ABC-eilanden en de Grote Antillen

Het Stille Zuidzee gevoel van de Venezolaanse eilanden

Na afscheid genomen te hebben van Bob en Lia van de Boyo vertrekken we vrijdagochtend 4 october samen met onze vrienden Willem en Annehei van "Meerlust" richting Bonaire. Eindelijk weer eens lekker zeilen! Hier in het Caraibisch gebied lig je eigenlijk veel te lang en te vaak stil. Voor beide boten is het blijkbaar even wennen. We zien dat Meerlust z'n Bollejan gehezen heeft. Dat ziet er fraai uit. We maken er foto's van. Ik heb de camera nog niet weggeborgen of er schiet een schoot los en het 150m doek wappert als een reuze zakdoek in de wind. Zeer herkenbaar en vermakelijk als het een ander overkomt. Maar Willem is voor geen gat te vangen en heeft het allemaal weer snel onder controle en spuit er als de wiederweerga vandoor. Dat laten we natuurlijk niet op ons zitten en besluiten naast onze lichtweergenua ook nog eens de gewone genua uit te bomen. Dat is gewoonlijk een fluitje van een cent, maar de genua was er tijdens onze rugzakvakantie afgeweest en nu zaten de schoten dus verkeerd door de blokken. Bovendien doet "opeens" de stuurautomaat het even niet meer waardoor de boot spontaan een U-turn wil maken en Zwerver even op een fladderende vlinder lijkt. Uiteraard hadden onze buren ook de camera klaarliggen om ons gestuntel vast te leggen.
We hebben nog nooit eerder samen met een andere boot opgezeild en zijn eigenlijk wel benieuwd hoe twee totaal verschillende jachten (Meerlust is een 55 voet Contest) onder zeil toch bij elkaar in de buurt kunnen blijven. De oplossing komt vanzelf: de bollejan van Meerlust scheurt helaas en moet vervangen worden door een normale genua. Nu is Zwerver opeens de snellere boot, maar met onze rolgenua kunnen we gemakkelijk reven en de snelheid aanpassen. Als de wind 's nachts draait waardoor wij niet meer met 2 voorzeilen kunnen zeilen, rolt Meerlust z'n genua gedeeltelijk in. Dat is voor hen wel iets minder prettig varen want met zo weinig zeil begint de boot te rollen. Maar goed, voor je vrienden moet je tenslotte wat over hebben.
De hele weg blijft het lekker 15 tot 20 knopen waaien, een beetje varierend van zuid-oost tot oost, en we lopen lekker een knoop of 6. Als de volgende dag het Venezolaanse eiland Blanquilla in zicht komt zien we een drietal lokale vissersboten aan de horizon en meteen start ook het radioverkeer. Het spaans gaat een beetje te snel voor ons, maar we horen "velero" wat zeiljacht betekent en even later ook "un otro, un amigo". Aha, wij zijn dus gesignaleerd. Daar gaat onze poging om "onder de radar" te blijven. Om hier te mogen zeilen moet je officieel ingeklaard zijn in Venezuela, maar dat is een flink eind om en bovendien zo crimineel dat je wel goed gek moet zijn om daar naar toe te gaan. Wij zijn hier dus illegaal. Hopelijk komen deze vissers ons gewoon een visje brengen. Als we de ankerplek naderen zien we tot onze verrassing dat er nog een jachtje ligt en een paar mijl verderop nog een. De vissersmannen zwaaien vrolijk naar ons, maar hebben blijkbaar vrijaf vandaag. Geen vis dus maar opgewarmde kip-curry.
Blanquilla doet z'n naam eer aan. Het water is cristal helder en het strand lijkt wel van poedersuiker. Het land is dor en droog en zo plat als een pannekoek. Er groeien alleen maar cactussen en andere stekelbosjes. Als we een wandelingetje maken komen we terug met schrammen op ons lichaam. Ook de bodem ligt bezaaid met stekels. We zien geen mensen, wel horen en ruiken we ezels. Het water is van dusdanige temperatuur dat zelfs Harry mee gaat snorkelen. Er zit ontzettend veel vis: papagaaivissen, trompetvissen, angelvissen en ook een enkele schildpad. Ze zijn niet schuw, we kunnen ze bijna aanraken. Ook het koraal, meest pijpkoraal en waaiers, is mooi. Het is lang geleden dat we zo heerlijk gesnorkeld hebben. De volgende ochtend worden we gewekt door een vijftal dolfijnen op nog geen twee meter van de boot. Wat doen ze raar, het lijkt wel of ze een nummertje aan het maken zijn, en dan bedoel ik geen circusnummer. "Heb je die neukende dolfijnen gezien?" roept Willem op z'n hollands. "We vroegen ons af wat die vijfde erbij deed"....

We hadden best nog wel een dag of langer willen blijven, maar gezien onze illegale status lijkt ons dat niet verstandig. Dus zeilen we verder richting de volgende eilandengroep, Los Roques, een afstand van 120 mijl, minder dan een dag en een nacht zeilen. Los Roques is al sinds 1972 een beschermd natuurgebied, het oudste en tevens grootste in het Caraibisch gebied. De archipel bestaat uit meer dan 300, meest onbewoonde eilandjes, en ligt op ongeveer 75 mijl uit de kust van Venezuela. Als je een lijn trekt van Grenada naar Bonaire, dan vaar je er recht overheen. De aanloop is in eerste instantie niet goed te zien. We kunnen alleen de kale rotsen van het hoofdeiland herkennen, maar daar willen we nu juist niet naar toe. Pas als we dichtbij zijn kunnen we de eilandjes van elkaar onderscheiden en zien we ook de riffen waar we doorheen moeten. Dat ziet er heel anders uit dan aangegeven in de pilot. Bovendien kloppen onze electronische kaarten hier ook niet. We moeten dus op onze ogen navigeren en naderen voorzichtigheidshalve de lagoon van Francisquis op de motor met de laagst mogelijke snelheid. Onder zeilers doet het volgende wrange gezegde de ronde: er zijn twee soorten zeilers, zij die al op het rif hebben gezeten en zij die nog moeten. In ons geval klopt dat wel een beetje. Willem heeft al eens schipbreuk geleden (en z'n schip verloren) op een rif in Sudan. Wij hebben twee keer het rif "gekust" in Fiji maar zijn er slechts met wat krassen op onze k(ziel) vanaf gekomen. Zwerver gaat dus voorop en wijst de weg aan.

Wederom een prachtige ankerplek maar helaas... wij zijn niet de enigen die dat vinden. Als we onze siesta gedaan hebben en aan land willen gaan om onze versgevangen tonijn te grillen, zien we dat het maagdelijke strandje vol staat met parasolletjes met daaronder toeristen met koelboxen. Met snelle motorbootjes, die ons hinderlijk dicht passeren worden ze vanaf het hoofdeiland Grande Roque aangevoerd. Onze hoop dat het na 16.00 uur wel weer rustig wordt, wordt de bodem ingeslagen als er opeens een stuk of 5 grote motorjachten pal voor ons komen ankeren. Twee groten met Nederlandse vlag en ligplaats Willemstad, liggen zelfs bovenop ons anker! Naast ons komt een Venezuelaans jacht met een juffrouw in doorschijnende jurk en een bewaker in militair uniform met een automatisch geweer om z'n schouder. 's Avonds gaat de knal blauwe "sfeer"verlichting aan en kunnen we meegenieten van de discomuziek uit hun boombox. Dat is nou wat je noemt een andere culturele ervaring. Maar de tonijn aan boord van Meerlust smaakt er niet minder om.

