Van zout naar zoet

via de NewYorkse kanalen naar de Grote Meren

 

Een stukje Nederlandse geschiedenis

Tuuut! Tuut tuut! Wat is dit nu weer? Verschrikt kijken we op en zien een naderende locomotief die een oneindig aantal wagons achter zich aan trekt. Het "gedeggedenk" weerkaatst tegen de rotswanden als ie voorbij raast. We beginnen te tellen: 137, 138, 139, 140 wagons met daarop een 40ft container. Dat is een lengte van ruim 2km! Wat is hier niet groot in Amerika? We hebben NewYork twee dagen geleden verlaten en liggen nu aan de gastensteiger van een visrestaurant pal naast de Midway-spoorbrug, halverwege de Hudson-rivier. Tot nu toe gaat alles heel voorspoedig. Door gebruik te maken van de snelle stroom schiet het lekker op. Het betekent alleen dat we vroeg op moeten, maar ook weer lekker vroeg kunnen eindigen om een welverdiend koud biertje te drinken. De Hudson-rivier is breed, vier keer zo breed als de IJssel, met mooie beboste hellingen. Sommige bomen dragen nog bloesem en dat ruikt heerlijk. Tussen het groen zien we prachtige landhuizen en kastelen. De onbescheiden optrekjes van de Roosevelt en de Vanderbilt-familie, van oorsprong nederlandse kolonisten, kun je bezoeken. Wij zijn bijzonder onder de indruk van de vuurtorens die qua architectuur duidelijk geinspireerd zijn door de hollanders. Vroeger woonde daar de vuurtorenwachter met z'n familie. Nu zijn de vuurtorens onderdeel van een maritiem museum of in gebruik als luxe restaurant.
De rivier is genoemd naar de Britse ontdekkingsreiziger Henry Hudson die in opdracht van de Kamer van de VoC in Amsterdam met het schip "De Halve Maen" een doorvaart zocht naar de Pacific. Hudson bereikte na een lange koude pooltocht op 3 september 1609 de rivier "de Mauritius" die later naar hem genoemd zou worden. De rivier is dus niet, zoals in de Amerikaanse toeristenfolder vermeld wordt, door hem ontdekt, maar door de Italiaan Verrazano in 1524. Hudson voer ongeveer 120 mijl de rivier op tot aan Albany. Hij keerde daar om omdat duidelijk was dat deze rivier niet de doorgang kon zijn naar de Pacific. Als wij Albany naderen, zien we dat dit stukje geschiedenis op de brug in herinnering wordt gehouden. Met Hudson liep het overigens slecht af. Tijdens zijn volgende reis, waarbij de Hudsonstraat en Hudsonbaai ontdekt werden, was het weer afzien en kreeg de bemanning er genoeg van. Er brak muiterij uit en Hudson werd in een sloep overboord gezet. Er is nooit meer iets van hem vernomen.

Zwerver ontmast

30 Mijl voor het einde van de Hudsonrivier gaat onze mast eraf. Vrijwillig, anders kunnen we niet onder de bruggen door in het Eriekanaal. Als we goed en wel afgemeerd liggen in de Riverview Marina in Catskill, breekt er een knetterend onweer los. Wij knijpen hem een beetje want wij zijn met onze staande mast het hoogste punt in de omgeving. En ja hoor, een flits en een kei harde knal tegelijkertijd en daarna horen we sirenes van de brandweer. Blikseminslag, niet bij ons maar in de kerktoren. Onze mast is er sinds ons vertrek uit Nederland 12 jaar geleden niet meer afgeweest. Harry is al dagen van tevoren begonnen met het smeren van de spanners omdat we vermoeden dat die wel eens muurvast zouden kunnen zitten. Dat valt allemaal reuze mee, behalve dan dat sleutel nr 16 weer eens in het water verdwijnt. Op 1 stag na draaien we alles probleemloos los. En terwijl Harry van een paar planken een constructie in elkaar flanst die de mast moet ondersteunen, ga ik naar de plaatselijke Gamma voor een aantal sjorbanden. Binnen 2 uur is het karwei waar we zo tegenop zagen gepiept, mede dankzij de professionele hulp en adviezen van de jongens van de marina. We gooien hier gelijk de diesel- en watertanks maar weer vol. En de volgende dag gaan we met de vloedstroom weer verder. Onze Canadeze buurman die tegelijk met ons binnenkwam en dit traject al voor de vierde keer doet, is nog steeds bezig met het timmeren van een mastconstructie en kijkt ons beteuterd na.

 

De liggende mastroute door het Erie- en Oswegokanaal

Hier komt de vuurdoop! We zijn nog geen kwartier onderweg of er komt een duwboot in tegenstelde richting aanvaren. Net op een stuk waar het vaarwater erg smal is. Zo'n "tugboat" (door ons omgedoopt tot f*ckboat) produceert altijd veel golven. Deze heeft de vaart er flink in en heeft er waarschijnlijk geen benul van dat wij straks stevig liggen te rollen. Daar gaan we. In een reflex houden we de mast vast, wat natuurlijk kolder en totaal overbodig is. We slagen met glans, de mast verschuift geen centimeter. Op naar de volgende test: een lage spoorbrug. Oeps, hoe hoog zijn we nu eigenlijk? De mast is dan wel gestreken, maar onze radarpaal en windmolen zijn nog vrij hoog, een meter of vijf schatten we. De doorvaarthoogte is 19ft, nog geen zes meter. Het houdt niet over maar gaat allemaal net goed.

