat hebben ze vast van buurland Jamaica overgenomen. Alleen kreeg je er daar nog enigzins een service voor. Voor ons weer een reden erbij om voor de kleinere, ongerepte onbewoonde eilandjes te kiezen. Maar hoe lang nog voordat de Cubaanse regering ook de individuele cruiser als melkkoetje gaat zien? Voor "Las Jardines de la Reina", een archipel ten oosten van Cienfuegos, schijn je nu al een speciale cruising permit te moeten hebben.

Branding surfen

Onze beschermengel reist nog steeds met ons mee. Hij of zij moet over een flink portie geduld beschikken want na 15 jaar halen we nog steeds stommiteiten uit. Op het laatste stuk langs de westkust van Cuba naar Havanna worden we getracteerd op een front dat vanuit de Golf van Mexico onze kant uitkomt. Dat levert prachtige zonsondergangen met bizarre wolkenformaties op, maar brengt ook stevige NW winden, 7Bf. Maar omdat wij een oostelijke koers varen is dat in ons voordeel. Waar we geen rekening mee hadden gehouden was de Golfstroom. Wij dachten dat die hier nog niet sterk zou zijn, maar we lopen met dubbel gereefd zeil nog steeds 8 knopen. Het is heerlijk zeilen, maar we komen zo veel te vroeg aan in Havanna. Waar we ook geen rekening me hadden gehouden, is dat marina Hemingway tussen zonsondergang en zonsopgang gesloten is. Welke haven is er nu 'snachts gesloten?! We komen veel te vroeg aan en gaan 10 mijl van te voren maar vast bijliggen en laten ons met 2 knopen in de goede richting op de Golfstroom meevoeren. Als het licht wordt roepen we Marina Hemingway op dat we eraan komen. "Sailing Yacht Zwerver, please proceed to the red/white marker and carefully watch the waves. The channel is clearly marked and deep enough, but if you decide not to enter we can ask Havanna harbour for a special clearance for you". Huh? Hoezo, wat is er dan aan de hand? De zee is ruw maar in diep water heb je daar nauwelijks last van. Maar als we de rood-witte ton naderen en in ondiep water komen is de zee veranderd in een wasmachine met brekers. De Haveningang ligt aan lager wal en die is veranderd in een branding.

Hier gaan wij dus niet naar binnen. En juist toen we dat besloten hadden, was het al te laat om te keren. We worden door de golven opgetild en gaan surfend door de branding. Harry staat voorop en wijst met uitgestrekte arm aan waar de vaargeul zou moeten zijn. Die zie ik dan amper nog want de tonnen verdwijnen af en toe onder de golven. "Hou'm recht, hou'm in godsnaam recht!". Om controle over het roer te houden zet ik de gashendel in de hoogste stand. Twee keer rolt er bruisend een breker onder ons door en de dieptemeter geeft dan in een golfdal nog maar 30 cm onder de kiel aan. Gelukkig komen de golven recht van achter en worden we niet dwars gezet. Op de kade staat het volledige marinapersoneel gebiologeerd toe te kijken. Na tien minuten komen we in rustig vaarwater. Harry staat als een gek te grijnzen en ik zak letterlijk door mijn knieen als de spanning uit m'n lichaam vloeit. Pfff, wat komen we hier weer goed weg! Straks een rustiger weergaatje kiezen als we er weer uit moeten...

Twee dagen later komt er nog een jacht binnen. De zee is dan al een stuk rustiger maar het 2m diep stekende jacht raakt toch met een stevige bonk de bodem. Door orkaan Irma zijn er zandbanken ontstaan aan de westkust. "Oh ja, zegt de havenmeester, dit is niet de eerste keer dat een jacht in de vaargeul de grond raakt". Moet de vaargeul dan niet uitgebaggerd worden? Hij haalt gelaten zijn schouders op.

