Latijns Amerika

Een Zwerver op vakantie

Het Caribisch gebied is een prachtig zeilgebied met azuurblauw water, stranden van poedersuiker met wuivende palmen. Maar het is wel een beetje herzenloos genieten en dat is niet bepaald onze stijl. Als je te lang wordt blootgesteld aan "niets doen" slaat de verveling toe. Je kunt er zelfs stress van krijgen, lees ik in de Libelle. Om dat soort ellende te voorkomen besluiten we om tijdens het orkaanseizoen onze rugzakken te pakken om de broodnodige cultuur te gaan snuiven in Latijns Amerika. De boot wordt veilig geparkeerd in de Grenada Yacht Club. Voor de zekerheid halen we de zeilen en de bimini eraf en gebruiken we vier dubbele lijnen van 20mm ankertouw als landvasten. Volgens onze verzekeringsclausule ligt Grenada buiten het orkaangebied maar enkele jaren geleden is het eiland toch getroffen door orkaan Ivan. En een tropische storm kan natuurlijk ook de nodige schade veroorzaken. Alle bekleding, gordijnen en beddegoed worden gewassen en het houtwerk wrijf ik in met eucalyptusolie. Dit ter voorkoming van schimmelvorming. Als we eindelijk in het vliegtuig aan ons glaasje jusd'orange zitten, bedenken we ons opeens dat we twee mangos op het aanrecht hebben laten liggen..... grrrr. Verder verloopt de reis voorspoedig. Nou ja, op een klein incident na dan. Harry had nl z'n zakmes in de handbagage laten zitten. In Grenada werd dat niet opgemerkt, maar in Miama moest hij het mes natuurlijk afgeven. En dat weigerde Harry dus. Niet omdat het een bijzonder of kostbaar mes was, (het was een geschenk van een zakenrelatie), maar omdat het emotionele waarde heeft. Dat mesje heeft hij altijd bij zich en gaat al 27 jaar mee de wereld over. Meestal om fruit mee te schillen maar in Pakistan hebben we er zelfs een lammetje mee geslacht. De juffrouw van de douane is er niet van onder de indruk maar wil van Harry's gezeur (en de lange rij oponthoud achter ons) af. Harry mag z'n zakmesje appart inchecken en tot onze verbazing komt het nog aan ook.

Chizen Itza: het zevende wereldwonder

Cancun, op het schiereiland Yucatan, is een nietszeggende stad. Modern, druk, rommelig en zonder karakter. We blijven er alleen maar om te overnachten en reizen de volgende dag meteen door naar Chizen Itza, Mexico's beroemdste archeologische site. De bus is goed en goedkoop maar het landschap is saai en eentonig. Aan beide zijden van de lange tweebaans weg zien we alleen maar lage tropische bossen met af en toe een paar lelijke betonnen huisjes met verroeste golfplaten daken pal langs de weg. We komen maar door 1 plaatsje van enige betekenis, Valdolit, en dat ziet er leuk uit met gezellig pleintjes en drukke winkelstraten. Als we het plaatsje naderen wordt het druk in de bus. Jonge straatventers rijden een stukje mee om hun waar, zure mangoreepjes met cayennepeper, te verkopen. Ook stappen er steeds meer plattelandsvrouwen in, gekleed in witte jurken met gekleurde borduursels en twee lange vlechten op de rug. Bijna iedereen sleept een of meerdere kinderen mee en het is niet altijd duidelijk wie bij wie hoort of wie de moeder of de oudere zus is. De mensen zijn klein en compact gebouwd, de mannen met brede schouders en de vrouwen met een dikke kont en een paar lagen vetrollen.

Dichtbij Chizen Itza vinden we een kleine pousada waar we overnachten en bij het locale tentje er naast eten we heerlijke burritos en tacos. Je kunt dit soort trips ook georganiseerd doen met een touristenbus vanuit Cancun, maar wij geven er de voorkeur aan om het geld te besteden bij locale mensen. Bovendien kunnen we nu al 's ochtends om 7 uur bij het tempelcomplex zijn, een paar uur voordat de grote hordes touristen arriveren, zodat we al het moois helemaal voor ons alleen hebben. Chizen Itza dateert uit de zgn Late Classics periode totdat de Toltecs uit midden Mexico het in 987 AD veroverden. De architectuur is daardoor een harmonieuze mix van traditionele Maya-cultuur vermengd met de slangencult van de Toltecs. Nou hebben we niet veel verstand van die architectonische hoogstandjes, maar indrukwekkend is het wel als je aan de voet van zo'n 9 verdiepingen tellende tempel staat, zoals Harry op deze foto.

Aan iedere zijde loopt een stijle trap omhoog met aan weerzijden een kronkelende slang. Binnen in de pyramide staat nog een oudere pyramide met daarin een jaguar troon. Dat moeten we maar geloven want je mag er tegenwoordig niet meer op klimmen om naar binnen te kijken. Het moet bewaard worden voor het nageslacht, wordt ons verteld. Maar als die er ook niet op mogen voor wie bewaren we het dan? Chizen Itza is een groot complex. Behalve het "Palaccio" (die grote tempel die je altijd op de fotos ziet) is er een observatorium, een nonnenverblijf, een gerechtshof en zelfs een crematorium met een opslagplaats voor beenderen. Ook is er een soort sportveld waar vroeger "Pelota" werd gespeeld, een spel waarbij je een zware bal met je heup moest wegslingeren door een ring. Sommige gebouwen zijn mooi gerestaureerd en zijn rijk versierd met afbeeldingen van slangen, vogelkoppen en jaguars. Anderen zijn niet meer dan een hoop stenen of omgevallen zuilen. Op het terrein is ook een heilige Cenote, een waterpoel ontstaan uit een blue hole. In deze cenote hebben ze een stuk of 15 schedels gevonden. Er zijn tal van mysteries rond de Mayas die waarschijnlijk nooit opgelost worden. En dat maakt het eigenlijk wel zo bijzonder. Tegen een uur of 10 stroomt het terrein vol met luidruchtige touristen en wordt de mystiek verbroken. Wij hebben alles dan al op ons gemak bekeken en gaan lekker ergens een terrasje pakken.

Tulum:Tempel van de wind

Chizen Itza mag dan de meest beroemde Maya-site van Mexico zijn, het is met 5000 bezoekers per dag niet de meest bezochte. Dat zijn de ruines van Tulum, ook in de Yucatanregio. In een oude National Geographic van 1997 zien we prachtige fotos. Onze verwachtingen zijn hoog gespannen, maar juist daardoor valt het eigenlijk altijd tegen. De ruines zijn minder goed bewaard gebleven en de bouwwerken zijn minder imposant, maar het ergste is de lelijke manier waarop ze gerestaureerd zijn. Op z'n Mexicaans zullen we maar zeggen, met lelijke klodders cement. En in plaats van het complex in z'n natuurlijke omgeving tot z'n recht te laten komen, hebben ze het parkachtig aangelegd met stenen paadjes tussen aangelegde grasvelden, afgezet met opzichtelijke witte hekjes en rode vlaggetjes. Het lijkt wel een golfterrein.

Wat wel heel uniek is, is de spectaculaire ligging op een steile klif aan zee, met scheefgewaaide palmbomen en diep beneden een parelwit strand en brekende golven. Tussen de kale klippen bloeien vetplanten en cactussen. Het complex is niet zo groot en met een uurtje hebben we het eigenlijk wel gezien. Het strand ziet er aantrekkelijk verlaten uit. Er liggen een paar vissersbootje te dobberen en in de duinen staan een paar strandtentjes die niets te doen hebben. We strekken ons uit onder een palmboom met een koud colaatje en maken er maar gewoon een heerlijke luierdag van. De rust is maar van korte duur. Tegen het middaguur wordt er een lading toeristen uitgespugd. Ze dragen allemaal een gekleurd armbandje zodat je kunt zien wie bij welke groep hoort. Joelend rennen ze het strand op en gaan met hun I-pads in het water staan fotos maken. Iedereen poseert voor dezelfde scheve palmboom. Het duurt nog geen uur en dan worden de "armbandjes" weer de bus ingedreven en keert de rust weer terug. Het doet me denken aan een uitstapje van een psychiatrische inrichting.

Belize: Ja mon!