Het kan dus alleen maar beter worden. En dat wordt het ook. Fantastisch zelfs. Crasquis, een eilandje een paar mijl verderop,heeft een oneindig lang super fijn poederstrand dat kraakt onder je voeten als vers gevallen sneeuw. Je kunt er geen kastelen van bouwen. Annehei en ik gaan op "expeditie, onze mannen achterlatend in het 30 graden warme "pierebadje". We ontdekken van alles: reusachtige oranje zeesterren die minstens een kilo wegen, een mariakapelltje, twee skeletten van een dolfijn, roggetjes en krijsende meeuwen die ons alsmaar voor de voeten blijven lopen. De noordpunt van het eiland is rotsachtig. We lopen over bergen aangespoeld koraal. Helaas ligt er ook veel aangespoeld plastic tussen. Er staan een stuk of tien torentjes van op elkaar gestapelde platte keien. Wat de betekenis ervan is weten we niet. Misschien gewoon een herkenningspunt.

 

Met stip bovenaan onze lijst van favoriete ankerplekken staat Sarquis, een klein eilandje omgeven door rotsen en koraalriffen. Het water is hier zo mogelijk nog blauwer en snorkelen kunnen we gewoon vanaf de boot op ons "huisrif". Vanuit de mast maak ik een foto van Meerlust. Het water is zo helder dat ik vanaf 20 meter hoogte de trompetvissen en schildpadden kan zien zwemmen. Af en toe worden we opgeschrikt door gespatter van een grote school visjes, die nagejaagd worden door grotere vissen. Meteen komt er een groep hongerige meeuwen en Jan van Genten op af. Het eiland is laagliggend en droog. Er groeien geen cactussen maar de bodem is bedekt met vetplantjes, een soort groene tuinbonen met gele en paarse bloempjes. In een half uurtje loop je erom heen. In het midden treffen we een drietal zoutmeren aan met dikke roze zoutkristallen op de bodem. Het is ondiep, maar als ik er doorheen wil waden zak ik tot m'n enkels in de stinkende prut.
Met het bijbootje maken we een uitstapje naar de lagune op het naburige eiland Espenqui, een nat en onstuimig tochtje over open zee. De lagune is omzoomd door mangrovebossen die vol zitten met vogels, meest pelikanen. Het is er erg ondiep. Geconcentreerd en turend in de bosjes varen we langzaam een rondje door de lagune als opeens uit het niets een stelletje pelikanen als bommetjes uit de bomen komen vallen. Er zitten hier wel honderden! Het barst van de vis en ze hoeven alleen hun gote bek maar open te trekken. Maar er zijn kapers op de kust. Zodra een pelikaan een vis gevangen heeft, proberen brutale meeuwen die weer af te pakken. Ze gaan gewoon op de rug of zelfs op de kop van de pelikaan zitten. Op de terugweg passeren we een stinkende Jan-van-Genten-kolonie. Deze soort heeft knal gele zwemvliezen. Juist op het moment dat we door onze voorraad verse vis raken, komt er een kleine vissersboot langs met haaitjes en een mantarog. We ruilen een flesje wijn en batterijen tegen twee flinke moten haaievlees. In de soep en gebraden als steaks zijn ze de eerste dag lekker, maar blijkbaar moet haaievlees krakelvers zijn want de volgende dag stinken ze naar amoniak. Volgende keer maar "gewoon" weer tonijn. En zo wanen we ons een week of twee in "het paradijs". Net als de vogels en vissen: eten, drinken, een beetje luieren en een beetje vrijen, niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde.

 

Vanaf onze laatste exotische ankerplek op Los Roques (Carenero) vertrekken we richting Islas de Aves, twee archipellen die bekend staan om hun grote populaties Jan-van-Genten. De afstand is minder dan 40 mijl. We vertrekken vroeg om er zeker van te zijn dat we met goed licht aankomen om onze weg door de riffen te vinden. Op de route naar Bonaire heb je altijd een mooie wind en stroom mee maar dat wil niet zeggen dat het altijd lekker zeilen is. We maken met slechts onze lichtweergenua gehezen weliswaar een keurige snelheid van 6 knopen, maar het is vreselijk rollerig. Af en toe maken we zelfs zo'n stevige zwieper dat er een kastje (dat uiteraard niet geborgd was) open klapt en de shampoofles over de vloer rolt. De vis wil vandaag niet bijten. Met uitzondering van een baracuda dan, maar die gooien we meestal terug omdat we die niet zo lekker vinden en er bovendien een kans bestaat dat die besmet is met ciguatera, een koraalvergifitiging waarvan je verlammingsverschijnselen kunt krijgen. De aanloop is eenvoudig en de ondiepten zijn goed te zien. Het anker valt in 10m zwembadwater voor een mangrovebos dat vol zit met vogels. Er blijken kanaaltjes door het mangrovebos te lopen waar je met de dinghy doorheen kunt. Dit hadden we niet verwacht. Ook niet dat er zoveel vogels zouden zijn. Het zijn er wel honderden, misschien wel duizenden. En tot onze blijde verrassing hebben ze ook nog jongen. Boobies (Jan-van-Genten) zijn hele guitige vogels met een clowneske kop. Deze soort heeft een blauwe snavel met een rode stip en knal rode zwemvliezen. De jonkies zien er koddig uit. Ronde witte pluizebolletjes met kleine zwarte kraalogen en diezelfde grappige snuit als hun ouders. Ze doen me denken aan Pino van Sesamstraat. Het zijn wel een beetje uilsuikens. Ze kijken je heel nieuwsgierig aan maar als je te dichtbij komt verstoppen ze hun kop snel onder hun donsveren en kijk je tegen de kont aan. Ik zie je niet, dus zie je mij ook niet. En inderdaad, op die manier gaan ze gewoon op in hun omgeving. We kunnen er geen genoeg van krijgen en maken honderden foto's waarvan we later zeker 75% weg kunnen gooien omdat ze bewogen zijn in zo'n wiebelig rubberbootje.

Na een paar daagjes op Aves Barlevento "gevogeld' te hebben, zeilen we verder naar Aves Sotavento. We nemen de noordelijke aanvaarroute, ver buiten het rif, om maar niet opgemerkt te worden door de Venezolaanse kustwacht die een post heeft op het meest zuidelijke eiland. Die moeite hadden we ons kunnen besparen. We zitten nog maar net goed en wel bij Meerlust aan boord een ankerborrel te drinken, of daar komt een kleine boot met vier mannen waarvan 1 met een automatisch geweer met hoge snelheid op ons af varen. Ze bezoeken eerst een ander jacht. Een ander jacht besluit het zeker voor het onzekere te nemen en licht snel z'n anker. Willem schenkt nog maar eens een cuba-libre in en we wachten met z'n viertjes gewoon af wat er gebeuren gaat. Nou, eigenlijk niets dus. Ze komen weliswaar met een ongevraagde vanzelfsprekendheid aan boord en de man met het machinegeweer stelt zich prominent op aan het achterdek en probeert intimiderend te kijken. Maar Annehei spreekt goed spaans en weet het viertal te ontwapenen met cola en bier. Twee mannen gaan met Willem en Annehei naar binnen op zoek naar drugs of zo en de baas werkt met ons de uitgebreide vragenlijst af. Waar komen jullie vandaan en wanneer zijn jullie vertrokken. "Uit Grenada, vier dagen geleden", zegt Harry met een stalen gezicht. En nu maar hopen dat ze de uitklaringspapieren niet willen zien want dan kunnen we niet uitleggen waar we de afgelopen 15 dagen zijn geweest. Het is maar goed dat Willem binnen zit. Maar deze jongens zijn heus niet op hun achterhoofd gevallen. Ze weten heus wel dat wij geen echte boeven zijn. Ze kunnen kiezen voor de formele weg en ons een boete opleggen, of gewoon gezellig meedoen en hopen dat er voor hun nog iets te snaaien valt. En gezellig is het eigenlijk best wel. Hilarisch zelfs als Willem z'n (verlopen) paspoort laat zien en de kustwachtbaas verbaasd uitroept: Wilhelmus Wenzes Joseph Maria?! Wat is dat nou weer voor een naam. " Maria, no es normal por un hombre en Venezuela". Ze liggen helemaal dubbel, wij trouwens ook. Als ze klaar zijn op Meerlust is Zwerver aan de beurt. Ieder kastje en vloerluik gaat open en de gewapende man tikt zelfs met z'n geweer op het plafond op zoek naar holle ruimten. Ons wordt wel naar een uitklaringsbewijs gevraagd, maar Harry houdt zich van de domme . "No entiendo" oftewel "geen idee wat je bedoelt". Een flesje wijn en een restje rum doen wonderen. Iedereen happy.