Het Eriekanaal verbindt de Hudsonrivier met het Eriemeer en was een van de belangrijkste succesfactoren voor de ontwikkeling en groei van Amerika en NewYork in het bijzonder. Via deze waterweg konden ruwe grondstoffen uit de bossen en mijnen uit het westen goedkoop getransporteerd worden naar de ontwikkelde oostkust. En in omgekeerde richting gingen pioneers en eindproducten naar het wilde westen wat op die manier ontsloten werd. Het kanaal werd geopend in 1825 en had toen nog een jaagpad voor de trekschuiten. Het werd een onmiddellijk succes en moest in de 19e en 20e eeuw meerdere keren uitgebreid worden. Eigenlijk is het geen kanaal maar een rivier (de Mohawk river) die gekanaliseerd is.

Het Eriekanaal is nu een nationaal park en tot historisch erfgoed-corridor uitgeroepen. Bij het bezoekerscentrum in Waterford krijgen we nuttige informatie over de bruggen, sluizen en overnachtingplekken. Ze hebben een facebookpagina en geven een krantje uit. Daarin lezen we dat we ons in goed gezelschap bevinden van beroemde reizigers als Mark Twain. De kanalenroute is overigens niet alleen een avontuur voor boten maar je kunt ook het oude jaagpad parallel aan het kanaal te voet of op de fiets afleggen en bij de diverse posten onderweg een stempeltje halen. Als je het hele traject van begin tot eind aflegt mag je je tot het selecte gezelschap van "end-to-enders" scharen.

Wij varen ongeveer 160 mijl over het Eriekanaal en passeren maar liefst 30 sluizen waarvan er 20 omhoog gaan en 10 naar beneden. De eerste dag stijgen we het hardst: 5 keer 12 meter. Dit stukje noemen ze de "flight". Langs de steile sluiswanden hangen touwen, kabels of vertikale pijpen zodat je niet hoeft te klooien met onhandige lange landvasten die je van bolders moet verwisselen. Toch blijft het spannend. Naast de sluis ligt een brede dam waar het rivierwater als een waterval naar beneden stort en allerlei stroomversnellingen en draaikolken veroorzaakt. Daar moet je doorheen voordat je de smalle sluis in vaart. Om de boot recht naar binnen te varen en niet meegesleurd te worden door de dwarsstroom, moet je vaart blijven houden tot in de sluis. Het vereist geconcentreerd sturen. Onze mast steekt zowel voor als achter 1.5m voorbij de boot. De marifoonantenne voorop is kwetsbaar en lijkt net een lans die alsmaar een gat wil boren in de sluiswand. We moeten soms behoorlijk kracht zetten om de voor en achterkant van de sluiswand te houden.

Er zijn genoeg jachthavens onderweg, maar die zijn te ondiep en te duur voor ons. Meestal overnachten we aan de gratis "terminal wall" vlak na of voor een sluis. Dat zijn populaire recreatiegebieden voor dagtouristen, met een mooi gazon met picknicbankjes, een BBQ-bak en een helling voor kleine bootjes, kano's of waterscooters. Een buitenlands zeiljacht is een bezienswaardigheid. We hebben veel aanspraak en mensen zijn zeer geinteresseerd in onze reis. Ook het Eriekanaal is erg groen en een keer zagen we een hert aan de waterkant staan en een bever in het water zwemmen. Verder heel veel ganzen en eenden met kuikentjes, reigers en visarenden. Het is erg warm. Van ons wateropvangzeiltje hebben we professorisch een zonnetentje gemaakt. Er staat geen zuchtje wind en de bomen weerspiegelen in het water. Af en toe passeren we een klein dorp. Die plaatsjes stellen geen moer voor en behalve aan de waterkant is het er eigenlijk een doodse en ongezellige boel. Vroeger waren dit levendige handelsposten waar jagers hun bevervellen verkochten en reizigers bleven overnachten. Nu is er hoge werkloosheid en iedereen loopt te mopperen op de regering die alleen maar de belastingen verhoogt, niets investeert in eigen land maar wel 500 miljoen dollar aan de Syrische rebellen schenkt. Heel sporadisch passeert er nog een duwbak met zand of ander constructiemateriaal dat nodig is om de kanalen te onderhouden. Deze worden geduwd door prachtige antieke tug boats zoals de Gov Cleveland die in 1928 gebouwd werd als ijsbreker. Maar verder zien we alleen kleine motorjachtjes, sportvissers, kanoers en zelfs zwemmers.

 

Tussen wal en schip

In het plaatsje Little Falls leggen we aan om boodschappen te halen. In de enige pub drinken we een pilsje van de tap en zien we een saaie voetbalwedstrijd waarin Duitsland eens een keer niet domineert, maar uiteindelijk in de verlenging toch wint van Puerto Rico. We liggen afgemeerd aan een ruwe betonnen kademuur die net iets te hoog is om gemakkelijk op- en af te stappen. Ook de bolders liggen te ver uit elkaar voor een klein schip, zodat we lange landvasten moeten gebruiken en die maar aan een boompje knopen. Als we de volgende ochtend willen vertrekken gooit Harry de landvasten los. De boot drijft een beetje van de kant af en de opstap wordt daardoor nog moeilijker. Ik probeer met de motor dichterbij te komen en spoor Harry aan om te springen. Heel dom, dat moet je nooit doen, en zeker niet als er geen stagen zijn waar je je aan vast kunt grijpen. Harry springt toch en z'n voet glijdt weg. Eerst valt ie met z'n hoofd voorover op de zeereling en dan met z'n rug achterover tegen de kademuur om dan kopje onder te gaan tussen wal en schip. Ik schrik me een ongeluk, zet snel de motor in de neutrale stand en laat het zwemtrapje naar beneden. Gelukkig komt Harry weer boven en op eigen kracht kan hij aan boord komen. Hij is duizelig, kan niet goed zien en z'n been bloedt als een rund. Het ziet er lelijk uit en moet eigenlijk gehecht worden, maar dat wil ie natuurlijk weer niet. Ik leg een paar noodhechtingen en verbind z'n been. Later verdwijnt ook de duizeligheid en kan hij ook weer normaal zien. Oh, wat was dit stom van ons en wat zijn we hier weer goed vanaf gekomen!