Toeristen gaan naar Belize voor zon, zee, witte stranden en de laid-back creoolse cultuur. Maar daar hebben we het afgelopen jaar een overdosis van gehad. Voor ons is Belize dus geen bestemming maar gewoon een noodzakelijk doorreisland om naar Guatemala te komen. We zijn er veel te kort om een goede indruk te krijgen, maar het kleine beetje wat we er van meekrijgen bevalt ons wel. We komen voor zonsopgang aan in Belize City, een grote stoffige stad met vervallen huizen en straten waarvan de helft van de klinkers ontbreken. De buurt rond een busstation is in het algemeen nooit de beste en we voelen ons eigenlijk niet zo erg veilig met al onze bepakking. De stadsreinigingsdienst is nog niet geweest of die kennen ze niet want overal op straat ligt de afval van de dag. In de portalen ligt menig zwerver z'n roes uit te slapen. De verlichting is schaars. We zijn dan ook uitermate op onze hoede als we benaderd worden door een grote rasta-man met z'n lange dreadlocks in een hoge toren opgestoken, waardoor hij nog groter lijkt. "Where you going mon? OK, no problem mon, I bring you mon". Hij is supervriendelijk en behulpzaam en wijst ons de weg naar een backpackershostel. Dat is gevestigd in een typische Caribische villa geschilderd in diverse pastelkleuren zonder enig patroon, alsof de verf op was. De krakende veranda's staan vol planten in oude mayonaise-emmers, er hangen verschoten hangmatten. De grote voortuin is overwoekerd door onkruid. Er ligt een verroeste fiets, een bank uit een oude auto en weet ik wat nog meer voor rommel. In eerste instantie denken we dat "villa kakelbont" verlaten is. "Hallo, is daar iemand?" Er verschijnt een stevige jonge vrouw met een kapsel van vlechtjes en kraaltjes. Ze lacht van oor tot oor. "Welcome, you like to stay with us?" Het Sheraton had niet beter kunnen zijn. We hebben een eigen kamer met veranda en uitzicht op zee. De creoolse huismaaltijd bestaat uit verse vis, garnalen, kip, rijst, gebakken banaan en salade. Het ontbijt met warme broodjes, verse jus en maar liefst 6 verschillende soorten vers fruit is nog beter. Op straat is het een gezellige caribische bende, met muziek en veel eettentjes. De sfeer is super relaxed maar niet te sloom. We worden vriendelijk gegroet en hebben snel aanspraak. De mensen zijn hier veel opener en trotser dan op de Antillen. Dat heeft te maken met het feit dat ze nooit echt gecolonialiseerd zijn geweest door de spanjaarden. Ze voelen zich meer verwant met de Caribbean dan met macho Latijns Amerika. Veel gevluchte slaven uit St Vincent en St Lucia kwamen in Belize terecht. In de 20e eeuw kwam er een hele influx uit El Salvador en Nicaragua. De helft van de bevolking is creools en ruim een kwart zijn mestizen van gemengde europese en zuid-amerikaanse afkomst. Vroeger was Belize een piratennest. De schepen lagen verscholen achter het barrierreef en vielen van daaruit de Spaanse galjoenen aan, vaak met steun van de engelsen. Daarna in de 19e eeuw was het een belangrijk doorvoerland voor wapens en tegenwoordig voor drugs. De binnenstad schijnt inderdaad niet zo veilig te zijn, maar in het algemeen hebben toeristen daar niet veel last van. Wij vermaken ons prima en reizen de volgende weer vroeg door naar Guatemala.

Tikal: Een magisch tempeltourtje

Tikal, gebouwd tussen 900 BC en 900 AD, was in de hoogtijdagen het centrum van de Maya-cultuur. Wij dachten altijd dat de Spanjaarden een einde maakten aan het Mayatijdperk maar toen die in 1523 arriveerden was het Mayarijk al in verval aan het raken door onderlinge strijd tussen de diverse stammen. Ook kwamen de Spanjaarden niet zomaar even binnenwandelen; ze stuitten wel degelijk op weerstand. Des te triest is het dat een aantal rivaliserende stammen zich aansloten bij de Spanjaarden om deze een handje te helpen met de onderwerping van hun soortgenoten. En uiteindelijk wierpen ze dit lot op deze manier ook over zichzelf af. Vandaag de dag is de feodale structuur van de Spanjaarden nog steeds in tact. Gecombineerd met de machtige invloed van de katholieke kerk heeft dat ertoe geleid dat ruim 50% van de huidige Mayas onder de armoedegrens leeft. "Hou jij ze dom, hou ik ze arm". Het officiele minimum loon is vastgesteld op $7 per dag maar lang niet iedereeen krijgt dat. En zeker de Mayas niet, die merendeels op het platte land leven. Verschillende regeringen hebben geprobeerd dit systeem te doorbreken, maar uiteindelijk vallen zowel rechtse als linkse regeringen altijd weer ten prooi aan schandalen en corruptie.

Omdat wij het gevoel hebben dat een aantal Maya-mysteries mischien voor ons opgelost zouden kunnen worden door een goede gids, boeken we deze keer een tourtje. Fout, fout, helemaal fout! Het busje arriveert te laat. Daarna moeten er nog een aantal passagiers opgepikt worden waarvan enkele zelf te laat aankomen kakken. Dan moet de bus nog tanken en een aantal passagiers moet nog geld pinnen. Als we eindelijk bij het tempelcomplex aankomen, moeten we wachten op de gids. Vervolgens worden we samengevoegd met mensen uit andere busjes waardoor we uiteindelijk met een groep van 25 touristen zijn. Veel te veel. Altijd moet je wachten op iemand en altijd loopt er iemand hinderlijk voor je lens. De gids is goed, te goed. Hij vertelt ons allerlei wetenswaardigheden over het leven in de jungle, graaft voor ons wortels op en laat ons een tarantula zien. Hij is een internationale TV-held, beroemd geworden door het programma "survival". Maar daar kwamen we niet voor. De poorten gaan om 6.00 uur open maar om 7.30 hebben we nog steeds geen tempel gezien!

Het komt uiteindelijk helemaal goed als we bij de tempels aankomen. Wow, dit is pas echt indrukwekkend. Er zijn steile tempels van 60m hoog, sommigen mooi gerestaureerd, anderen nog gedeeltelijk onder de aarde, pyramides waarin nog 4 andere pyramides ontdekt zijn, pleinen met ball courts, offer platforms, restanten van woningen van de elite, gewone woningen. Je mag overal opklimmen. Vanaf de ene tempel heb je een prachtig zicht op een andere tempel, en vanaf die tempel kijk je naar beneden over de plaza. We lopen in, door en op gebouwen van ruim 2000 jaar oud! De Mayas hebben de steden zo gebouwd dat ze over lange afstanden konden communiceren door middel van echos. Dat wordt door onze gids gedemonstreerd en zelfs Hary is onder de indruk. Vanaf de hoogste tempel kijk je over de boomtoppen en zie je op kilometers afstand nog meer tempels boven de jungle uitsteken. Het hele complex maakt weer onderdeel uit van andere complexen en is eigenlijk een grote kalender. Als de zon opkomt op 21 maart, 21 juni, 21sept en 21 dec dan vormt deze een bepaalde lijn die de tempels met elkaar verbindt. Magisch gewoon.

Tikal is een enorm complex van 500 vierkante km met duizenden ruines. Slechts 15% van de bouwwerken is ontdekt, de overige 85% ligt nog onder de aarde, overwoekerd door jungle. Het restaureren van een enkele tempel neemt 10 jaar in beslag en kost ettelijke miljoenen. Het verwijderen van de boomwortels zonder de gebouwen te beschadigen is een riskant project. We zien hoe de grootste tempel, de Jaguar tempel op dit moment gesponsord door een Japans bedrijf, gerestaureerd wordt. Als het officiele tourtje is afgelopen blijven we nog een tijdje boven op een tempeltop zitten om het allemaal nog eens goed in ons op te nemen. Tot de magie verstoord wordt door een flinke tropische stortbui.

 

Semuk Champey: dit doe je niet meer als je 60 bent?