Als je denkt, witter kan het strand en blauwer kan het water niet worden, dan wordt je in dit gebied telkens weer verrast. Onze ankerplek op Aves de Sotavento lijkt wederom op een plaatje uit een vakantiebrochure. Als we aan land gaan op het eilandje Curricai, worden we begroet door een groepje pelikanen dat z'n vleugels staat te drogen op het strand. Nieuwsgierig (of achterdochtig?) houden ze ons met hun kraaloogjes in de gaten en als we te dichtbij komen vliegen ze in formatie weg. Tussen de droge stekelbosjes glippen kleine leguaantjes weg. Aan de leizijde van het eiland is het water turkoois van kleur en het strand ongerept. Er zitten gaatjes in het zand waar kleine krabben zich snel verstoppen. Eentje blijft er stoer zitten en als ik hem probeer aan te raken gaat hij in gevechtshouding staan. Maar aan de "aandewindse" kant breken de golven op de rotsen, allerlei rotzooi uit de bewoonde wereld uitspuwend. Crocs zijn ook in dit gedeeltje van de wereld populair. We vinden ze in alle maten en kleuren. Ook moet menig kind of hond z'n bal kwijt zijn want we verzamelen er tientallen. Er staat zelfs een witte porceleinen WC-pot midden op het eiland, nog helemaal in takt. De volgende ochtend staan we vroeg op en worden beloond met een waanzinnig spectaculaire zonsopgang. Een mooier afscheidskado hadden we zelf niet kunnen bedenken. Onderstaande fotos zijn gemaakt door Annehei.

 

Ondergedoken op Bonaire

Laten we nou altijd gedacht hebben dat Bonaire z'n naam te danken heeft aan de Spanjaarden en dat het "schone lucht" betekent. Maar zodra we de zuidpunt van het eiland ronden en de zoutbergen van Akzo en de beruchte slavenhutjes in zicht komen, ruiken we af en toe een aflandig petrochemisch luchtje. Volgens de touristenbrochure is de naam Bonaire afkomstig van de Arawak indianen, de eerste inwoners van dit eiland die hier rond 1400 BC vanuit Venezuela naartoe gezeild zijn. Bonaire is afgeleid van "Bonay" en betekent in indianentaal "vlak land". Klinkt aannemelijk, maar de afgebeelde wigwam van Perry Sport maakt het verhaal toch wel een beetje ongeloofwaardig.

Het contrast met waar we vandaan komen had niet groter kunnen zijn. We liggen aan een verplichte mooring voor $10 per dag vlak aan de boulevard van Kralendijk tussen een twintigtal andere jachten, veel te dicht op elkaar om even lekker in Adam & Eva-kostuum te gaan badderen. Iets verderop ligt het superjacht "Tatoosh" dat even voor de lol z'n helicoptermotor aan het testen is. In de davitts hangt nog een speeltje: een zeiljacht ter grootte van Zwerver. De eigenaar is Paul Allen, medeoprichter van Microsoft en dit is niet z'n enige superjacht. Het is weekend en dat betekend harde muziek tot in de vroege uurtjes. En als dat eindelijk ophoudt worden we wakker gehouden door muggen. Maar onze rentree in de bewoonde wereld heeft ook z'n positieve kanten. Zo laten we ons een lekkere malse biefstuk voorschotelen in een restaurant met vriendelijk lachende blonde serveersters. Vrijwel alle tafeltjes zijn bezet en overal om ons heen wordt Nederlands gesproken. Is het herfstvakantie in Nld of zo? We zouden ons "thuis" moeten voelen, maar het voelt alsof we op een andere planeet zijn beland. De inwoners van Bonaire spreken trouwens helemaal geen Nederlands maar Spaans of Papiamento. Sinds 10-10-'10 is Bonaire een gemeente van Nederland en is de Antilliaanse gulden vervangen door de US dollar. Sindsdien is het leven voor de locale bevolking heel duur geworden, net zoals toen wij de euro kregen. Nederlanders worden altijd nerveus als overzeese gebieden dezelfde rechten krijgen als wij. "Dan komen ze allemaal hierheen om hun hand op te houden," is een reaktie die we nogal eens gehoord hebben. Niets is minder waar. Het is volgens een locale winkelier eerder andersom: Nederlanders, meest gepensioneerden, komen hier naar toe en kopen een leuk huisje met zwembad, of beginnen opportunistisch een restaurant of duikschool. Voor de locale bevolking betekent het dat de prijzen nog meer opgedreven worden.

De volgende ochtend gaan we boodschappen halen bij Appy Heijn waar we ondersteboven zijn van het luxe aanbod. Het maken van een lijstje hadden we achterwege kunnen laten. Het boodschappenkarretje wordt met vier handen tegelijk volgeladen met absoluut onweerstaanbare produkten die zowel slecht voor ons lijf als voor onze portemonee zijn: echte scheepsknopendrop, de enige echte vol vette chocolademelk, van Dobbe-kalfskroketjes, paprika-ribbeltjeschips, oude Amsterdamse kaas, karnemelk, roggebrood en drentse metworst. En dat moet allemaal meegesleept worden naar de dinghy, 45 minuten lopen in 35 graden hitte over een stoffige weg zonder een spatje schaduw! Maar voor een verkoelende duik springen we gewoon overboord. Bij nader inzien is de ankerplek helemaal zo gek nog niet. Zwerver ligt precies boven een "drop-off" met fantastisch koraal en een overvloed aan kleurige vissen. Het is zowel voor de zeilers als voor het onderwaterleven goed dat er moorings gelegd zijn. Ze worden goed onderhouden en $10 per dag kost je de kop nu ook weer niet. We verhuizen een paar honderd meter verderop op zwemafstand van de duikschool waar we voor $107 een "tankkaart" kopen waarvoor we 22 keer onze duikflessen mogen vullen en onze spullen (en onszelf) kunnen spoelen met zoet water. Ideaal dus om onze duikvaardigheden weer een beetje op pijl te brengen. Bonaire is helemaal ingesteld op duiktourisme. Er is een honderdtal duiksites die gemarkeerd zijn met een gele mooring. Sommigen zijn gewoon bereikbaar vanaf de kant en anderen doen we met onze dinghy.