 

Gewapende bejaarden in Oswego

Via Amsterdam, Rotterdam en Frankfurt komen we bij het Oneida Lake waar een lekker windje staat maar we helaas niet kunnen zeilen. Vlak daarna verlaten we het Erie-kanaal en varen nog zo'n 20 mijltjes het Oswego kanaal op naar Oswego. Voordat we daar zijn moeten we weer door een stuk of 7 sluizen, maar die gaan allemaal naar beneden en dat is een stuk gemakkelijker. Oswego ligt aan het Ontariomeer. Hier is het de bedoeling dat wij weer omgebouwd worden tot zeiljacht. Orkaan Arthur en Onafhankelijkheidsdag zorgen voor oponthoud. Die orkaan trekt gelukkig aan ons voorbij. We krijgen er niet eens een staartje of een regenbui van mee. Maar de marina vind 15 knopen wind te riskant om onze mast te "steppen". Vrijdag t/m zondag gebeurt er ook niks want dat is het weekend van de 4e July, een nationale feestdag. Geen nood, op een boot is altijd genoeg te doen, bovendien maken we de 4th July Parade nu ook nog mee.

En net zoals in NewYork of Washington is dat DE Happening van het jaar, waar de hele stad voor uitloopt. Alleen is die stad hier een stukje kleiner....... De parade begint om 13.00 uur en als wij om 5 voor 1 de hoofdstraat oplopen zitten daar al mensen met koelboxen en parasollen langs de kant van de weg. Waarom ze hier al sinds 11.00 uur zitten is ons een raadsel want er is nog plaats zat. IJscokarretjes en ballonverkopers doen goede zaken. Politie-agenten leiden het verkeer om. De spanning stijgt. Daar komen ze! De plaatselijke brandweer, de ambulance, de politie, en de sherrif voorop met loeiende sirenes. Meteen daarachter zwaaiend met de engelse en amerikaanse vlag, "vrienden van Fort Ontario" in costuums uit de 18e eeuw. Dan natuurlijk de veteranen, het zijn er nog maar drie, die krijgen een daverend applaus. Na diverse drumbands, overmaatse beauty-queens en de plaatselijke gymclub geeft het bejaardentehuis een verpletterende show. Oude dames, sommigen in ochtendjas! met een watergun in de aanslag, zitten in golfkarretjes die met hoge snelheid langsscheuren. Met een hand moeten ze zich vasthouden om er niet uit te vallen en met de andere wordt het publiek natgespoten. En een lol dat ze hebben! En wij ook.

 

De Niagara watervallen

De grens tussen Amerika en Canada loopt dwars over de Grote Meren. In het begin van de 19e eeuw werden in dit gebied heel wat gevluchte slaven via de Underground Railroad in bootjes naar Canada gesmokkeld. Sinds 9/11wordt er weer intensief gepatrouilleerd. Canadese jachten die altijd ongestoord de meren konden oversteken, moeten zich tegenwoordig officieel melden als ze naar de USA willen. En als ze weer terug komen in Canada lopen ze de kans dat hun boot wordt geinspecteerd door hun eigen kustwacht. Amerika is nl een stuk goedkoper dan Canada en het loont om even de boot af te tanken en vol te stouwen met drank en andere spullen. De Amerikanen maken er grappen over: "Hoe herken je een Canadees?" "Onder z'n ene arm een kalkoen, onder de andere een krat bier en hij stinkt naar benzine!" We krijgen bezoek van achtereenvolgens de Amerikaanse kustwacht, de County Sherrif en Home Land Security border patrol maar ze zijn super vriendelijk en geinteresseerder in onze wereldreis en de vorderingen van het Nederlandse elftal dan in onze papieren of een bootinspectie. De Canadese authoriteiten geloven het allemaal wel. Als je die wilt zien, moet je ze bellen. Dat doen we in Niagra-on-the-Lake waar we officieel inklaren in Canada. Op de snel stromende Niagara-rivier hebben we bij de plaatselijke jachtclub een meerboei opgepikt. Het is weekend en de douane-en immigratie ambtenaren hebben geen zin om in een kleine dinghy naar de boot te varen en wij zien het niet zo zitten om met deze windstoten in het kleine jachthaventje aan te leggen. Helemaal geen punt, we krijgen een stempel in ons paspoort, hebben geen cruisingpermit of andere onzinpapieren nodig en men wenst ons een prettig verblijf in Canada. Wat een verschil met die opgefokte lui in Florida!