In de rij

Voordat we de toerist kunnnen gaan uithangen in Havanna, moeten we eerst nog even ons visum verlengen. Je krijgt maar 1 maand als je met de boot het land binnen komt en dat is te krap. Ondanks dat we niet echt getreuzeld hebben, hebben we nog precies 1 dag voor het verlopen is. Dat "even" kun je hier dus wel vergeten. Eerst moeten we ter waarde van CUC25 pp zgn belastingzegels kopen. Bij de bank staan meer dan 50 mensen buiten in de rij te wachten. Er is geen apart loketje of sneldienst voor dit soort simpele handelingen, dus sluiten we maar achter aan. Binnen wachten nog eens 30 mensen. Haast is er niet. De loketdames zitten gezellig met elkaar te keuvelen en eentje doet zelfs haar schoen uit om haar laatste aankoop aan haar collega te laten zien. De klanten wachten geduldig. Niemand zucht of steunt, niemand klaagt, niemand verheft z'n stem. Na 3 uur staan we weer buiten met de zegels. Op naar de immigratiedienst. Daar treffen we hetzelfde tafereel aan. Zeker 50 wachtenden voor ons en deze keer staan we buiten in de regen in de rij. Er is maar 1 juffrouw die klanten helpt. Ze is zwanger en heeft last van ochtendziekte. Na iedere klant moet ze naar het toilet. Vier uur later, met een lege maag en volle blaas, zijn wij aan de beurt. En dan blijkt dat de juffrouw van de bank ons de verkeerde zegels heeft gegeven. Voor niets gewacht! De zwangere juffrouw wuift ons verveelt weg en vertelt ook nog eens dat ons visum nu verlopen is. Ook wil ze onze bootpapieren zien die er niets mee te maken hebben. Wij worden boos en verheffen onze stem. Meteen wordt er gedreigd met de politie. Ik gris het papier uit haar hand en loop weg. Er zit niets anders op dan morgen weer in de rij te gaan staan.....

De informele plundereconomie

Je zult hier maar wonen. Iedere dag in de rij staan. Voor brood (alleen wit), voor een ijsje (alleen chocola wat niet naar chocola smaakt en vanille wat niet naar vanille smaakt), voor vlees (alleen bevroren kip en varken), voor een pizza (wat geen pizza is maar een gebakken boterham met tomatensaus, nepkaas en boterhamworst), voor een hotdog (die nog viezer is dan een echte hotdog), voor de bank (wat geen echte bank is), voor het vullen van je gasfles, voor wifikaartjes, voor de bus, voor bijna alles wat je dagelijks nodig hebt. Wij krijgen er snel genoeg van. Cubanen dus ook. Wat blijkt? Zij betalen andere Cubanen om in de rij te staan. Een expatdame uit Canada vertelt ons dat ze nooit in de rij staat. Ze woont in een chique condominium, heeft een Europese auto, een huishoudster en een tuinman en die worden geselecteerd op hun connecties. Er blijkt bovendien een zeer lucratieve informele economie te bestaan in Cuba. Een economie voor expats, politici en andere welgestelden. Die eten dus wel rundvlees, vis, kreeft en alles wat de regering verboden heeft voor gewone Cubanen. Ze gaan naar chique restaurants en clubs die niet onder doen voor de chiqueste clubs in Europa. En alles wat ze niet in Cuba kunnen krijgen wordt gewoon geleverd vanuit het buitenland. Niks handelsbarrieres. In de rij bij de immigratiedienst legt een Amerikaanse Cubaan uit dat het niet alleen een questie van geld is. Het ligt genuanceerder. Om te kunnen overleven in Cuba moet je connecties hebben tot 2 groepen. De ene groep zijn de "nieuw rijken", de handige jongens die altijd alles voor geld kunnen regelen. Illegaal, via smokkel en diefstal. De andere groep zijn de "Castro-aanhangers", partijleden op allerlei niveaus die nog steeds trouw geloven in de revolutie (of jou dat willen doen geloven). Beide groepen moet je te vriend houden en op een bepaalde manier paaien. De een voor goederen de ander voor diensten. Maar maak vooral niet de fout om de verkeerde groep aan te spreken. Met name de revolutie-aanhangers, een uitstervend ras maar wel eent je die zich wanhopig vastklampt aan de macht, zijn de grootste matennaaiers die er zijn. Als je betrapt wordt met een pondje rundvlees draai je nog steeds de bak in. De gewone Cubaan die geen deel uitmaakt van deze informele economie heeft zo z'n eigen manier om zijn tekorten aan te vullen: stelen van je werkgever. In Cuba is dat de staat. Het gebeurt op alle fronten en op grote schaal. Het betreft niet alleen eerste levensbehoeften voor eigen consumptie die via achteruitgangen van hotels en restaurants verdwijnen, maar ook sigaren en rum die "van de vrachtwagen zijn gevallen" en op straat doorverkocht worden aan toeristen. Dit land draait op vierkante wielen. Hoe lang nog?