De onderwaterwereld is nog net zo mooi als wij het ons herrinneren. Ooit ergens in de vorige eeuw hebben we hier ons duikbrevet gehaald. De toenmalige duikschool zit er nog maar heeft een andere naam gekregen. Ook is het strand weggespoeld toen orkaan Lenny in 1999 over het eiland raasde. Op het bovenste plateau heeft het koraal daarvan veel te lijden gehad, maar de drop-offs zijn grandioos. We zien allerlei soorten en kleuren harde en zachte koralen, sponzen, annemonen, Gregoriaanse waaiers. Behalve het gebruikelijke spul dat je ook ziet met snorkelen, zien we morenen, zeeslangen, grote scholen barracuda's en jacks, rainbow runners, een enkele zwarttip rifhaai, enorme kreeften, dansende garnalen en een zeepaardje. Toch maar eens een onderwatercameraatje aanschaffen. Terwijl Nederland zich drukt maakt om Zwarte Piet duiken wij lekker een paar weekjes onder.

 

Lichte averij op Klein Curacao

Onze terugkeer naar de bewoonde wereld stellen we nog even uit door een tussenstop te maken op Klein Curacao. Min of meer noodgedwongen want er staat absoluut geen zuchtje wind. Op de motor glijden we over het spiegelgladde water. Curacao zien we al van verre liggen, maar de karakteristieke vuurtoren van zustereiland Klein Curacao komt pas na een uur of vijf in zicht als we er al bijna zijn. Een collega-zeiler die dit gebied goed kent waarschuwde ons voor de slechte ankergrond en steil aflopende bodem van Klein Curacao waardoor je bij zgn "reversal" wind heel vervelend aan lager wal kunt raken. Hij adviseerde ons een van de twee meerboeien op te pikken. Goh, wat hebben we weer mazzel, de meerboei is nog vrij. Als we er een meter of twee vanaf zijn breekt de gashendel spontaan af, maar een passerend motorbootje is zo aardig om de landvast door het oog te halen. "Reversal" wind krijgen we niet. Helemaal geen wind, met als gevolg dat de boot met het keren van het tij draait en lekker tegen de stalen meerboei ligt te bonken. Behalve dat dat zeer hinderlijk is, is het natuurlijk ook niet goed voor de verf. Dus staan we 's nachts met z'n tweeen aan dek te kloten met stootwillen en dekzeiltjes die uiteraard niet op de plaats blijven hangen. De volgende ochtend zien we dat zowel stuurboord- als bakboordzijde vol lelijke krassen zit. Over mazzel gesproken. Het gashendelprobleem wordt door de inventieve schipper tijdelijk opgelost door er een lastang op te zetten. Net zoals de scheur in de lichtweergenua, veroorzaakt door een niet-afgeplakte splitpen van de zijstag, tijdelijk geplakt word met ducttape. Van een afstand lijkt het net een zeilteken. Weer een aantal klusjes voor de lijst die maar nooit korter wordt.

Dushi Curacao

"De mensen zijn helemaal niet aardig op Curacao" vertelt diezelfde medezeiler die ons ook waarschuwde voor "reversal" winds. Laat hij het gelukkig mooi weer bij het verkeerde eind hebben! De mensen op Curacao zijn zelfs supervriendelijk. Het inchecken bij de douane was een van de minst efficientste van onze zeilcarriere maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door de vriendelijkheid van de beambten. Als we na 1,5 uur eindelijk een print-out onder ogen krijgen met de vraag die vooral goed te controleren, lezen we maar met opzet over de fouten heen, bang dat we hier anders morgen nog zullen zitten. "Waar kunnen we hier ergens een hapje eten?" vragen we. Na consultatie met twee collega's en een uitgebreide uitleg loopt de douane-ambtenaar met ons mee naar buiten om nog eens de richting aan te wijzen. Het blijkt een oude markthal te zijn die nu omgetoverd is tot eettent met uitsluitend locale gerechten. Nog voordat we bij Annehei en Willem aan kunnen schuiven heeft een aardige serveerster me al bij de hand gepakt en keuvelt er gezellig in het Papiaments op los. Het locale eten, bestaande uit een soort kleffe nassie met verschillende soorten vleesprakjes, is niet zo aan ons besteed maar de sfeer is niet te evenaren. Willemstad is absoluut een van de leukere steden in het Caribisch gebied. De stad bestaat uit twee gedeelten die door een "pondjesbrug" met elkaar verbonden zijn. Vooral op Punda zien we nog veel hollandse geveltjes die in vrolijke caraibische kleuren geschilderd zijn. Als je door de hoofdstraat loopt waan je je met een beetje fantasie zelfs even in de Kalverstraat. Aan de kade ligt een enorm cruiseschip aangemeerd waar een paar duizend touristen uitstromen. Er tegenover is de "floating market" een tiental Venezolaanse kottertjes op een rij die verse vis, fruit en groenten verkopen. Als ik een vissersman vertel dat wij zeker een drietal grote baracudas terug hebben gegooid uit angst voor ciguatera verklaart hij ons voor gek.

We liggen voor anker op het Spaanse Water, een mooie en goed beschutte baai ongeveer 10km ten zuiden van Willemstad. Er liggen ongeveer 100 jachten en dat is nog nooit zo weinig geweest, laten we ons vertellen. Toen Curacao in 2010 onafhankelijk werd, werden de immigratieregels aangepast en konden jachten hier nog maar maximaal 3 maanden blijven. Veel jachten die hier jaarlijks tijdens het orkaanseizoen verbleven zijn toen uitgeweken naar Grenada en Trinidad. En ondanks dat na enige lobbywerk en uitleg over stimulering van de economie de regels weer teruggedraaid zijn, is het aantal jachten nooit meer teruggegaan naar de 500 die hier toen kwamen. Jammer voor Curacao, maar wij vinden het prima zo. Vrijdags is er "happy hour" bij Norman, een lokaal biertentje waar je ook kroketten en frikandellen kunt eten. Behalve zeilers tref je hier ook plaatselijke inwoners, vakantiegangers en ex-zeilers die hier zijn blijven hangen. Er speelt een goede life band die enthousiast een mix van swingende Cubaanse, zwijmelende Curacaose en Nederlandse gouwe ouwe ten gehore brengt. De Curacaoenaren dansen, de Nederlanders brallen. "Een beetje verlie-hiefd....." Oh nee toch. Dat komt er nou van.
Onder begeleiding van Timo, een prettig gestoorde Curacaoenaar met een hoog ADHD-gehalte maken we een paar leuke wandelingen naar Bullenbaai en de Cabritzberg. We krijgen uitleg over het ontstaan van het eiland, en over de eigenaardigheden van de locale blommekes en bijtjes. Zo leren we oa dat een rode kleurstof verkregen kan worden door Pali Brazilia, een soort hardhout, te raspen. Dat raspen werd gedaan door gedetineerden in de gevangenis van Amsterdam, ook wel het rasphuis genoemd. En zo heeft hij ook verhalen over de toevallige ontdekking van indigo, een groen plantje, dat na spontane fermentatie in iemands broek de blauwe kleur kreeg. En over vermillioenrood, de enige niet-kankerverwekkende kleurstof die vroeger kostbaarder was dan goud. Het leukste aan deze wandelingen is dat behalve zijn twee honden, er ook een aantal Antiliaanse vrouwen mee gaan zodat wij ook nog iets opsteken van de couleur locale. Na een van de wandelingen is er een borrel met hapjes bij Timo op de woonboot. Hij pakt z'n gitaar en binnen 5 minuten staan de Antilliaanse vrouwen te dansen. Supergezellig.