Niagara-on-the-Lake, ooit de eerste hoofdstad van Upper Canada, is een gezellig touristisch plaatsje met mooie opgeknapte oude pandjes. Zo anders dan de verlopen Amerikaanse plaatsjes in dit gebied. De winkelstraten zijn opgefleurd met bloembakken. Er zijn gezellig terasjes, restaurants en mooie kunstgalaries. We vinden er een snoepwinkel waar ze echte hollandse drop verkopen. Bij Fort George stappen we op de shuttle-bus die ons naar de beroemde Niagara-watervallen brengt. We rijden langs wijngaarden en prachtige landhuizen. Langs de weg staan fruitstalletjes. Het is kersenseizoen. Na een klein half uurtje rijden stappen we uit bij de Horse shoe-falls. Dit is waar de Niagara-rivier met veel geweld naar beneden stort. We hebben vergeten regenjassen of een paraplu mee te nemen en worden zeiknat van de spray. Anders dan de Victoria- of Iguazu-watervallen liggen de Niagara-watervallen midden in de stad. Ze hebben er een heel touristisch circus van gemaakt met uitkijktorens en platforms en tientallen souvenierkraampjes en fastfood restaurants. Je kunt de watervallen van alle kanten bekijken, vanaf een kabelbaan, een boot of per helicopter. Voor iedere attractie moet je diep in de buidel tasten. Maar dat doet niet af aan het natuurgeweld. De watervallen liggen zowel aan de Amerikaanse als aan de Canadeze kant van de rivier. Het beste uitzicht heb je aan de Canadeze kant. Het is alleen jammer dat de zon er vandaag niet door wil komen.

 

Toronto

Aan de overkant van Lake Ontario, een kleine 25 mijl zeilen, of liever gezegd motor-zeilen want er staat weer eens niet genoeg wind, ligt Toronto. Op een heldere dag zie je de stad al van verre, maar het is heiig en wij krijgen de skyline pas in zicht als we nog maar 5 mijl te gaan hebben. Dan steekt ook eindelijk de wind op. We gaan voor anker in de binnenhaven achter een tweetal eilandjes, vlak voor de Royal Canadian Yacht Club. De marina's en jachtclubs zijn hier niet te betalen. Ze vragen al gauw $2 per voet, te duur voor een douche, want dat is eigenlijk het enige wat we af en toe missen. We gaan er 's avond even gezellig een biertje drinken met Jesse en Harm uit Nederland. Onze ankerplek is vorstelijk. Rustig en toch pal voor het centrum. 's Avonds genieten we van de club-races en 's nachts van het kleurenspel van de verlichte wolkenkrabbers. De CN-tower, ooit de hoogste toren van de wereld, veranderd van kleur.

Toronto is Canada's grootste stad met ongeveer 2.5 miljoen inwoners. Vroeger was het een industriestad met veel brouwerijen maar nu is Toronto het commerciele en financiele hart van Canada. Het is er druk en gezellig. De brouwerijen zijn gerestaureerd en omgebouwd tot trendy bars en restaurants, de oude markthallen tot luxe delicatessenzaken. Het is er gezellig maar ook erg duur. Een beetje een yuppenstad. We kunnen ons voorstellen dat het hier prettig wonen is als je een goed betaalde baan hebt. Het heeft wel iets weg van HongKong. De mooie skyline, oude engelse gebouwen die weerspiegelen in de glazen wolkenkrabbers, ferries en zeilschepen in de binnenhaven. Er wonen ook veel Aziaten. Het China-town van Toronto is het grootste van noord-amerika, groter en authentieker dan het China-town in NewYork. We vinden er een fantastische dumpling-restaurant en supermarktjes met heerlijk en betaalbaar fruit en groente.

 

In convooi door het Wellandkanaal

Het Wellandkanaal verbindt Lake Ontario met Lake Erie dat ruim 100m hoger ligt. Anders dan het Eriekanaal wordt dit kanaal voornamelijk gebruikt door de beroepsvaart; grote zeegaande tankers en vrachtschepen. En dat merk je aan alles. Zo moet er $200 toll betaald worden en zijn er absoluut geen voorzieningen voor de pleziervaart. De beroepsvaart heeft uiteraard voorrang, zij betalen maar liefst $25.000 voor deze passage en hebben altijd haast. Als er zo'n joekel aankomt moeten de plezierjachten afmeren en wachten aan een ruwe hoge kade met enorme bolders die 50 meter uit elkaar staan. Als je de opwaartse route neemt zoals wij, moet je verplicht 3 mensen aan boord hebben. Wij moeten dus bemanning huren en dat kost niet alleen tijd maar ook weer $150 extra. Maar behalve over het weer (het regent de godsganse dag) mogen we niet echt klagen. Bob meldt zich keurig om 7.00 's ochtends en heeft z'n vrouw Johanna meegenomen die 50 jaar geleden uit Zaandam geemigreerd is en het fantastisch vindt om even nederlands te praten. Er hebben zich inmiddels een zestal andere plezierjachten verzameld maar er is veel beroepsvaart en we krijgen uiteindelijk pas groen licht om 15.00 uur.

Het Wellandkanaal is 42 km lang en we moeten door 8 sluizen die ons gemiddeld 14m per keer omhoog tillen. De sluiswanden hebben niets om je aan vast te houden, geen bolders, geen trapjes, laat staan van die mooie vertikale stangen waar je je landvast door kan halen. Vanaf de bovenkant worden en door het personeel per boot twee touwen naar beneden gelaten die je voor-en achter vast moet houden. Normaal ligt er maar 1 groot vrachtschip tegelijk in, maar wij gaan met zes boten tegelijk. Wij varen als 3e boot naar binnen, maar het sluispersoneel is nog niet eens klaar met de eerste boot. Daar lig je dan stuurloos te dobberen bang dat een windvlaag je tegen de sluiswand, of tegen een andere boot zet. Gelukkig moeten we langzij vastmaken aan een klein prive slepertje met mooie lage vrijboorden en gemakkelijke bolders. Aan onze andere kant wordt een 34 voet zeiljachtje vastgemaakt.