De tijd is voorbij dat we 40 uur of meer ongemakkelijk achter in de laadbak van een smerige vrachtwagen over onbegaanbare wegen hobbelden om zo nodig een bestemming te bereiken waarover we vaag iets hadden gelezen in een vaag tijdschrift. We sleepten kookgerei, matrasjes en zelfs een tentje mee omdat een slaaplaats niet altijd voor handen was. Meestal aten we vegetarisch omdat vlees niet gekoeld bewaard kon worden en je allerlei enge ziektes kon oplopen. Tegenwoord is tourisme big business en voor veel ontwikkelingslanden de hoofdbron van inkomsten. Geld noch moeite is gespaard om het de "avontuurlijke" reiziger naar de zin te maken. De wegen zijn aanzienlijk verbeterd en in luxe minibusjes wordt je comfortabel en snel van de ene hotspot naar de andere vervoerd. Contact met de locale bevolking wordt tot het minimale beperkt. Backpackershostels bestaan nog steeds, maar zijn allang niet meer de goedkoopste maar wel de meest trendy slaapplaats, met wifi, PCs, flatscreen TVs, internationale keuken en happy hours, zwembad en eigen reisbureau. T-shirts met het logo van het hostel zijn gewilde verzamelobjecten. Als je verzekerd wilt zijn van een plek moet je van te voren boeken. De huidige backpacker lijkt over meer geld te beschikken dan wij vroeger. Ze dragen dure merkkleding en slepen allerlei electronische gadgets en zelfs surfplanken mee. Wij vallen duidelijk uit de toon met een rugzak die ouder is dan de gemiddelde leeftijd van onze medereiziger. "Hoe lang zijn jullie al onderweg?" wordt ons met enige regelmaat gevraagd. Tja, wat zeg je dan? 11 jaar klinkt wel heel erg banaal. "Twee maanden" antwoorden we meestal. "Goh, dat is lekker lang"......

We zijn onderweg naar Semuk Champey, een klein dorpje in het centrale hoogland van Guatemala, beroemd vanwege een 300m lange natuurlijke brug van limestone en natuurlijke poelen in de rivier. We zitten met nog 8 anderen in een Toyota-busje met airconditioning. Het landschap trekt als een stomme film aan ons voorbij. Het australische koppel voor ons is verdiept in hun Kindle, een duitse jongen naast ons zit z'n fotos op z'n Ipad te bewonderen en twee jonge meisjes achter ons zitten iedere met een koptelefoon op te neurien. Het lijkt wel of wij de enigen zijn die het reizen zelf leuk vinden. Ik doe het raam open om de geur van het land op te snuiven. Het ruikt naar boerderij in het voorjaar. We delen de tweebaansweg met honden, koeien, een losgeslagen paard en schoolkinderen in uniform. Rond de simpele maar keurig onderhouden houten huisjes met strooien dak scharrelen kippen en eenden. Vrouwen en meisjes dragen een donkere lange rok met daarboven een kleurige kanten bloes met borduursels. De meisjes voetballen ook in deze klederdracht. Blijkbaar zijn er binnenkort verkiezingen (of net geweest) want in ieder dorp zien we aanplakbiljetten met daarop de tekst: "Vota Partido Patriota". Dit soort linkse partijen zijn populair op het arme platteland maar kunnen net al de rechtse partijen hun beloftes nooit nakomen.

We komen bij een brede rivier waar ons busje op een veerpont gaat. De veerpont wordt aangedreven door kleine roeibootjes met een strooien dakje en een Yamaha buitenboordmotortje. Naarmate we hoger in de bergen komen wordt de weg en het weer slechter. De natte kille mist blijft tussen de bergen hangen waardoor het iets magisch krijgt. Af en toe is er een oponthoud omdat de weg geblokkeerd wordt door boomstammen die houthakkers simpel vanaf de berghellingen naar beneden werpen. Een andere keer moet er een vastgelopen auto losgetrokken worden. De laatste 10 km is de weg zo slecht dat we samen met onze rugzakken en een surfplank achter in de laadbak van een pickup worden geladen. De regen valt dan met bakken uit de lucht en het begint al te schemeren. Met 1 hand proberen we ons vast te houden en met de andere hand houden we een zeiltje boven ons hoofd. Na een uurtje gehobbel komen we doorweekt aan bij ons jungle-hostel. Onze medereizigers vinden het een geweldig avontuur: "Dit doe je niet meer als je 60 bent" zegt de australische jongen.

Na een heerlijke maaltijd en een verkwikkende nachtrust in onze jungle hut, gaan we de volgende ochtend te voet op pad. Je kunt een kort en gemakkelijk pad volgen dat je rechtstreeks naar de rivier met de poelen brengt, maar wij kiezen de lange steile weg omdat we de natuurlijke limestone brug en poelen ook graag van bovenaf willen bekijken. Het is even afzien over de modderige paadjes met keien maar het uitzicht is zeker de moeite waard. Ergens ver beneden ons in een diepe vallei kronkelt de rivier. Als we nog hoger klimmen zien we ook de turkooise poelen. Ondanks dat we vroeg weg zijn gegaan zijn er al andere mensen. Maar dat hindert niet. Er zijn genoeg poelen en we lopen gewoon een stukje verder totdat we een poel voor onszelf hebben. Dit is eigenlijk wel bijzonder. Overal om ons heen stroomt heerlijk koel bergwater over stenen met mossen en kleine roze bloempjes de poel in. De bergwanden zijn begroeid met varens en exotische bomen en planten. Bij Harry komt het Tarzangevoel naar boven. Hij klimt omhoog en slingert aan een liaan met een grote plons het water in. Hoezo doe je dit niet meer al je 60 bent?

Antigua: op kerkepad

Guatemala City, groot, vies en gevaarlijk, laten we met een grote boog links liggen. Antigua, de voormalige hoofdstad, wordt daarentegen een van de hoogtepunten van onze reis. Deze koloniale stad werd gebouwd in 1543 en was ruim 230 jaar lang de hoofdstad. Ze trotseerde meerdere aardbevingen en overstromingen maar na de desastreuze aardbeving in 1773 werd de hoofdstad verplaatst naar Guatemala City. Heel langzaam maar zorgvuldig werd de stad weer opgebouwd, waardoor veel van het traditionele karakter behouden is gebleven. In 1944 werd Antigua tot nationaal monument verklaard en in 1979 werd het toegevoegd aan de Unesco werelderfgoedlijst. En wat ons betreft terecht. Het is niet de eerste keer dat we een koloniale spaanse stad bezoeken, dus we wisten een beetje wat we konden verwachten: smalle straatjes met kinderkopjes, gezellige pleintjes waar je in de schaduw van de bomen vers vruchtensap kunt drinken of je schoenen kunt laten poetsen, huizen met bruine handgebakken dakpannen met daarover weelderige bougainville, bogengalerijen met straatventers en natuurlijk de nodige musea en kerken. En toch werden we iedere dag weer verrast. De meeste gebouwen dateren uit de 17e en 18e eeuw, de gouden eeuw van de spanjaarden en ook de eeuw waarin de Katholieke Kerk oppermachtig werd en het dagelijkse leven begon te domineren. Het barst hier dus van de imposante cathedralen en kloosters. Maar in plaats van die helemaal te restaureren, hebben ze de facades en een paar andere fundamentele boogstructuren laten staan en de rest gewoon als ruine laten liggen. Zo wandel je dan een kerk binnen, maar in plaats van protserige altaars of kitscherige heiligenbeeldjes, loop je tussen omgevallen pilaren en stenen, overgroeid met bloeiende struiken. Deze kerken zijn dus niet donker en somber maar hebben een strakke blauwe hemel als dak en stralen letterlijk van het zonlicht. Er zijn tientallen van deze half-kerk/half ruines, en bij sommigen kun je heel goed de fundamenten bovenop eerdere fundamenten zien.

Er zijn natuurlijk ook nog kerken in tact gebleven of helemaal gerestaureert. Het kerkeleven in midden Amerika is springlevend maar heeft veel weg van middeleeuws bijgeloof en afgoderij. We maken bizarre taferelen mee. Er is een kerk bij, Iglesia de San Francisco, waar de resten van broeder Pedro te zien zijn. Broeder Pedro richtte een armenziekenhuis op en verrichtte wonderen. In de "wonderenzaal" hangt de muur vol met dankbetuigingen van gelovigen, er liggen honderden brillen van mensen die opeens weer konden zien, proteses van mensen die opeens weer konden lopen. Broeder Pedro is in 1667 gestorven maar nog steeds komen pelgrims hier naar toe om wonderbaarlijk genezen te worden. We zien hoe twee oude vrouwtjes kruipend op de knieen rondjes om het altaar maken, afwisselend luid kermend en biddend. In een andere kerk hangen allemaal handgebakken huisjes rondom een mariabeeld, dankbetuigingen voor de kindjes die "geschonken" zijn.

We vallen met de neus in de boter. De patroonheilige van de stad is "jarig" en wordt door een zingende menigte door de straten geleidt, gevolgd door een optocht van zo'n beetje alle maatschappelijke groeperingen die de stad rijk is. Schoolkinderen, sportverenigingen, de drumband, brandweer en politiekorpsen. Voorop lopen de schoonheidskoningingen op hoge hakken en met een kroontje op hun hoofd. Er wordt gedanst, gezongen en muziek gemaakt. Er staan nog meer eettentjes in de straten als gewoonlijk. Mensen komen van heinde en verre om dit feest mee te maken.