Behalve de bijna dagelijkse bezoekjes met het gratis busje aan supermarkt Vreugdenhill ondernemen we niet zo bar veel. We brengen de lichtweergenua naar de zeilmaker (Doyle) die hem tot onze verrassing gratis repareert. "Ach, dat was het werk nu ook weer niet". Nou, heel erg bedankt Harm! De verstaging wordt nagekeken, een beetje bijgesteld en nu wel goed afgeplakt en we werken een aantal plekjes weg op het dek en zetten de vloeren onder de keuken in een nieuwe laag epoxy-tar. Oh ja, de gashendel wordt natuurlijk als eerste gemaakt. We vinden een zo-goed-als-nieuwe 2e handse voor slechts $10 en hij past precies. Scheelt weer $120. Budget Marine en Island Waterworld, door ons omgedoopt tot "Ripp-off Marine en "de Scheepsjuwelier" proberen we zoveel mogelijk te mijden. Aankopen voor de boot worden uitgesteld totdat we in de USA zijn. Wel komt er een nieuwe Hollandse vlag , want koning Willem en koninging Maxima zijn in town. Toen ik in de stad was met Maxima (niet samen) was zij aan het zwaaien en ik jogging-schoenen aan het passen. Toen ze passeerden zat ik dus met de rug naar ze toe. En de nieuwe vlag ligt nog in de verpakking..... Onze intenties waren goed, maar soms gaat er in de uitvoering wel eens iets mis. Ook Sinterklaas lopen we mis. Op de foto in de krant zien we dat de wit geschminkte Sint vergezeld wordt door rasta-pietjes met zonnebrillen op.

Ondertussen wordt het steeds rustiger op de ankerplek. Het seizoen is begonnen. Een aantal boten vertrekt richting Panamakanaal voor hun "Rondje Wereld" maar de grote bubs gaat richting St Maarten. Meerlust vertrekt ook. Zij gaan via Colombia en Niguragua naar Cuba waar wij ze weer hopen te treffen. Wij doen de laatste boodschappen en als de weergoeroes het groene sein geven vertrekken we richting Haiti.

 

Haiti, da's wel even wat anders

De gribfiles zitten er faliekant naast wat betreft de windvoorspelling voor de 480 mijl van Curacao naar Haiti. In plaats van de beloofde 20 knopen uit het oosten, krijgen we 30 knopen uit het noord-oosten met af en toe zelfs een uitschieter naar 35 tot 40 knopen voor een bui. Dat gebeurt uiteraard 's nachts tijdens mijn wacht waarbij ook de stuurautomaat er eventjes mee op houdt. In een vlaag van voorzienigheid hadden we gelukkig het tweede rif al op tijd gezet. De laatste keer dat we zulk hondeweer hebben gehad was rond Kaap de Goede Hoop, waar je het ook verwacht. Hier in de Carieb waren we verwend met meelopende winden en een stralend zonnetje. We krijgen zoveel buiswater en zelfs brekers over ons heen dat we onze zwaar-weer-jacks uit het vooronder halen. Die zijn ondertussen ook al weer een jaar of twintig oud en beginnen uit elkaar te vallen. De rubbercoating laat los en overal in de boot vinden we (ook na een paar schoonmaakbeurten nog) rode schilfers. Het is maar goed dat we voor 2 dagen gekookt hebben en alleen maar even snel een hap marcaroni op hoeven te warmen, want lekker kokkerellen is er even niet bij. Met het patent aanvragen van Harry's ingenieuze systeem om het water uit de ankerbak te houden wachten we nog maar even. Het systeem behoeft duidelijk nadere verfijning want tot 3 keer toe moeten we een emmer water aftappen nadat we geconcludeerd hadden dat het beddegoed weer zeiknat was. Ondanks dat dit dus geen plezierreisje is, zijn er toch ook positieve punten te noemen: brekende golftoppen hebben fascinerend mooie blauwe kleuren. We weten opeens weer wat echt zeilen is en kunnen toch wel concluderen dat we, op een paar ergernisjes na, de zaken redelijk op orde hebben. We zien vallende sterren en onze wens om heelhuids op plaats van bestemming te komen, wordt vervuld. En het mooiste van alles: we komen zelfs een dag eerder aan dan geplanned.

Vergezeld van een grote groep dolfijnen die minstens een uur vrolijk voor onze boeg uit blijven springen, naderen we Ile a Vache, een klein eiland aan de zuid-west zijde van Haiti. Hier in de windschaduw van het eiland houdt de wind er spontaan mee op zodat we de laatste 25 mijl moeten motoren. Nog voordat we land in zicht krijgen ruiken we de geur van Afrika. Houtskool en verbrand afval. Dan zien we overal de witte zeiltjes van locale vissersbootjes, soms niet meer dan een uitgeholde boomstam, maar wel met een enorm uitgestukt gaffelzeil. Ze zwaaien en wij zwaaien natuurlijk terug. Het is net alsof we aankomen in Madagascar of Mozambique. Als we Bay de Feret willen indraaien komt er een visser op ons af. Souverein biedt kreeft (langouste) aan voor $3 per stuk. Ze zijn een beetje aan de kleine kant. Het lastige in zo'n situatie is altijd wat je nou moet bieden. Je hebt nog geen idee wat hier de locale prijzen zijn. Er wordt verwacht dat je gaat onderhandelen, maar hoe ver moet je gaan? De beste man bezit praktisch niets en $3 is al een bespottelijke prijs. Zou ie het doen voor 2 voor $5? Souverein lijkt onze gedachten geraden te hebben. "Ze zijn een beetje klein, hier heb je 2 voor $5 en nog twee extra voor in de soep". Wat moet je daar nu op zeggen? We staan heel even stil bij het uitermate complexe sexleven van een kreeft en weten dat wij medeplichtig zijn aan het uitroeien van de populatie. Maar we zijn hypocriet genoeg om ze alle vier lekker op te peuzelen. Mercy, a demain!

De baai is goed beschut, omzoomd door hoge palmen die glinsteren in de zon, met daaronder kleurige huisjes in allerlei staten van afbouw. Nog voor we ons anker uitgegooid hebben komen er al een stuk of 3 kanos langzij. "Wij willen de was wel doen, ik kan water bezorgen, ik ben een gids, je onderwaterschip is vies, je RVS moet nodig gepoets worden etc, etc. " Waar kunnen we ankeren vragen we de jongen die het beste engels spreekt. "Oh overal" zegt hij. We varen in de richting die hij aanwijst, de richting van zijn huis. Maar het knaapje heeft geen rekening gehouden met een kielboot. Als opeens de diepte terugloopt van 8 naar 3 meter lijkt het ons toch beter om het anker gewoon hier midden in de baai te laten vallen. Tijd om bij te komen krijgen we niet. Achtereenvolgens geven Ashley, Michelin, Colby, Pepe en nog een aantal waarvan we namen niet kunnen onthouden acte de presence. Allemaal hopen ze een paar dollar te verdienen door bootklusjes voor ons te doen. Dat is nou het nadeel als je als enig jacht ergens ligt. Maar opdringerig zijn ze niet. We vermoeden dat ze een snelcursus marketing van onze Amerikaans collegazeilers hebben gehad. Niet opdringen, je netjes voorstellen, ze welkom heten op Haiti, evt een paar gratis cocosnoten weggeven. Hoe dan ook, het werkt. We verdelen de werkzaamheden, Pepe's moeder gaat de was doen, Colby gaat de houten doradekistjes schuren, Jenel brengt ons een jerry-can drinkwater en met Ashley gaan we naar de locale markt.