Per sluis wordt er meer dan 80 miljoen liter water geschut en dat gebeurt in een tempo van 12 minuten! Je kunt je dus voorstellen wat voor stroming en krachten er op de boot komen. Het lijkt de Niagara wel! In sluis nr 3 gaat het bijna mis. Het lijkt alsof de sluismeester op de verkeerde knop heeft gedrukt en de sluis extra snel vol wil laten lopen. Het sleepbootje wordt door de kracht van het water opzij geduwd en komt bijna overdwars in de sluis te liggen. Met z'n voorkant knalt hij tegen de betonnen sluiswand. Het kleine zeiljachtje naast ons kijkt ook heel benauwd want die ligt opeens nog maar een meter van de andere sluiswand af en dreigt gecrashed te worden. Wij liggen lekker veilig in het midden. Alleen onze stootwillen krijgen het zwaar te verduren. Harry zet de motor op volle toeren bij om het slepertje weer met z'n kont naar de sluiswand te sturen. Het gaat allemaal net goed. De overige sluizen leveren geen problemen op. Wel moeten we een paar keer wachten tot er een groot schip gepasseerd is. Die joekels kruipen in een slakkegangetje vooruit. Bob, een competente en aardige vent, gaat na sluis nr7 van boord. Sluis nr 8 is een zgn "guard-lock" dat het waterpeil in het seizoen moet reguleren en gaat slechts 2 voet omhoog. Dat kunnen we wel alleen. Uiteindelijk leggen we om 2 uur 's nachts aan in Port Colburn. We zijn koud, doorweekt en bekaf en vooral erg blij dat het erop zit. Toch weer een bijzondere ervaring.

 

Het kan verkeren op de meren

Het zit niet mee. Onze route over de Grote Meren is tegen de heersende winden en stroomriching in. De hoge en lage drukgebieden wisselen elkaar in rap tempo af. Na een paar dagen broeierig warm weer met lichte zuid-westen winden, waarbij de temperatuur overdag oploopt tot bijna 30 graden en de luchtvochtigheid tot 80%, komt er doorgaans een koufront over met onweersbuien en harde windstoten uit het noorden. Dit houdt meestal 2 dagen aan waarna de wind weer naar het zuid-westen draait en het patroon weer van voor af aan begint. De gribfiles brengen weinig opheldering omdat ze niet echt rekening houden met landeffecten. Bovendien spreken ze de lokale weersberichten van de Canadese en Amerikaanse meteo tegen.

Op de weerkaart hiernaast kun je mooi zien hoe het koufront vandaag 28 juli over trekt maar ook dat er nogal wat verschillen zijn tussen de wind op het land en het water. Wij zijn ergens halverwege Lake Erie en zouden volgens de gribfiles 15-20 knopen uit het noorden moeten hebben. Mooi om verder naar het westen te zeilen, dachten we. Mooi dus niet. Het waait 30 knopen uit het NW. Het Eriemeer is erg ondiep en het water bouwt snel op. Er staat een knobbelige rotzee waar zelfs met de motor erbij niet tegenin te boksen is. We geven het op en besluiten te schuilen in Port Erieau, een klein recreatiehaventje voor sportvissers. We kunnen de haven niet in en liggen als enig jacht ongemakkelijk voor anker op een klein binnenmeertje. Ondertussen loopt de kalender verder. Het wordt op deze manier nog aanpoten om midden september in Duluth te zijn.

 

Canadese gastvrijheid

Buitenlandse jachten zijn zeer schaars in dit gebied. We zijn een bezienswaardigheid. Overal waar we komen wordt er uitbundig gezwaaid en een keertje werd zelfs de scheepsbel voor ons geluid. De Canadese kustwacht in Winsor heeft ons opgezocht op het web en we krijgen een sleutelhanger en een waterdicht opbergdoosje kado, ondanks dat we op een onmogelijke plek midden in de vaarweg geankerd hebben! Als we dit aan de amerikaanse kant van de rivier hadden gedaan, hadden we onze 3e bekeuring aan de broek gehad. Op de ankerplek op de St Claire rivier krijgen we bezoek van Brian en Martha. Behalve dat dat heel gezellig is, verwennen ze ons met 2 flessen zelf gemaakte wijn, een potje maple-siroop, een potje zelfgemaakte jam, een potje zelfgemaakte augurken, een reep chocola en een kilo kersen uit eigen tuin. Als we langs een kade liggen hebben we de hele dag door aanspraak en minstens 1 keer per dag worden we wel aangesproken in het nederlands. Hoewel de meeste immigranten hier al meer dan 50 jaar wonen en een zwaar amerikaans accent hebben, kun je nog steeds goed horen waar ze oorspronkelijk vandaan komen. "Da get oe wa 'n paar cent kost'n" zegt een man in Port Colburn als we hem vertellen dat de boot volgende maand op transport gezet wordt. De mensen zijn zeer geinteresseerd in onze reis en vragen ons het hemd van het lijf. "Hoe lang duurde de Atlantische oversteek? Heb je wel eens slecht weer gehad? Waar is dat ding achterop de spiegel (de windvaan) voor?