 

Honduras: Nog meer Maya ruines

Vlak over de grens met Guatemala, een grens met een twijfelachtige narcotica-reputatie, liggen de beroemde Copan-ruines. Deze archeologische site is weliswaar niet zo groot als die van Tikal, maar in de zgn klassieke periode (AD 250-900) was dit wel het "Parijs van de Maya wereld". Uiteraard zijn er overeenkomsten met de Maya-bouwwerken die we tot nu toe gezien hebben in Mexico en Guatemala. Toch is deze site weer heel anders. Kleiner en minder indrukwekkend, maar met veel meer details en merkwaardige beeldhouwwerken. Op sommige gebouwen zit nog een laagje wit plamuur en er zijn nog resten van de oorspronkelijke roze-rode verf te zien. Destijds moeten de tempels eruit gezien hebben als reusachtige geglazuurde suikertaarten. De ligging is grandioos op een hoog plateau met uitzicht over de groene heuvels. Het grootste gedeelte is overwoekerd door grote bomen met reusachtige wortels die als klauwen om de stenen verstrengeld zijn. Het is er muisstil, je hoort alleen het ritselen van de wind door de bomen en het gekwetter van vogels. We zien aapjes, papagaaien en honderden vlinders. Je kunt merken dat deze ruines minder druk bezocht worden want sommige paden zijn niet onderhouden en vaak lopen we door grote onzichtbare spinnewebben.

De kippenbus

Behalve Copan heeft Honduras geen spectaculaire "highlights" maar dat wil niet zeggen dat het niet mooi of interessant is. We verlaten het touristische pad en kiezen voor een iets minder voor de hand liggende route door een bergachtig landschap, Los montanas de Comayagua. Hier vind je geen snelle toyota-busjes en zijn we aangewezen op de locale "chickenbus". Deze bontgeschilderde schoolbussen met veel glimmend chroom vol "Jezus-loves-you-stickers" en rozenkransen, danken hun naam aan het feit dat er van alles in vervoerd wordt, ook manden met kippen en kleine kuikentjes in kartonnen doosjes. Je wordt met drie man op een bankje gestouwd en als je denkt dat de bus vol is worden er in het gangpad kleine krukjes bijgezet. Een kippedrukte dus. De kleurrijke bevolking kakelt er vrolijk op los en verkopers komen langs met gebraden kippepootjes. De bus stopt onderweg zeer frequent, soms om de honderd meter, om nog meer passagiers op te pikken. Om concurrerende "chickenbussen" voor te blijven wordt het tempo er flink ingehouden en helpt een bijrijder de passagiers in de nog rijdende bus te trekken. Vervolgens sprint de bus er weer met een rotgang vandoor en telkens als ie dat doet ruikt het naar verbrand rubber. Daar worden we wel een beetje kippig van, ja.

 

Buckles, boots & cowboys

We overnachten in slaperige plaatsjes met zorro-kerkjes waar de tijd heeft stilgestaan. Ze zijn allemaal volgens hetzelfde koloniale principe gebouwd: een centraal plein met in het midden een fontein of een muziekkapel, en daaromheen, in de schaduw van de bomen, bankjes en een heleboel duiven. Hier komt jong en oude tegen de avond bijeen om de wetenswaardigheden van de dag uit te wisselen. Mannen met verweerde gezichten onder een stoere witte cowboyhoed, spijkerbroeken met een leren riem en een grote glimmende gesp en puntige cowboylaarsen. Te dikke vrouwen met kleurige hoofddoek en blozende wangen en een baby aan de borst. Spelende kinderen die een straathond achterna zitten. En natuurlijk is er het gebruikelijke circus aan straatventers die onder vrolijk gekleurde parasollen hun locale lekkernijen aanbieden: gegrilde maiskolven, taco's en enchiladas, kippepootjes, uitgeperste suikerrietstengels en schaafijs met siroop. De mensen zien er niet alleen trots en stoer uit, ze zijn dat ook. Dit zijn de Lenka's, die onder aanvoerder Limpieza, met zo'n 20.000 man destijds bijna de Spanjaarden versloeg. Zou dan de geschiedenis anders zijn geweest of zou Spanje gewoon een nieuw bataljon gestuurd hebben? Wij vrezen het laatste. De zilverhandel was daarvoor veel te lucratief. Honduras was na Peru enMexico, het 3e zilverland, verantwoordelijk voor 5% van het zilver.

De politie in dit soort landen is zeer nadrukkelijk en macho aanwezig met hun glimmende schoenen en duidelijk zichtbare wapens. In Esperanza zien we hoe de politie twee in boeien geslagen jongeren dwars over het plein richting politiestation afvoert. Verder gebeurt hier helemaal niets. In Gracias ontmoeten we Guillaume (zeg maar Willy) een overwerkte software ontwikkelaar uit Tenessee US die z'n baan opgezegd heeft en weer bij z'n oude moeder in Honduras is gaan wonen. Willy heeft zich al aangepast en draagt ook een cowboyhoed en rode puntlaarzen. "Verveel je je niet?" vragen we hem als we hem na de lunch in de bar van het enige hotel aantreffen met een whiskey. Ja, een beetje wel dus. "Ik zal jullie morgen de omgeving eens laten zien". Zo gezegd, zo gedaan. Hij neemt ons mee naar de warm-water-bronnen, waar de 4x4 pickup vast komt te zitten in de modder, en naar een oud kasteeltje in de bergen. Behalve dat de hond van Willy's moeder dood is gegaan, gebeurt ook hier helemaal niets.

Tegucigalpa: een positieve verrassing

Latijns Amerika kent een uiterst snelle bevolkingsgroei en dat gaat gepaard met de gebruikelijke problemen. Naar schatting leeft 35% van de bevolking onder de armoedegrens. Dat is in Honduras niet anders dan in hun buurlanden. Vooral op het platteland is de situatie schrijnend. Er is geen werk genoeg. Kansarme jongeren trekken naar de stad (of steken illegaal via Mexico de grens over naar de USA) in de hoop dat het daar beter is. Daar komen ze vaak in het criminele circuit terecht. Tot nu toe hebben we de grote steden gemeden. Maar hier ontkomen we er niet aan want Tegucigalpa (Tegus in het kort) ligt op een knooppunt van doorgaande wegen. Bovendien hoort dit erbij. Je krijgt een vertekend beeld van een land als je alleen maar opzoek gaat naar vergane glorie. Nederland is toch ook meer dan alleen tulpen, klompen en molentjes?

Eigenlijk zou je het hoofdstuk "dangers & annoyances" in de Lonely Planet over moeten slaan. Daar wordt je niet vrolijk en alleen maar wantrouwend van. Ja, Tegus is een gevaarlijke, vieze stad, met aan de randen enorme krottenwijken waar mensen gewoon in hun eigen vuil leven. Winkels met tralies, smeulende autobanden, uitgebrande autowrakken, grafitty, ongure hangtypes, het is een triest gezicht. De bus rijdt niet door naar het centrum. Ergens op een groot veld waar allerlei bussen staan (niet eens een busstation) langs een drukke 4-baans weg, moeten we overstappen. Het is er een drukte van jewelste en op het moment dat we de bus uitstappen worden we door Jan en alleman belaagd. We hebben moeite om het overzicht te bewaren. Onze rugzakken worden van het dak naar beneden gesmeten. Harry vangt er een maar de mijne wordt door een jongen opgepakt die er meteen mee vandoor gaat. Ik reageer vliegensvlug en kan hem nog net van achteren beet grijpen. "Waar denk jij met mijn rugzak naar toe te gaan?" vraag ik hem boos. Verbouwereerd wijst hij naar een bus aan de overkant van de weg: "dit is jullie aansluiting naar het centrum, hij staat op het punt om te vertrekken". Ik schaam me dood voor mijn achterdocht, bedank hem en geef hem een paar muntjes die hij grijnzend in ontvangst neemt. Maar ook deze bus zet ons niet af waar we zijn moeten en weer moeten we overstappen op een druk busstation waar we door allerlei gajes belaagd worden. Onze strategie is dan altijd om het hoofd koel te houden en gewoon met de rugzak op een stukje verder te gaan lopen of even een flesje cola te drinken en de locale mensen om raad te vragen. De vriendelijke taxi-chauffeur weet het betreffende hotel niet precies te vinden dus besluiten we het laatste stukje te voet te gaan. Meteen komt er weer een wazig figuur aan die wel even met ons mee wil lopen. Dat gebeurt wel vaker, die jongens strijken zo een commissie van het hotel op. Maar deze keer ging het feest voor hem niet door. Twee politie-agenten sturen hem weg en nemen ons onder hun hoede. Ze blijven keurig net zolang bij het hotel staan totdat we binnen zijn en de receptionist de traliedeur weer achter ons gesloten heeft. Nou, nou, dat lijkt ons toch ook wel een beetje overdreven. "Is het hier echt zo erg?" vragen we de hoteleigenaar. "Oh ja, vergis je niet. Je gaat hier niet uit, je zorgt dat je voor 18.00 uur gegeten hebt en weer terug bent in het hotel. Hier ben je veilig, we zetten dag en nacht twee bewakers bij de deur en er is ook een bewaker bij de receptie". Even later zitten we te dineren bij de meest aftanse Mc Donalds die we ooit gezien hebben. Bij de kassa hebben ze uit voorzorg geen wisselgeld. Vreemde ogen staren ons in de rug. Als het schemerig wordt zien we zgn "cartoneros" vakkundig de prullebakken uitpluizen. Wat niet bruikbaar is wordt gewoon op straat gesmeten voor de zwerfhonden. Het winkelend publiek is verdwenen, de straatverlichting is schaars. De stad is veranderd in een spookstad. We besluiten het advies van ons hotel op te volgen en kruipen vroeg on de wol (laken).