Het voelt een beetje onwerkelijk. Een paar dagen geleden liepen we nog in een luxe supermarkt op Curacao, ons karretje volgeladen met lekkere dingetjes als chocoladeletters, karnemelk en oude kaas, en met een vrolijk Sinterklaasliedje op de achtergrond. Nu zijn we onze coordinatie even kwijt en denken alsmaar dat we ergens in Madagascar of Mozambique zijn. Haiti staat in de top 5 van armste landen in de wereld. Na Niger is het het armste land op het westelijk halfrond waar door toedoen van een combinatie van wanbeleid en natuurlijke rampen, 80% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Dat wil zeggen, moet leven van minder dan $1.25 per dag. Ile a Vache schijnt vergeleken met het vaste land, relatief welvarend te zijn. Het eiland heeft geen last van verloedering en criminaliteit zoals op het vaste land. Maar er is geen werk. De mensen leven van wat de zee en het land hen biedt, ze hebben geen honger en een dak boven hun hoofd, maar daarmee houdt het ook op. Het dorpje Kaiko heeft geen electriciteit of stromend water. Er is een waterput maar om het water te drinken moet je er purificatietabletjes aan toevoegen. Er is 1 drinkwaterpomp maar daarvoor moet je een eindje lopen met je jerry-can. Jenel en Gerdi, jongetjes van 13 jaar leiden ons rond. We lopen over zandpaden langs keurige rieten huisjes met aangeharkte tuintjes versierd met roze schelpen, waarin een varken of een geit aan een boom is gebonden. We moeten iedereen begroeten: salut, bonjour. Dit is de kerk, dit is onze school. Niet iedereen gaat naar school omdat ze het schoolgeld van $20 per jaar niet kunnen betalen. "Maar je kunt ons sponsoren" zegt Gerdi hoopvol. Er is een bakker en we zien een paar kraampjes waar ze crackers en stimulerende ginseng-drankjes en kleine flesjes rum verkopen. Tegen het einde van de middag komen de dorpelingen bijeen op het voetbalveld waar vrouwen gegrilde knakworstjes verkopen. Jenel en Gerdi laten ons trots een hotel zien van waar we een mooi uitzicht hebben over de baai en waar we, in een luie stoel aan het zwembad, een lekker koud colaatje drinken. Als we denken dat ze onder de indruk zijn hebben we het mis. "Ik ben hier al wel zeker 10 keer geweest" zegt Jenel.

Iedere maandag is er markt in Madame Bernard, een plaatsje aan de noordzijde van het eiland. Het is een leuke wandeling van 1,5 uur over de heuvels en langs het strand. Het heeft de afgelopen tijd veel geregend en de modderpaden zijn af en toe onbegaanbaar. We moeten springen van steen tot steen. We passeren mensen op muilezels, het enige juiste transportmiddel op dit eiland. Onze gids Ashley is niet erg spraakzaam. De 19-jarige slungelige jongen is erg verlegen en doet denken aan een homo die nog uit de kast moet komen. De zolen van z'n copy-nikes hangen los en onhandig zit hij steeds z'n afzakbroek op te trekken. De markt is veel groter dan we verwacht hadden. Eerst komen we bij de veemarkt waar mannen en vrouwen met bundeltjes varkens en geiten aan een touwtje met elkaar staan te keuvelen. De varkens hebben een naar voorgevoel want ze gillen als een gek. De geiten zijn hitsig en bespringen elkaar. Op de groentemarkt is het een drukte van jewelste. De kraampjes zijn klein en vaak niet meer dan een stukje plastic met daarop een stapeltje kokosnoten, zoete aardappelen, uien, wortelen, kool en gedroogde vis. Ook liggen er grote bergen suikerriet. Een enkeling beschikt over de luxe van een parasol maar de meeste handelaren staan de hele dag in de brandende zon. Nog geen honderd meter verder staat een gloednieuw overdekt markgebouw met betonnen standjes. Allemaal leeg. De gemeente verhuurt ze voor $25 per dag, maar dat kunnen de mensen hier niet opbrengen. Behalve groente en fruit wordt er ook kleding en schoeisel verkocht. Dit zijn tweedehands spullen, donaties uit Europa en Amerika aan de kerk, die ze weer doorverkoopt aan handelaren. Vrouwen zitten er driftig in te trekken en de kleding wordt ter plekke over de andere kleding aangepast. Het is erg vermakelijk om te zien hoe de dames veel te strakke rokjes over hun dikke achterwerk proberen te hijzen. Passpiegels zijn er natuurlijk niet, goedkeurende blikken van vriendinnen zijn doorslaggevend. We zien een jonge vrouw die onder veel bekijks een prachtige witte trouwjurk staat te passen. De jurk is te nauw en de sluiting op de rug ontbreekt. Als ik een foto wil maken begint de aanstaande bruid furieus te schelden en met haar armen te zwaaien. Ze wil me de camera uit de handen trekken. Oei, ze zijn hier wel heetgebakerd zeg. Voortaan maar beter eerst even vragen.

We gaan terug met een lokale zeilboot. De boot is lek en ik moet iedere 5 minuten een paar emmers water eruit halen. Ashley heeft de prijs afgesproken maar vergist zich in de wisselkoers. Hij vraagt ons of wij akkoord gaan met 75 goud wat ook de locale prijs is. Maar als we willen afrekenen blijkt hij de schipper $3 per persoon beloofd te hebben, dat zou dan 360 goud zijn! Daar gaan we dus niet mee akkoord. Steeds meer mensen komen erbij staan en gaan zich ermee bemoeien. Sam, die door de cruisersgemeenschap aangesteld is om zowel de zeilersbelangen als die van de vissers te behartigen, stelt ons in het gelijk. De schipper is woedend en dreigt Sam vanavond in het donker op te zoeken met een mes! Ashley is er ondertussen stilletjes tussenuitgeknepen. We hebben helaas geen gepast geld en Harry betaalt met een briefje van 250 goud. De schipper rent er snel mee weg en wij kunnen naar het wisselgeld fluiten. Even later ontstaat er een opstootje: een viertal vrouwen loopt luidgillend achter de schipper aan: "vouleur, vouleur!". Voor ons gaat het eigenlijk nergens over. Om te voorkomen dat dit verder escaleert stappen we snel in onze dinghy en gaan terug naar de boot. Jeetje, wat een heetgebakerd volk! De volgende ochtend komt Ashley een beetje timide langs met een tros bananen en een suikermeloen, "cadeau de mama".