In Sarnia, een kleine plaats aan het begin van Lake Huron, liggen we een paar dagen aan een leuke boulevard, populair bij joggers, fietsers en wandelaars. Hier wonen de meest spontane en alleraardigste mensen van Canada. Wat we hier meemaken is ongekend. We liggen nog maar net afgemeerd of we worden aangesproken door Guy, een lokale zeiler die ons een lift geeft naar de supermarkt. Hij heeft een stadsplattegrondje meegenomen en daarop precies aangekruisd waar de winkels zijn, de wasserette en de openbare bibliotheek met gratis wifi. Precies wat we nodig hebben. Pieter, die geboren is in Canada maar nederlandse ouders heeft en uitstekend nederlands spreekt, verblijdt ons spontaan met hollandse kaas, paarde rookvlees en echte hollandse erwtensoep. Schot in de roos. Van Sheldon & Diana, ook zeilers, krijgen we heerlijke lasagna uit het italiaanse restaurant waar Diana werkt. "We zagen jullie boot en dachten, wat kunnen we voor jullie doen", zegt Diana. Wow, dat is dus blijkbaar de mentaliteit hier. Zou dat komen omdat Canada een immigrantenland is?

Sommige mensen komen meerdere keren langs, zoals Rick. We ontmoeten Rick 's ochtends op z'n fiets en maken een praatje. 's Middags komt ie weer terug om z'n vrouw Budimka (call me Bonnie) voor te stellen. Bonnie is in haar kinderjaren uit Servie naar Canada geemigreerd. "Ik bedacht me opeens dat jullie misschien wel zin hadden in een warme douche". Dat aanbod kunnen we niet weerstaan. En zo komt het dat we een uurtje later heerlijk fris bij onze nieuwe vrienden Rick en Bonnie aan de eettafel zitten. Er wordt een kampvuurtje gemaakt en de worstjes gaan op de BBQ. De volgende dag laat Rick ons een paar mooie plekjes in de omgeving zien en aan het einde van de middag heeft Bonnie weer een lekkere maaltijd klaar staan. De dagen erna komt Rick iedere dag even gezellig langs. Om ons naar de winkel te rijden, om ons op te halen voor een douche, om fish & chips te gaan eten, om "the famous Tim Horton's coffee" te drinken (you don't know who Tim Horton is?!), of gewoon zo maar. Harry krijgt wat gereedschap zodat ie met gerust hart sleutel nr 16 weer in het water kan laten vallen en ik een heerlijke warme fleece trui. Waar vind je nog zoveel spontane gastvrijheid? We worden er verlegen van. RICK AND BONNIE, THANKS A LOT, YOU ARE INCREDIBLE!!

 

Alleen op de wereld op Lake Huron

De Grote Meren zijn met elkaar verbonden door rivieren waar al het water uit het hoger gelegen meer doorgestuwd wordt. Om op Lake Huron te komen moeten we via de St. Claire rivier waar we gemiddeld een knoop stroom tegen hebben. Het venijn zit 'm weer in de staart: als we Sarnia verlaten krijgen we te maken met een tegenstroom van 4 knopen! Van lokale zeilers hebben we het advies gekregen om heel dicht tegen de Canadese kust aan te kruipen om daar te profiteren van de "counter current". Maar bij de brug houdt deze er helaas mee op en maken we onder volle toeren slechts een voortgang van 0.8 knopen voort! Gelukkig is het dan nog maar een halve mijl naar open water. Daar staat in alle vroegte Rick ons uit te zwaaien.We hijzen de zeilen en zetten koers naar Providence Bay op Manitoulin Island. Maar Sarnia en Rick zijn nog maar net uit het zicht verdwenen of de wind houdt het weer voor gezien en voor de zoveelste keer gaat de motor weer aan. Nog 160 mijl te gaan...... grrrrr!

Door de grote temperatuurverschillen tussen het koude water en de warme lucht krijgen we onderweg veel mist. Als we 's ochtends wakker worden is het buiten nat en grijs en de hele boot zit onder de spinnewebben. De zon heeft moeite om er doorheen te komen.

In Providence Bay blijven we noodgedwongen een kleine week hangen om het stormachtige weer uit te zingen. De baai is redelijk beschut maar te groot en open naar het zuid westen waardoor we liggen te rollen op de binnenkomende deining. Een overtrekkend koufront komt in aanraking met land en keert weer om zodat we het nog een keer over ons heen krijgen. Er zijn dagen bij dat het weer zo slecht is dat we niet eens van boord kunnen. Als we dat dan toch eindelijk doen, worden we hartelijk welkom geheten in de Providence Yacht Club door manager Ken, die ons verblijdt met vers gevangen forel en ons z'n auto leent om in het naburige stadje boodschappen te doen.

Manitoulin Island is het grootste zoetwater eiland ter wereld met tal van mooie beschutte baaien en kleine eilandjes. Het is een favoriete bestemming voor sportvissers die hier van heinde en verre naar toe komen om op zalm en forel te vissen. Het water is glashelder en heeft dezelfde helblauwe en licht groene kleuren als een tropische lagune. Maar schijn bedriegt: als ik na wat moed verzamelen het water in ga om het onderwaterschip te inspecteren en de propeller schoon te maken, voelt het alsof ik in het ijsbad van de sauna ben gesprongen. Helaas hebben wij niet veel tijd voor dit mooie gebied. We hoppen er in 5 dagetappes doorheen. Hoe westelijker we komen hoe ongerepter de natuur. De baaien zijn omzoomd door geurende naaldbossen. Overal zien we wilde bloemen, vlinders en vogels. Op de ankerplekken barst het van de wilde ganzen. We zijn er al zo aan gewend dat we niet eens meer wakker worden van het luidruchtige gesnater. We zien een valkje die een visje heeft gevangen en daarna wordt aangevallen door een brutale meeuw. Af en toe springt er een zalm uit het water. Behalve een klein watervliegtuigje dat rondjes draait boven onze boot, zien we geen enkel teken van menselijk leven. We hebben de wereld voor onszelf.