Bij daglicht ziet Tegus er een stuk aangenamer uit. Het heeft niet de grandeur van Buenos Aires of Lima, maar moet ook ooit eens rijk zijn geweest. Het is gezellig druk op de straten en de pleinen. Als we een kijkje nemen in de cathedraal op het centrale plein, treffen we daar een slapende zwerver aan met z'n flesje bier nog in de hand. Aan een ander plein, waar ook de stoeptegels zijn verdwenen en het onkruid welig tiert, staat een rijkelijk versierd, maar enigzins vervallen, theater. We denken dat het gesloten is, maar tot onze verrassing geeft de massief houten deur mee en bevinden we ons opeens in een prachige ontvangsthal met goud geschilderde plafonds. "Er is vandaag geen voorstelling, maar u mag gerust een kijkje nemen", zegt een aardige dame achter het loket. Het theater lijkt een beetje op het Amsterdamse Carre, klein maar warm, veel fluweel en gouden randjes. Bovenin rijk versierde loges met rode gordijnen. De lokettiste is met ons meegelopen en vertelt trots welke (voor ons obekende) beroemdheden hier allemaal gespeeld hebben en wie hier in de loges hebben gezeten. "Morgen is er een klassiek concert, komt u ook?" vraagt ze hoopvol. Een eindje verder op een hoek staat een imposant wit gebouw met een barokke ingang met gouden letters. Er staan twee zwaar bewaakte bewakers voor, maar die houden ons niet tegen als we nieuwsgierig naar binnen willen gluren. "Mogen we even gluren?" "Ja hoor, u mag zelfs naar binnen, dit is het rijksarchief, een openbaar gebouw dus". En dat doen we. Als we binnen zijn, sluit de receptioniste haar kantoortje om ons rond te leiden. Dit blijkt dus het voormalige presidentiele paleis te zijn. In de zgn "blauwe kamer" hangen de portretten van deze "boeven". Ook het Nationaal museum is gehuisvest in een koloniaal gebouw, prachtig gerestaureerd met donaties van oa USAID. Ze vragen dan ook een relatief prijzige entree van $10,-. Maar voor dat geld krijg je dan ook een koptelefoon met audiogids. Als we halverwege zijn komt de receptioniste naar ons toe: "ik wil u niet storen, maar over 2 minuten begint de virtuele film over Copan en de Maya's, dat moet u beslist zien". Daar had ze gelijk in , de film was spectaculair gemaakt en zeer informatief. We merken dat de mensen hier erg trots op hun land zijn en het een eer vinden om buitenlandse bezoekers te krijgen. We vertellen de receptioniste dat we in geen tijden zo'n goed museum hebben gezien. Ze straalt van oor tot oor. "Vertelt u het vooral verder". Bij deze dus. Helaas geen foto's want uit voorzorg hebben we de camera maar thuis gelaten.... Toch maar weer eens zo'n kleintje aanschaffen.

Nicaragua: Love & Peace?

Wat we van te voren wisten van Nicaragua was van de TV, niet erg positief dus. Sandinisten, politieke moorden, en revolutie in de jaren '80, financiele hulp en inmenging van de US onder Carter, daarna de Contra War onder Ronald Reagan, geheime wapendeals via Iran, terugkeer van een bekeerde Daniel Ortega en de partij van "love en peace", corruptieschandalen,geheime doodseskaders en wederom een nieuwe Ortega die dikke vriendjes werd met Hugo Chavez van Venezuela, ook zo'n lekker land. En als zo'n land dan uiteneindelijk door een opeenvolging van idioten bijna naar de verdoemenis is geholpen, wordt het goedkoop en trekt dan opeens een nieuwe generatie avontuurlijke rugzaktoeristen aan. Goh, tourisme brengt geld in het laadje. Tegenwoordig staat Nicaragua bekend om z'n geweldige stranden, avontuurlijke vulkaantochten en slaperige koloniale stadjes. Het schijnt het meest veilige (of is het minst gevaarlijke?) land in Midden Amerika te zijn.

Leon: wederom op kerkepad

Het buckles, boots en cowboy-sfeertje van Honduras tref je hier ook aan. Het platteland ziet er zo mogelijk nog armer uit. We reizen wederom in de kippenbus, komen door slaperige dorpjes, bananen- en koffieplantages. Naarmate we dichter bij de kust komen, wordt het klimaat weer vochtig en klam. We vermaken ons een paar dagen in Leon, de oude hoofdstad. Deze koloniale stad ligt omgeven door maar liefst 11 vulkanen waarvan 5 nog actief. Leon is een en al kerken die door aardbevingbestendige tunnels met elkaar verbonden zijn. De cathedraal is de grootste van Midden Amerika en is beroemd door z'n Christo Negro, een zwarte Jezus die nog steeds wonderen verricht. Als je bovenop zo'n imposant bouwwerk staat kijk je uit over de handgebakken dakpannen van de oude binnenstad met daarachter 5 kegelvormige vulkanen. Er is ook een geweldig museum waar tot onze verbazing een groot aantal Vlaamse en Duitse meesters en een paar Picasso's hangen, zomaar in een warme, ongeconditioneerde ruimte met de ramen en deuren wagenwijd open. "Zijn het wel echten?" vraag ik een bewaker. Zeker weten! Leon is populair bij jonge "backpackers" die hier speciaal naartoe komen voor het zandsurfen. Gezeten op een klein plankje zoeven ze met een vaartje van meer dan 50km/u naar beneden. Dat lijkt ons te heet aan de kont.

Grenada en William Walker

We reizen verder naar Grenada, Nicaragua's oudste koloniale stad en nr 1 toeristenattractie. Doordat Grenada, dat bijna aan de Stille Oceaan ligt, via de Rio San Juan en het meer van Nicaragua in verbinding staat met het Caribisch gebied, werd het in de 16e eeuw een belangrijke handelsstad waar het goud en zilver uit Peru werd overgeladen op schepen naar Europa. Aangetrokken door de rijkdom werd de stad maar liefst 3 keer overvallen en platgebrand door franse en engelse piraten. Grenada en Leon waren hevige concurrenten en voerden regelmatig een machtsstrijd. Dat ging een keer zo ver dat Leon in 1855 de hulp in riep van ene William Walker(nee, niet die van de whiskey), een amerikaanse avonturier die een paar jaar daarvoor in z'n eentje Mexico aanviel en zichzelf daar tot president uitriep van onafhankelijk Sonora. Ook deze keer wist William Walker met slechts een klein groepje volgelingen, 56 man, Grenada te veroveren. Maar in plaats van de macht af te staan aan z'n opdrachtgevers, werd hij via "vrije verkiezingen" tot president van Nicaragua gekozen. En prompt werd zijn regering door de US erkend. Aangemoedigd door dit succes, of gewoon vanuit hoogmoedswaanzin, kondigde hij aan dat hij heerser van geheel Midden Amerika wilde worden. Toen hij Costa Rica ook binnenviel werd het een aantal landen te gortig en werd hij met verenigde krachten verdreven. Dat deed hij volgens de taktiek van de verschroeide aarde: Grenada werd in de as gelegd en hij vluchtte naar de US. Tot twee keer toe wist hij met een klein legertje terug te komen totdat hij uiteindelijk gevangen werd genomen door de Britten die hem overleverden aan de Hondurezen. William Walker stierf voor een vuurpeleton. Wij merken niets van de verwoestingen in het verleden. Grenada is een prachtige stad maar wij worden ondertussen wel een beetje kerkmoe. Gelukkig is er een ruime keuze aan goede restaurants. Vermaken doen we ons wel.