Verkiezingen

Dit jaar, om precies te zijn op 11 maart, mogen de Cubanen naar de stembus om een nieuwe volksvertegenwoordiging te kiezen, die op hun beurt op 19 April een nieuwe president kiezen. Raoul Castro heeft aangegeven zich niet meer verkiesbaar te stellen. Volgens de algemene opinie is de kans groot dat er een niet-Castro aan het bewind komt. Zou dit de eerste stap naar een democratie zijn? Dat valt nog maar te bezien. Als de communistische partij slim is zetten ze dat proces zelf in gang in plaats van het volk zoet te houden met brood en spelen, of erger: met harde hand te onderdrukken en critici het land uit te zetten. Helaas voor de nieuwe generatie Cubanen zijn er weinig indicatoren die wijzen op een liberalisering van het beleid. Raoul Castro mag dan wel aftreden als president, maar hij blijft de voorzitter van de communistische partij en de onofficiele leider van het leger, Cuba's twee machtigste instituten. Dat Cubaanse leger bezit indirect, via het conglomeraat Gaesa, de overgrote meerderheid van bedrijven (hotels, banken, wisselkantoren, vliegvelden, havens etc) die ervoor zorgen dat er harde valuta het land binnenkomt. De economie is dus in handen van het leger. Cuba is, anders dan bv China, dus niet alleen een 1-partijstaat, maar ook een 1-partij economie. De prive sector is klein en zwak. Geld wat door Cubanen in het buitenland wordt opgestuurd, $3 miljard, gaat op aan huishoudgoederen of het opzetten van eenmansbedrijfjes. Niet substantieel genoeg om burgergroeperingen te financieren die een democratisch proces zouden kunnen bespoedigen. Bovendien zitten Castro's zoon en dochter, beide tegenstanders van een liberale politiek, op belangrijke invloedrijke posities binnen het ministerie van binnenlandse zaken. De Castrootjes blijven dus een stevige vinger in de pap houden. Verkiezingen worden door het westen ten onrechte vaak gezien als het begin van een democratisch proces, terwijl dat eigenlijk het sluitstuk zou moeten zijn.

De groenten uit Havanna

Havanna is geweldig. Een bruisende stad waar je niet op uitgekeken raakt. En nu zien we ook voor het eerst waar een deel van het geld dat de staat verdient met toerisme naar toe gaat. Evenals de Cubaanse jongeren, wil ook de staat scoren met zichtbaar succes. Het Capitolio, een kopie van het Amerikaanse kapitool is voor een deel al uit de steigers. Het wordt prachtig. De witte dome, overdag glanzend in de zon en 'savonds sfeervol verlicht, is vanuit iedere straathoek goed te zien. Dit prestigeproject moet volgend jaar nog meer geld in het laadje brengen.

Calle Obispo is niet leuk meer. Deze winkelstraat begint steeds meer op de Kalverstraat te lijken. Je kunt er over de koppen lopen. De bonnenwinkels en meeste staatsrestaurants hebben plaatsgemaakt voor westerse stijl warenhuizen en overprijsde eettentjes met exotische likeurtjes en buitenlandse biersoorten. Een mochitootje (gewoon met rum of met Jaegermeister!) kost er CUC6. Ook zien we Benneton en Adidasboetieks. De 2 klassieke apotheken zijn nu musea geworden, evenals het partijbureau. De echte apotheek heeft lege schappen en lange rijen wachtenden. Nieuw zijn de geldautomaten waar je met je visa of mastercard CUCs kunt pinnen. Hier staan vooral toeristen in de rij. Waar nog meer toeristen in de rij staan, is voor El Bodega de Medio, de bar waar Hemingway altijd z'n mochito of Daiquiri dronk. Knettergek. Hoeveel van die toeristen zouden, behalve "The old man and the sea", een Hemingway titel kunnen noemen? En jawel hoor, waar toeristen zijn vind je ook bedelaars. Zelfs in Cuba.

Het oude centrum is mooi en beslist de moeite waard. Het vertelt je vooral hoe puissant rijk de stad ooit geweest is. En dan begrijp je ook dat er een revolutie kwam. Maar als je wilt weten hoe dat uitpakte voor de Habbaneros, dan moet je naar de volkswijken waar het "gewone" leven zich afspeelt. Of eens goed kijken achter de mooie opgeknapte facades...

En dan wandelen we midden in het centrum plotseling langs een markt afgeladen met groenten en fruit. De prijs staat aangegeven in Cubaanse pesos. Maar als we een kwart watermeloen, een tros bananen en een kooltje willen afrekenen, vraagt de verkoper staalhard CUC10. "Pesos zijn voor Cubanen, toeristen betalen in CUCs", probeert ie ons wijs te maken. Nu zien we ook opeens dat er vlaggen hangen en afbeeldingen van Che Guevara. Ook staat er een bandje te spelen. Het ziet er pittoresk uit. Deze markt is voor toeristen!! We bedanken en lopen door. Aan de rand van het oude centrum is nog een markt. Een echte. En hier vinden we wat we nodig hebben voor normale prijzen. Maar nu hoeven we niet meer te bevoorraden. Aan de overkant ligt Amerika. Een onbereikbare droom voor veel Cubanen. Een piseindje voor de Zwerver.

Adios!