 

En daarom heet het dus Superior

Na een miserabele koude tocht in potdichte mist over de St Mary rivier, arriveren we in Sault St Mary, onze laatste stop in Canada. We vinden een mooi plekje aan een gratis publieke steiger op loopafstand van het centrum. De Canadese kant van het stadje telt 70.000 inwoners en is redelijk "well-to-do" vanwege de staalindustrie. Daar merk je overigens nauwelijks iets van. Integendeel. Er is een prachtige wandelroute aangelegd van 20 mijl, die deels met houten "boardwalks" over de stroomversnellingen gaat van de St. Mary river. Vanwege hevige regenval zijn sommige delen van de paden ondergelopen en waden we met opgerolde broekspijpen voorzichtig door het ijskoude water. Tussen de hoge rietkragen zien we beverdammen. En op de wilde bloemenweiden grazen honderden ganzen die, zo te zien aan hun dikke vette lijven, bijna klaar zijn voor vertrek naar het warmere zuiden. Aan de overkant ligt Amerika. Er varen grote "lake freighters" voorbij. Deze vrachtschepen hebben hun stuurhut voorop de boeg staan en zijn soms wel een paar 100 meter lang. Die gaan via de grote dubbele set sluizen naar Lake Superior. Wij nemen de kleine 19e eeuws Soo-locks. Er ligt nog slechts 360 mijl water voor ons tot aan Duluth.

Lake Superior is met een oppervlakte van 71.500 vierkante km het grootste zoetwatermeer in de wereld, groter zelfs dan het Baikalmeer in Siberie of het Tanganyikameer in oost Afrika. Bijna twee keer zo groot als Nederland. Een meer vrijwel zo groot dus als de Noordzee! De gemiddelde diepte is 150m maar er zijn ook plekken waar het 400m diep is. De Noordzee is alleen in het noordelijke deel dieper dan 100m maar het stuk tussen Nederland en Engeland is op de meeste plaatsen maar 20m diep. Lake Superior heeft genoeg water om heel Zuid- en Noord Amerika een voet diep onder te laten lopen. Het meer staat berucht om z'n najaarsstormen waarbij golven van 7 m heel normaal zijn. Enkele keren per jaar worden ook golfhoogten gemeten van 10 meter. Een superieur meer dus om respect voor te hebben.

 

Verwaaid, op een zandbank en vast aan de grond

Na zorgvuldige bestudering van de kaart en de weersystemen, besluiten we aan de zuidelijke, Amerikaanse kant van het meer te blijven. Daarvoor zijn twee redenen: de koufronten met hun harde winden trekken vooral langs de noordkant voorbij. Bovendien zijn er aan de Amerikaanse kant meer plekken om te schuilen en meer voorzieningen om te provianderen, voor het geval we ergens verwaaid komen te liggen. En verwaaid liggen dat doen we! In theorie zouden we in 3 dagen in Duluth kunnen zijn. "Gewoon effe doordouwe" zegt Harry. Het loopt iets anders. Effe doordouwe is er simpelweg niet bij als je vrijwel continue een wind van 20 knopen en korte golven van 3m op je neus hebt. En al helemaal niet als je dag en nacht met de hand moet sturen omdat de stuurautomaat er geen zin meer in had. Waarom kon dat K-ding het niet nog even een weekje volhouden? We maken onze eerste stop in White Fish Point, een kleine schuilhaven voor vissersboten. Als we keurig in het midden door de smalle ingang naar binnen willen varen, komen we vast te zitten op een zandbank. Hu?? Hoe kan dat nou, de kaart geeft 3m aan! Er is niemand in de buurt om ons even een duwtje te geven, dus we moeten zelf los zien te komen. Er rolt een lome deining naar binnen die ons telkens een klein beetje optilt en telkens weer met een bonk op de grond zet, waarbij de mast akelig heen en weer schut. Maar door de motor vol in z'n achteruit te zetten komen langzaam maar zeker toch weer los. Ondertussen heb ik iemand van de kustwacht te pakken die ons per marifoon naar binnen loodst. De ingang is verzand en we hadden niet keurig in het midden moeten varen maar op 2 meter van de pier en dan twee haakse bochten van 90 graden. Ik kan je vertellen dat dat doodeng is, we kunnen de kasseien duidelijk onder de boot zien, maar de man wist precies wat ie zei. Zonder ongelukken brengen we daar de nacht door.

Het weersbericht ziet er nog goed uit voor 1 dag, maar dan moeten we wel weer een volgende schuilhaven hebben gevonden. Dat wordt Grand Marais, weer een daghopje verder. En in dat godverlaten gehucht liggen we 4 dagen verwaaid. Gelukkig hebben Rick en Bonny ons voor dit soort momenten een flinke stapel boeken meegegeven. Dit is zo'n plaatsje waarvan je dacht dat het niet meer bestond. Er is een kerk (uiteraard), een kroeg die eruit ziet als een saloon uit een cowboyfilm, een bank met lokale flappentapper die geen enkele van onze bankpasjes of creditcards accepteert, en een tankstation waar we gelukkig ook nog wat versvoer kunnen kopen. Oh ja, en een oude vuurtoren die je kunt bezichtigen met een oude vrijster als vuurtorenwachter. Er staat een oude piano met bladmuziek open op "the star spangled banner". Dat verklaart een hoop. Maar het is er wel mooi, met een heerlijk uitwaaistrand en zandduinen met helmgras. Als het front voorbij is en we in alle vroegte willen vertrekken, blijkt het anker ergens aan vast te zitten. Shit! Tja Harry, nou kun je me wel lief aankijken, maar hier ga ik dus echt het koude water niet in! Laten we plan B maar proberen. We laten flink wat extra ketting vieren en maken dan een hele grote cirkel in tegengestelde richting dan we aangevaren zijn. Slimme zet. Na twee pogingen komen we vanzelf weer los.