Relaxen op Isla de Ometepe

Midden in het meer van Nicaragua ligt een eiland dat ontstaan is door twee vulkanen waarvan de lavastroom een verbindingsburg heeft gevormd. Volgens de Lonely Planet hoort dit eiland thuis in een sprookjesboek. Een must-stop dus. Dat is uiteraard weer behoorlijk overdreven, maar we zijn wel even toe aan wat anders en genieten van het boottochtje over het meer. Het eiland is erg groen en na het hektische vaste land, een heerlijk rustpunt. We slapen in een simpel hutje dat ver van het backpackers lawaai ligt in een mooie wilde tuin vol bloemen en vlinders. We hebben een eigen terras en een badkamer in de vrije natuur. Vanuit de hangmat kijken we uit op het meer waar de zon goudgeel onder gaat. We huren een paar mountain-bikes en fietsen op ons gemak door de velden waar vrouwen in de rivier hun was doen en boeren met ossen het land bewerken. Het zwarte lavastrand is ons te heet, maar in de vulkanische bronnen vinden we verkoeling. We vragen ons af hoe lang deze mooie plek nog zo rustig blijft. Dwars door dit natuurgebied wordt nl het tweede panamakanaal aangelegd. Het 40 miljard kostende project werd met veel bombarie door de regering aangekondigd en staat al op de kaart ingetekend voordat er ook nog maar een schop in het zand is gestoken. De bevolking protesteert. Het project dat tien jaar gaat duren, is uitbesteedt aan een Chineze conglomeratie, evenals de lease van 50 jaar. Men vreest dat er weinig geld bij de gewone Nicaraguaan terecht komt, hooguit in de zakken van een klein groepje. Wij delen die vrees.

Costa Rica: bananenland

De Nicaraguaanse kippenbus zet ons af bij de grens waar we lopend overheen gaan. Aan de andere kant in Costa Rica staat een super-de-luxe touringcar op ons te wachten. Costa Rica is het meest ontwikkelde land dat we tot nu toe gezien hebben in Midden Amerika. Moeiteloos leggen we grote afstanden af over goed geasfalteerde wegen. De bus stopt bij moderne wegrestaurants die efficient gerund worden door Chinezen. Heerlijk eten voor een prikkie. Ze hebben zelfs dumplings! We verlaten de kuststrook en gaan weer de bergen in. Nu rijden we door koffie- en fruitplantages. De fraaie plantages zien er allemaal super onderhouden uit. In Alujuela, de tweede grootste plaats van Nicaragua niet ver van de hoofdstad San Jose, vinden we een prima slaapplek bij Charly's uit Colombia. Hij verwelkomt ons met een vers bakje organische koffie uit Costa Rica met de mededeling dat Colombiaanse koffie nog lekkerder is. Het is zondag en op het gezellig plein wordt gedanst en muziek gemaakt. Wij pakken een locale bus, ook erg goed, die ons over kleine weggetjes door een prachtig tuinbouw gebied, bijna tot bovenaan de Poas vulkaan bracht. Onderweg stoppen we nog even bij een fruitstalletje waar we voor nog geen dollar een grote zak sappige aardbeien kopen. Dit ziet er uit als een gebied waar je fantastische wandelingen kunt maken. Heuvelachtig, maar niet te steil, en een aangenaam koel klimaat. We zien dat er nogal wat leuke huizen te koop worden aangeboden. Maar dat zal hier wel prijzig zijn. Dat had je een jaar of 15 eerder moeten doen, zoals veel Amerikanen toen deden.

Vulkaan Poas is 2704m hoog en de krater heeft een doorsnede van maar liefst 1.3km. Het is vanaf het bezoekerscentrum een klein half uurtje lopen naar een uitzichtpunt vanwaar je zo goed als in de krater kunt kijken. Wat we zien is een borrelende en stomende massa. Je mag niet in de krater afdalen want de gassen die eruit komen zijn giftig. Er is wel een leuke track helemaal om de vulkaan heen, door bossen en langs een ander kratermeer. De begroeiing hier is uniek. We zien hele grote planten met bladeren die eruit zien als rabarbe. Om de top van de vulkaan en de krater te zien moet je 's ochtends vroeg hier komen want na de middag trekt er een dik grijs wolkendek overheen en wordt het koud.

De Bananentrein

Via een korte stop in de hoofdstad San Jose, reizen we verder naar de Caribische kust. De koffieplantages hebben plaats gemaakt voor uitgestrekte ananasvelden. Zo ver je maar kijken kunt, ananassen. We passeren vrachtwagens van Dole, Del Monte en Chiquita. Naarmate we dichter bij de kust komen gaan de ananasplantages over in bananenplantages. Het ziet er professioneel uit. De bananentrossen zijn verpakt in blauwe plastic zakken met gaatjes die precies de juiste hoeveelheid zon doorlaten. Af en toe komt er een klein sproeivliegtuigje over. Tussen de keurige rijen bananebomen, soms kilometers lang, loopt een soort kabelbaan waaraan de blauwe zakken opgehangen worden. He, de plantage is gemechaniseerd, denken we. We zijn onder de indruk. Totdat onze bus moet stoppen voor een passerende "bananentrein". Er komt een lange stoet blauwe zakken aan, voortgetrokken door een man in een leren harnas. Zwetend en puffend komt deze "locomotief" voorbij rennen.

Tortugero: Kaaimannen en schildpadden

De Caribische kust van Nicargua bestaat voor een groot gedeelte uit ontoegankelijke jungle en moerasgebied. National park Tortugero ligt daar midden in en kan alleen bereikt worden via de lucht of over het water. Als onze bus het eindpunt bereikt heeft, stappen we over in een lange, smalle rivierboot, aangedreven door 2x115 Pk buitenboordmotoren. Onze stuurman houdt de vaart er goed in en kent het doolhof van smalle vaarwatertjes op z'n broekzak. Het is werkelijk onvoorstelbaar knap zoals hij ons moeiteloos door stroomversnellingen en om allerlei natuurlijke opstakels leidt. Soms remt hij plotseling af omdat er een grote boomstronk of een rots midden in de vaarweg ligt. Soms ook omdat hij vanuit z'n ooghoeken ergens een krokodil of reiger heeft gezien. De vaarweg wordt steeds smaller met steeds meer bochten en steeds meer omgevallen bomen. In dit park mag niets aangeraakt worden en wordt alles aan de natuur overgelaten. Voor een aantal oorspronkelijke bewoners was dat niet gemakkelijk omdat zij leefden van de producten die de natuur voortbracht. Nu leven ze van tourisme. Je kunt hier jungle-tochten te voet of in een kayak maken of 's nachts de schildpadden bekijken die hier aan land komen om hun eieren te leggen. Wij boeken een kayaktocht, bij Castor. Toen hij hoorde dat we uit Nld kwamen vroeg hij of wij hem in NLd niet op TV hadden gezien in het reisprogramma van Floortje Dessing. Dat zit dus wel goed. Met het weer hadden we minder geluk: het regent pijpestelen en Castor geeft ons pas regencapes als wij al doorweekt zijn. Om 5.00 uur 's ochtends zitten we al, met nog twee meisjes in een kayak. Geruisloos glijden we langs de oevers en hoe goed we ook ons best doen, wij zien niets. Castor wel. Kijk daar, vlak naast je onder het drijvende gras. We kijken en zien opeens, op nog geen meter van ons vandaan een kaaimannetje naast de boot. Behalve kaaimannen zien we ook leguanen, allerlei reigersoorten, schildpadden, papagaaien en brulapen. Volgens Castor brullen de apen alleen uit ongenoegen, als er bv een vliegtuig laag overkomt of als er niet genoeg regen gevallen is. Ze komen zelden naar beneden en drinken het regenwater uit de bromelias.

Langs de waterkant groeien allerlei exotische palmensoorten. Vroeger maakten de bewoners daar hun daken van, maar dat mag nu niet meer. Het park wordt wel bedreigd door illegale houtkap en stropers. Maar de grootste boosdoeners zijn de snelle motorboten die grote hekgolven veroorzaken waardoor de oevers afbrokkelen. Op de terugweg worden we in onze boot, die al behoorlijk hard gaat, ingehaald door een andere touristenboot, die ons de bochtafsnijdt en vervolgens ramt waardoor wij de oever ingeduwd worden. Ik kon nog net een lange doornentak ontwijken. Wat een idioot!