Na een weekje Ile a Vache hebben we het wel gezien. Het klinkt misschien niet erg aardig, maar je wordt wel een beetje moe van die armoede. Vooral ook omdat je er bar weinig aan kunt doen terwijl zij veel van je lijken te verwachten. Zodra we wakker worden staat er wel weer iemand langs de zeereling die iets van ons wil. Twee meisjes met een kapotte accu waar Harry een nieuw contactpunt op zet. Een man met een gebroken electriciteitsdraad die een simpel verbindingsblokje nodig heeft. We schenken ons oude grootzeil aan Sam. Hij zorgt ervoor dat het terecht komt bij de visser die het het hardst nodig heeft. En Soeverein, die ons bijna iedere dag opzoekt en kreeften brengt, krijgt een speergun. De vraag is of hij die gebruiken zal of verkoopt voor, in zijn ogen, veel geld. Doet er ook niet toe; hij is er blij mee. Verbouwereerd stamelt hij: "maar ik heb helemaal niets voor jullie". Een paar uur later komt hij terug met een aantal kokosnoten. Er komt ook iedere dag een knaapje van een jaar of 12 langs, gewoon om even te kletsen of om te kijken wat wij aan het doen zijn. Hij is niet zo gewiekst als zijn vriendjes en komt altijd als mosterd na de maaltijd met iets wat wij zojuist al bij anderen gekocht hebben. Op een ochtend komt hij me een "bloemetje" brengen. In een colaflesje heeft hij wat zand van het strand gedaan en daarin staan twee plantestekjes. Water moet ik er zelf bij doen. We geven hem een appel, iets wat hij nog nooit geproefd heeft. Op de laatste dag voor ons vertrek heeft er opeens niemand meer belangstelling voor ons. Dat heeft twee redenen: er is een ander jacht binnengekomen en de amerikaanse dokters zijn gearriveerd. Die komen eens per jaar voor het toedienen van vaccinaties. Er is een enorme toeloop. Vrouwen, kinderen en oude mensen staan de hele dag in de hitte voor de poort van het kliniekje te wachten. Er heerst een feestelijke stemming. De dokters delen nl kadootjes uit. Een klein meisje met prachtige vlechtjes laat glunderend haar nieuwe barbiepop zien. 's Avonds is het feest. Wij luisteren naar de klanken van de vrolijke stemmen en muziek die over het water naar ons toe drijven. Dit is een andere wereld, een wereld waar wij geen deel van uit maken, waar wij ons ook bewust afzijdig van houden. Wij zijn in gedachten al weer ergens anders. Zo gaat dat met waarnemers. Waar wij ook zijn, wij kunnen ons terugtrekken op onze boot, we kunnen altijd weer weg, gewoon het anker lichten en de vrijheid en vrijblijvendheid weer opzoeken.

 

Jamaica, all cook'n curry, ja man!

Soms zit het tegen

Zoals op weg naar Jamaica. Als we de zuidpunt van Haiti ronden, blijkt er veel meer wind te staan dan we dachten en moet er in een vloek en een zucht gereefd worden. Achteraf gezien hadden we gewoon meteen het hele grootzeil weg moeten nemen. Er staat een rare tegenstroom en de golven duwen ons alle kanten op behalve de goede. We schommelen als een gek, de fok zakt telkens in om daarna weer met een harde knal uit elkaar te klappen waardoor de mast als een gek staat te rammelen. De boot schommelt zo erg dat de giek af en toe door de golven gaat. Tja, en dan zit er opeens zo'n rare freak-golf bij die ons bijna 90 graden omdraait waardoor we een klapgijp maken. De bullettalie voorkomt schade aan de mast, maar zit om onverklaarbare reden aan de buitenkant van de zeereling vastgemaakt. Twee scepters, die we in Trinidad nog hadden laten verstevigen, buigen krom en een ander breekt er zelfs finaal doormidden. Om erger te voorkomen besluiten we alsnog het grootzeil te laten zakken en gaan op uitgeboomde fok verder. Dat vaart een stuk rustiger en is ook beter voor de autopilot die overuren moet maken. Zulk soort dingen moet je nooit hardop zeggen. De autopilot houdt het definitief voor gezien en we moeten 36 uur met het handje sturen. Ieder anderhalf uur wisselen we elkaar af, 's nachts om het uur. Het turen op het compas doet pijn aan je ogen. Voor de kust van Jamaica valt de wind weg en de snelheid loopt terug naar 3 knopen. We zijn gewoon een speelbal op de grote golven. Juist als we in het donker de haven van Port Antonio willen invaren, krijgen we bezoek van een onverlichte vissersboot met 4 snelle motoren met daarin 4 gewapende mannen. Het blijkt de maritime politie te zijn die ons onderwerpt aan een uitgebreide drugscontrole, over-de-datum vuurpijlen vindt en ons vervolgens met een intimiderende glimlach een speergun aftroggelt. Op dat moment begint het opeens tropisch te gieten en realiseren we ons dat de navigatie-PC nog buiten staat. We kunnen de genua niet meer inrollen want de furler zit vastgedraaid. En als blijkt dat we ook nog eens $15 per nacht moeten betalen om hier te mogen ankeren, terwijl we ook nog eens een keer onze plee niet mogen gebruiken, hebben we het even helemaal gehad met Jamaica , nog voordat we er goed en wel zijn. Nou, dat belooft wat. I'm vex man!!

Stille? nacht, heilige nacht in Port Antonio

Na een goede nachtrust, een stevig ontbijt en een zalige warme douche (dat laatste was bij de prijs van $15 inbegrepen) is ons humeur alweer een stuk opgeklaard. Nieuwsgierig lopen we de poort van de luxe Errol Flynn Marina uit en tot onze verrassing staan we opeens midden in het centrum van de meest chaotische en vervallen stad van het Caribisch gebied. Er heerst een drukte van jewelste. Marktkooplui met gammele handkarren op wieltjes die gemaakt zijn van op elkaar gespijkerde repen autoband, prijzen luidkeels hun waren aan. De karren zijn volgeladen met het heerlijkste tropische fruit of grote stapels suikerrietstangen die ze terplekke voor je uitpersen. Het troittoir zit vol valkuilen of houdt gewoon ergens op. Iedereen loopt gewoon op straat, en niemand lijkt zich druk te maken over toeterende auto's die rakelinks passeren.

Grote delen van de weg liggen open vanwege werkzaamheden aan de riolering. Veel oponthoud maar in geen velden of wegen werkers te zien. Ergens midden op straat, niet op een centraal plein of zo, staat een bont opgetuigde kerstboom met daaronder geen pakjes maar zwervers. Er zijn opvallend veel beautisalons en nagelstudios die het in deze dagen voor kerst erg druk hebben met kleuren en aanbrengen van kunstig vlechtwerk. Modezaken vol glimmende tricotjurkjes en tijger-BHs met cupmaat F, hebben in de deuropening een 100 wat geluidsinstallatie staan waaruit mierzoete christmass carols in disco-uitvoering schallen. We vinden een slager waar "pork chops" geen carbonades blijken te zijn maar in mootjes gehakt varken met veel vet en bot. Op de markt verkopen ze "jerk"-pork. Dat zijn stukken varkensvlees gemarineerd in een pittige kruidenmix, gebakken op houtskool. We mogen een stukje proeven en bestellen gelijk een pond, zo lekker is het. Helaas raken we diezelfde avond nog aan de dunne. We vragen ons af waar je eieren kunt kopen, in plaatsen als deze ligt dat niet altijd zo voor de hand. Iemand stuurt ons naar de slager, een ander naar de bakker, weer een ander naar een winkel met landbouwgif. Niets, nergens een ei te vinden. "What's wrong with your chickens" vragen we de slager. De man begint te lachen en weet meteen wat we bedoelen. "No eggs man, everybody's making christmas cake man!"