Panama: koffie voor $300 per pond

We volgen de Caribische kustlijn en overnachten in Puerto Viego, een favoriete badplaats voor locals en backpackers. Het kan ons niet bekoren. Het dorpje bestaat uit twee drukke winkelstraten met rij aan rij bars, disco's en restaurants. Het strand is vuil en stinkt. We zien dat de riolering erop uitkomt. Gauw door naar Panama dus. De grens met Panama is redelijk chaotisch. Zodra we de bus uitstappen worden we belaagd door charlatans die ons zgn entry-permits willen verkopen. De stapels witte formuliertjes hebben ze gestolen van het immigratie-kantoor. Als we ze van ons afgeschud hebben zijn de money-changers aan de beurt. Vliegensvlug toveren ze een berekening op hun rekenmachientjes tevoorschijn waar dus geen hol van klopt. We leren ze rekenen en wisselen ons laatste locale geld om in dollars. De grens is er eentje zoals je die wel eens in een oude film ziet waarin spionnen worden uitgeleverd. Een prachtige stalen boogbrug over een wild stromende rivier. Je moet goed uitkijken waar je je voeten neerzet want er ontbreken planken en de rest ligt niet erg vast. Aan de Panamese kant staat alweer een goede bus op ons te wachten en ook hier rijden we urenlang door bananenplantages. Het gebied is heuvelachtig en vanuit de bus zien we de zee en de eilandengroep Bocas de Toro, een prachtig zeilgebied, favoriet bij wereldzeilers. Op een paar locale charterboten na, is het leeg. Het seizoen moet nog beginnen. Na een lange, maar schitterende reis, komen we in de stromende regen aan in Boquete, het centrum van het koffie-gebied. We vinden onderdak bij een keurg pensionnetje gerund door een Nederlands-Surinaamse vrouw. Ze is al lange tijd weg uit Suriname en luistert gefascineerd naar onze observaties. In Boquete bezoeken we een kleine organische koffie-boerderij, Milagrosa (Het grote wonder) waar we eerst tekst en uitleg krijgen over de mondiale koffiehandel. Wist je dat Vietnam na Brazilie het grootste koffieland is? Ongeveer 80% van de koffie in de wereld is Robusta, een inferieure soort. De betere soort is Arabica. Daarna lopen we door de plantages waar verschillende soorten koffie verbouwd worden. Milagrosa heeft diverse internationale prijzen gewonnen met z'n Gesha-koffie, ook een Arabica variant. Die kost ongeveer $300,- per pond en wordt gekocht door rijke Japanners, Chinezen en Taiwanezen. En wij maar denken dat die alleen maar thee drinken! De speciale aroma van deze koffie wordt bepaald door een combinatie van externe factoren, waaronder hoogte (500 - 2000m), temperatuur en vochtigheid, de grondsoort (vulkanisch) en andere omgevingsfactoren zoals de fruitbomen die volkomen arbitrair tussen de koffie-planten staan. Het fruit wordt niet geoogst, de bomen niet gekapt, maar alles wordt aan de natuur overgelaten.

Het hele koffie-proces op deze boerderij gaat handmatig met eigengemaakte machines. We mogen onze eigen koffie branden en het verschil proeven tussen light-, medium- en dark roast koffie. Onze gids helpt ons van een hardnekkig misverstand af: de light-roast, ook wel koffie-americano genoemd, bevat de meeste caffeine en de sterke Italiaanse koffie de minste. En de beste manier van koffiezetten is met een pergulator (zo'n filtertje dat je langzaam door een glas naar beneden duwt). Het is duidelijk dat er aan boord van Zwerver het een en ander veranderen moet.

Het gebied rond Boquete lijkt wel wat op Zwitserland in de zomer. Het klimaat is lekker, niet te warm, niet te vochtig. Maar je moet wel vroeg op pad en de dingen gedaan hebben in de ochtend, want 'smiddags daalt er een dik en nat wolkendek neer en dan wordt het erg kil. We maken een grappig uitstapje naar de warmwaterbronnen. De touroperators bieden dit aan voor $25pp. Wij regelen het zelf en de combinatie van schoolbus, wandelen en liften levert een hele leuke en interessante dag op voor nog geen $5 pp.We krijgen een lift van een locale boer in een hele oude verroeste pickup die om de 3km moet stoppen om de radiator te vullen. Hij vertelt dat grote percelen land opgekocht worden door rijke Amerikanen en laat ons de protserige huizen zien. Het grote geld verdwijnt in de zakken van enkele duistere projectontwikkelaars en politici terwijl voor de gewone mensen het leven duur wordt omdat de prijzen opgedreven worden. Tja, dat hebben we wel vaker gezien. Juist omdat die Aguas Calientes zo prominent door de touroperators aangeboden werden, hadden we iets spectaculairs verwacht. Wat schetst onze verbazing? In het weiland van een boer zijn een aantal gaten waar heet water uit opborrelt. Je kunt er met ongeveer 4-6 man tegelijk inzitten. Eerst waren we een beetje teleurgesteld, maar eigenlijk was het wel heel erg grappig. Locale (arme) mensen uit de omgeving komen hier hun wekelijkse warme bad halen. Het water is erg warm, aan de hete kant zeg maar gerust. Op een paar meter afstand lopen kippen, eenden, kalkoenen en pauwen. We zien zelfs een aapje. De locale boer vangt van iedere bezoeker een klein bedrag entreegeld. Een projectontwikkelaar zit te azen op het landstuk om er iets monsterlijks commercieels van te maken, maar tot nu toe is de boer nog niet gezwicht voor het grote geld. Hopelijk blijft dat zo.

Panama City: Je zult er maar wonen

Als je Panama City binnen rijdt via een hoge spanbrug over het Panamakanaal waar zojuist een grote tanker doorheen vaart, krijg je een beetje een cultuurschok. We kijken uit over de sky-line van een wereldstad. Het busstation is groter dan de terminals van Schiphol, met luxe winkels, koffie-shops en restaurants. Alles glimt en is super schoon. Nog net geen Singapore. Wow, indrukwekkend. De tweede schok komt als we een gedeelte taxi nemen naar de binnenstad. Het leuke van een gedeelte taxi is, behalve de aantrekkelijke prijs, dat de passagiers voor de deur worden afgezet en je zo op die manier nog iets van de stad ziet. Maar wat we zien is ronduit verschrikkelijk. Lelijke betonnen gebouwen, rommelige straten met zwerfvuil. Om bij de oude binnenstad te komen moeten we eerst door een gevaarlijke volkswijk. De taxi chauffeur vergrendelt de deuren. Dit kun je geen volkswijk meer noemen, dit is gewoon een krottenwijk die afgebroken moet worden. De krotten bestaan niet uit kartonnenhutjes met plastic daken zoals in Afrika, maar uit betonnen flats, vol met grafitti. Bergen zwerfvuil gewoon naast de deur, gesprongen waterleidingen, een wirwar aan electriciteitsdraden die natuurlijk illegaal ergens vanaf getapt zijn. Verroeste omheiningen met dubbele rollen prikkeldraad. Tralies voor de ramen en deuren. Er zijn weinig mensen op straat. Af en toe zie je een vies verlopen figuur op een oude auto- of kantoorstoel. De politie is zichtbaar aanwezig. In kleine groepjes staan ze in volledige gevechtsuitrusting klaar om toe te slaan. Wat een hopeloos gezicht. De Bronx is er een nette wijk bij.

We worden afgezet bij een backpackershotelletje aan de rand van de oude, deels gerestaureerde binnenstad, Casco Viejo. Dit is het andere uiterste. De klassieke binnenstad met tal van kerken, pleinen en barokke appartementen zoals je in Parijs ziet, is voor 50% gerestaureerd. En er wordt overal hard gewerkt om de overige 50% ook te restaureren. Je vindt er trendy bars en restaurants, chique kunstgaleries en geweldige musea. De straten zijn betegeld met rode klinkertjes, er hangen bloembakken en er staan ouderwetse straatlantaarns. Langs de lange boulevard met een schitterend uitzicht over de sky-line van Panama-City, staan Kuna-indianen met souvenierstalletjes. Er liggen een twintigtal zeiljachtjes voor anker. Er zijn straatmuziekanten. Mooi? Jawel, en toch eigenlijk ook weer niet. Er ontbreekt iets. Het is te steriel. Het leeft niet, je ziet alleen maar touristen en op iedere hoek van de straat een politie-agent om ze te bewaken. Waar zijn de straatventers? Zouden ze hier niet mogen komen? We zwerven verder door de iets verder gelegen straten en weten als we hangend wasgoed zien, dat we het opgepoetste toeristengebied verlaten hebben en de echte wereld binnen zijn getreden. Dit zijn kraakpanden waar zgn "squatters" wonen. Hele families, met kinderen, opas en omas. Deze panden zijn te koop. Soms is het niet meer dan een rijkelijk versierde voorgevel met barsten in de muur en onkruid in de dakgoten. Maar het moet wel 2 ton op brengen! Erachter is vaak niets. Een open ruimte met stenen en onkruid waar het vreselijk stinkt naar menselijke uitwerpselen. Het openbare toilet. Water hebben de "squatters" natuurlijk niet. Electriciteit wel, zo te oordelen aan de spagettie van aan elkaar geplakte draden. De armoe is zichtbaar, maar nog niet zo uitzichtloos als in de rest van Panama City.

50 jaar Panamaalkanaal

Met nog een paar honderd andere touristen staan we op het bezoekersplatform van het Panamamuseum. We kijken recht in een dubbele set van sluizen waar grote tankers en containerschepen aan de lopende band doorheen gaan. Als nederlander ben je natuurlijk best wel wat gewend wat waterwerken betreft, maar dit is behoorlijk indrukwekkend. De sluizen zijn groot, maar niet zo erg breed. Een tanker kan er nog maar net in en heeft heel erg weinig speling. De schepen gaan op eigen kracht door de sluis, maar worden exact in het midden gehouden door kleine electrische locomotiefjes die speciaal voor dit doeleinde in Japan gemaakt zijn. Per schutting wordt er 100 miljoen water verplaatst en stijgt het niveau 27 voet (ongeveer 9m) en dat alles gebeurt binnen 10 minuten! Een groot schip betaalt hiervoor $400.000,- maar dat is altijd nog goedkoper en veiliger dan de route rondom Zuid-Amerika. Dat is kost hem 2 weken en $1.500.000,- extra!. Als we er met Zwerver doorheen zouden gaan, kost ons dat ongeveer $1000,- .

Er gaan per dag 40 schepen door de sluis. Dat zijn er ongeveer 14.000 per jaar. Dat lijkt veel, maar een groot deel van de huidige containerschepen en mammoettankers kan er niet doorheen vanwege de geringe breedte en diepgang. Daarom worden er nu nieuwe sluizen bijgebouwd, parallel aan de bestaande. De maximale diepgang wordt vergroot van 12 naar 18m, lengte wordt met 40% vergroot en de breedte met 60%. Deze uitbreiding van het kanaal gaat 7 jaar duren en de kosten zijn geraamd op 5.2 miljard dollar. De bouw van het oorspronkelijke kanaal heeft 10 jaar geduurd en 280 miljoen dollar (en 20.000 levens) gekost en is enkele maanden eerder dan geplanned opgeleverd. Volgens de museumvoorlichter ligt ook het uitbreidingsproject weer exact op schema. Over projectmanagement gesproken...

Porto Bello

Over het museum met de corrupte bewaker en het mooie antieke pistool dat we toch maar niet meegenomen hebben. Over de forten met adembenemend uitzicht over de baai waar tientallen buitenlandse jachten voor anker liggen en waar wij ons een buitenstaander voelen en heimwee naar Zwerver krijgen. Over de beschimmelde "hotelkamer" van $8 per nacht, de enige in het gehucht, waar het stinkt naar kattepis. Over het goud dat vanuit Peru hiernaartoe werd gebracht en de aanvallen van Francis Drake die het hele stadje verwoestte. Over de geweldig relaxte sfeer op het met onkruid overwoekerde plein waar iedere avond de drumband oefende. Alleen zijn we onze aantekeningen van Porto Bello kwijt geraakt.....

Colombia: Cartagena de India

Cartagena de Indias is de mooiste stad van Colombia. Dat is op zich al een goede reden voor een bezoek. Maar het is ook nog eens een keer de stad van mijn favoriete schrijven Gabriel Garcia Marques. Hij is er niet geboren maar heeft er gestudeerd, is er verliefd geworden, heeft er de revolutie meegemaakt en woont er nog steeds. We ontmoeten hem in het museum van moderne kunsten. Over het leven zegt hij het volgende:

"Het leven is niet het leven dat je geleefd hebt, maar dat je je herrinnert, en hoe je het je herrinnert, om het te vertellen".

Het zure is dat Gaby zich niet zo veel meer herrinnerd. Hij heeft Alzheimer en sinds 2004 helaas niets meer gepubliceerd.

 

Zodra je door de oude stadspoort het historische centrum binnengaat, herken je de plekken die Garcia beschrijft in z'n roman "Liefde in tijden van Cholera". We staan op een groot plein, de voormalie slavenmarkt. In het midden staat het standbeeld van Pedro de Heredia, de oprichter van Cartagena. Als je het plein oversteekt kom je bij 'El portal de los dulces" een bogengalerij waar tientallen venters allerlei zoetigheden hebben uitgestald in grote glazen stolpflessen uit grootmoeders tijd, onder kleurige parasols. We proberen een aantal verschillende cocos- chocolade- en pindakoekjes. Ze zijn lekker maar machtig en mierzoet. Om de hoek is een drukke straat waar louche geldwisselaars aantrekkelijke wisselkoersen voor de dollar aanbieden om zo zwart (of drugs?)geld wit te wassen. In tegenstelling tot Casco Viejo, de historische binnenstad van Panamacity, is dit geen openluchtmuseum maar een start met hart en ziel waar mensen wonen, werken en vooral leven. Er zijn tal van pleinen, standbeelden, kerken, musea en gewone straten met huizen waarvan de balkonnen lijken te bezwijken onder de bloemen. We hebben een klein pensionnetje gevonden in de rosse buurt op loopafstand van de historische binnenstad en in de buurt van de haven waar we nog een bekende zeiler tegenkomen die er met z'n jacht ligt. Dat had natuurlijk ook gekunt, Colombia lijkt ons een interessant land, ook om met je eigen boot te doen en sinds een paar jaar schijnt het ook veilig te zijn. Als we door het Panamakanaal zouden gaan, dan zouden we zeker deze kust bezeild hebben. Maar wij maken andere keuzes en bovendien ontbreekt het ons weer eens aan tijd.

Iedere dag gaan we even langs bij hetzelfde tentje onder een grote boom om vers geperst annanassap te drinken. Eigenlijk is het een ceviche-tent. Ceviche is een gerecht van rauwe vis, garnalen of schelpdieren gemarineerd in limoensap met heel veel uien, knoflook en verse koriander. Net zoals wij in Nld even een broodje haring bij de visboer op straat eten, stoppen de mensen hier even voor een bekertje ceviche. Er zijn al bekertjes vanaf $1,50 en de grootste halve liter pot kost $5,-. Ik vind het heerlijk. Er zijn tal van goede musea, maar we hebben er op deze reis al zoveel gezien dat we ons beperken tot het scheepvaartmuseum, (waar we vast komen te zitten in de lift) en het paleis van de Inquisitie dat vol staat met bizarre martelwerktuigen en een heuze heksenkamer heeft. Om te bepalen of iemand een heks was, werd ze door katholieke geestelijken ondervraagd aan de hand van een wetenschappelijk opgestelde lijst van 25 checkpunten. "Hoe komt het dat u kunt vliegen? Waar vliegt u zoal naar toe?". Opmerkelijk was ook het aantal joden dat hier vervolgd, gemarteld en uiteindelijk vermoord werd. In de tuin, wat de gemeenschappelijke tuin was van de bisschop die in het aangrenzende pand woonde, staat oa een guillotine.

De oude binnenstad werd vroeger goed verdedigd door een dikke muur met om de 500m staan ronde uitkijktorentjes met schietgleuven. De stad is van drie kanten omgeven door zee en aan de vierde kant staat het indrukwekkende Castillo de St Philippe. We hebben nog nooit zo'n monsterlijk massief fort gezien. Het was zeker in die tijd een meesterstuk en ondanks herhaalde aanvallen door oa Francis Drake is het fort nog nooit gevallen. Om van de ene ruimte in de andere te komen moet je door een ondergronds gangenstelsel dat voor ons een labyrint blijkt te zijn. Je loopt door donkeren, lage nauwe tunnels en het is telkens weer spannend om te kijken waar we uitkomen. Vanaf de torens van het fort heb je een fantastisch uitzicht over zowel het oude als het nieuwe Cartagena. We blijven een week in Cartagena en ontdekken steeds meer leuke pleinen en goede restaurants. Van harte aan te bevelen!

Terug naar logbook