Kerstavond vieren we met nog een drietal jachten met rumpunch op de jachtclub. Daarna gaan we de stad in, waar het nog drukker is dan gewoonlijk. De straten zijn afgezet voor het verkeer en overal is er "nachtmarkt". Er heerst een beetje dezelfde verwachtingsvolle sfeer als bij ons op de laatste avond van de Sinterklaasinkopen. Kinderen mogen extra lang opblijven en lopen opgedoft in hun zondagse kleren aan de hand van hun ouders langs de kraampjes met lekkernijen. De kleintjes hebben fluoriscerende mickey-mouse oren in hun haar en oudere broertjes en zusjes lopen te zwaaien met fluoriscerende molentjes. Er wordt weinig gekocht om de dood-eenvoudige reden dat er geen geld voor is. Jongeren wagen een gokje bij profisorisch opgezette goktentjes die overal in de stad zijn opgezet. Dan zien we opeens een groepje verklede "duivels" die in angstaanjagende halloweenachtige costuums de mensen aan het schrikken jagen en hiervoor wat kleingeld krijgen. Tegen een uur of 11 loopt de stad leeg en verzamelt een enorme mensenmassa zich in het park van de marina waar ze gewoon op het gras zitten en naar de muziek luisteren. Wij bekijken het schouwspel vanaf de boot. De muziek wordt luider en krijgt een ander karakter. De disco-dreuntjes veranderen in een soort house-muziek waar een gestoorde disc-jockey keihard door heen zit te schreeuwen. Dit agressieve muziekgenre heet "dance-hall" en is een uiting van protest tegen corruptie, armoede en van alles en nog wat wat niet deugt in dit land. Jongeren worden daarbij opgehitst en soms loopt dat wel eens uit op geweldadigheden. Vanavond niet. Het feest gaat de hele nacht door tot een uur of 4 in de ochtend waarna iedereen braaf naar huis gaat. Geen rotzooi, geen dronkemanspartijen maar gewoon een gezellig volksfeest. Alleen een beetje levendiger dan bij ons.

Respect man!

We blijven een weekje in Port Antonio om een paar reparaties te doen. De UV-bescherming van de genua laat op sommige plekken los. Dat plakken we keurig met contact-cement waar we uitstekende ervaringen mee hebben. De gebroken scepter wordt "gespalkt" met een RVS-buisje en slangenklemmen. Maar de stuurautomaat blijft een raadsel. We hebben ooit eens een 2e-handse reserve stuurautomaat voor deze situatie gekocht en die zetten we er dus nu maar op, in de hoop dat ie het volhoudt totdat we in de USA zijn. We varen in dagtochtjes langs de noordkust van Jamaica in westelijke richting en leggen in vrijwel iedere ankerplek aan die in de "free cruising guide" beschreven staat. Maar helaas is niet iedere plek goed beschut tegen de heersende winden die meest uit oost of noordoostelijke richting komen. In Port Marie, een mooie plek met groene heuvels en een wit strand, voelen we ons als ratten in de val als de volgende dag de wind een beetje toegenomen is naar 20 knopen en iets meer uit het noord-oosten komt waardoor we aan lager wal raken en bovendien de wijnglazen van tafel schuiven door het gerol.

Hoe verder we naar het westen gaan, des te touristischer het wordt. Het absolute dieptepunt is Ocho Rios een klein plaatsje dat in het hoogseizoen tussen kerst en oudjaar dagelijks door twee grote cruiseschepen wordt aangelopen, waaronder de Holland-Amerika-lijn uit Rotterdam. We delen de ankerplek met tientallen jet-skies een glasbodemboot en drie afgeladen catamarans vol swingende witte lichamen in te kleine bikinis. Een zeiljacht uit Nederland is hier een bezienswaardigheid en we worden dan ook als zodanig in het programma opgenomen. We horen ze van verre al aankomen en kennen de intelligente teksten en danspasjes al uit ons hoofd: "step to the left, step to the right, put your arms up in the air, follow the leader, leader".

Een flesje cola van $1 kost hier opeens $2,50 en een rumpunch waar we bij de jachtclub van Port Antonio nog $2,50 voor betaalden kost hier maar liefst $6,-. De terrasjes zijn dan ook leeg. We liggen 200m van het strand af. Als ik in alle vroegte een duik neem en richting het verlaten strand zwem om daar even te gaan rennen komt de waterpolite op jet-sky op me af. "Far too dangerous mam, there are many jet-skies here". Nou, ik zie er maar een. "Madam, I give you very good advice" zegt ie nog een keer dringend. "Yes, thank you" en ik zwem lekker door. Dat "mam" had ie nou niet moeten zeggen. Maar na een paar dagen worden we niet meer lastig gevallen door snelle jongens die voor een dollar met je meelopen. Ook de souvenierverkopers hebben ons opgegeven en begroeten ons dagelijks met het Jamaicaanse vuiststoten: "respect man". We zijn min of meer geaccepteerd.

The Hon Robert Nesta Marley O.M. King of Reggae

Als je in Jamaica bent kun je natuurlijk niet om een bezoek aan het Bob Marley-museum heen. Dat zou ongeveer hetzelfde zijn als je in Rome bent en niet naar het Vaticaan gaat. Maar het grote verschil is dat je na een bezoek aan het Vaticaan in nog grotere twijfel wordt gebracht, terwijl je Bob Marley's huis half bekeerd tot Rastafarian verlaat. De bus naar Kingston doet er ruim twee uur over, terwijl de afstand nog geen 90km bedraagt. Het eerste uur rijden we over een smalle weg met haarspeldbochten. De stijle bergwanden zijn begroeid met hoge bomen die bovenaan in de top in bloei staan met rode bloemen. Een tijd lang loopt de weg parallel aan een snelstromende rivier met stroomversnellingen waar vrouwen de was doen. We komen langs nederzettingen die bestaan uit gammele houten hutten met golfplaten daken die door grote keien op hun plaats worden gehouden. Maar we passeren ook luxe villa's met dure SUV's voor de deur. Aan de andere kant van de bergrug gaat het landschap over in suikerrietvelden, de basis grondstof voor de beroemde Jamaica rum.

Het Bob Marley museum ligt in een chique buitenwijk van Kingston waar ook alle ambasades gevestigd zijn. Het museum is z'n voormalige huis, een mooi karakteristieke villa, waar hij ook z'n eigen studio had. We worden zingend rondgeleid door Letty, die ons zowel interessante dingen over z'n muziek als over z'n priveleven vertelt. Bob was overtuigd Rastafaria aanhanger, leefde super gezond,sportte veel, maakte z'n eigen fruitjuices en at uitsluitend natuurlijk en vegetarisch. Geen druppel alcohol, maar wel natuurlijk canabis, cancha zoals dat hier heet. Hij had geen enkele opleiding maar kwam in het leven vooruit door keihard werken en 100% toewijding. Het huis hangt vol met gouden en platina albums, oorkondes en awards. Overigens niet alleen van hemzelf maar ook van z'n vrouw Rita en z'n 7 zonen en 4 dochters die allemaal nog steeds in de muziekbusiness zitten. Helaas werden de meeste awards in ontvangst genomen door z'n nabestaanden. Bob Marley is tegenwoordig het grootste export-product en nr 1 touristenattractie van Jamaica. Je kunt voor veel geld de Legend-tour doen en iedere bazar ligt vol met copy CDs en copy Marley T-shirts, made in China. Ironisch genoeg hoor je z'n muziek alleen maar in het museum en bij de toeristen strandbars. Zodra de cruiseships weer vertrokken zijn knalt het agressieve "Dance-hall" weer door de speaker. Marley's boodschap "One Love" lijkt niet veel mensen aan te spreken.