Waar bent U?! Kunt u dat voor me spellen?

We "douwen effe" een nacht door, afwisselend onder zeil of "full Perkins", en varen dan in alle vroegte de Portage River op. Behalve dat we hier weer een mogelijkheid hebben om te schuilen, is het ook een "short cut". In plaats van om het winderige Keweenaw schiereiland heen te zeilen, gaan we er nu dwars doorheen. Dat deden de Indianen vroeger ook. Alleen was er toen nog geen "Armee Corps of Engineers" die de rivier uitdiepte en moesten de indianen op sommige plekken hun kanoos over de ondiepe plekken en stroomversnellingen dragen. Vandaar dus de naam "Portage river". De nazaten van die Indianen leven hier overigens nog steeds, soms gewoon in de stad, maar in dit hele gebied rondom de Great Lakes vind je ook nog veel speciale indianenreservaten. Daar moet je geen idylische voorstelling van hebben met wigwams of zo. "Witte Veder" loopt gewoon in een spijkerbroek, hangt meestal werkloos voor de TV in een aftanse legerbarak met een boel rommel en een verroeste pick-up truck voor de deur. In Canada werden ze Aboriginals genoemd. Helaas gaat de vergelijking met de oorspronkelijke bevolking van Nieuw Zeeland goed op: de sociale en polieke problematiek is hetzelfde. Indianen leven aan de onderkant van de samenleving en er is een uitzichtloze politieke strijd om land terug te krijgen. Hier in Amerika is de situatie niet beter. We zien dat de indianen speciale voedselbonnen hebben waarmee ze in de supermarkten de eerste levensbehoeften kunnen krijgen. Ook is er wrijving met de "gewone" burgers vinden dat het maar eens afgelopen moet zijn met de speciale behandeling van indianen.

We hebben geen pilot van dit gebied en volgen maar gewoon de slingerende rivier totdat we een geschikte plek vinden om ergens aan te meren. Zo belanden we in Houghton, een voormalig mijnwerkersplaatsje met een gezellige winkelstraat met historische pandjes. We parkeren Zwerver aan een spiksplinternieuwe publieke steiger met brandschone toiletten en douches in een groene vallei met uitzicht op de ski-lift. Op het grasveld staan picknickbankjes en zelfs een frisdrankautomaat. De supermarkt en de bibliotheek met gratis wifi zijn op loopafstand. Wat blijkt? Dit is de campus van de Michigan Tech University die qua sportfaciliteiten zelfs de TU Twente ruimschoots overtreft. 's Ochtends bevinden we ons in gezelschap van gepensioneerde mannetjes die hier komen vissen. Binnen een uur na onze aankomst heeft er al eentje z'n vislijn vastzitten in onze zeereling. 's Middags komen de studenten stiekem een sigaretje roken. Ze hebben een lijn gespannen over het water en doen een wedstrijd koorddansen. Een paar keer worden we 's nachts opgeschrikt door een paar waaghalzen die hier komen naaktzwemmen in de maneschijn en denken dat niemand ze ziet.

 

We zijn ondertussen al weer 2 weken in de USA en nog niet officieel ingeklaard omdat er domweg nergens een douane of immigratiekantoor was. Daar staan hoge straffen op en we lopen zelfs het risico het land uitgestuurd te worden. Van de kustwacht hebben we een brochure gekregen: "reporting requirements for pleasure boats in the Great Lakes region" met daarin een centraal nummer dat "aliens" (dat staat er echt!) moeten bellen als ze vanuit Canada het land binnenkomen. De dienstdoende ambtenaar van US Border Patrol lijkt totaal verrast en antwoordt verbaasd: " A foreign vessel from Holland? And what is it exactly what you want? You say you're in Houghton? Never heard of, can you spel that for me?" We zien de bui al weer hangen en hebben eigenlijk al weer spijt dat we gebeld hebben. Maar als we worden doorverbonden met een antwoordapparaat vinden we dat we ons best gedaan hebben en hangen snel op. De aangescherpte regels van na 11 September zijn blijkbaar nogal verwarrend voor de verschillende instanties. En zo glippen we voor de zoveelste keer door de mazen van de Home Land Security wet. We zullen Al Qaeda eens een paar tips geven.....

 

Laat maar komen die storm

Even leek het erop dat onze laatste zeiltocht van het seizoen perfect zou worden. Met een zuidenwindje van 15 knopen en een knik in de schoot zeilen we richting de Aposteleilanden. Het is een frisse zonnige nazomerdag en voor het eerst zijn de gribfiles en de locale meteo het met elkaar eens dat het zo blijft tot aan Duluth. Het is bijna volle maan waardoor het ook 's nachts prettig zeilen is. De Aposteleilanden, een natuurgebied van een stuk of tien eilandjes op een mijl afstand van elkaar, passeren we de volgende dag rond het middaguur. De wind is licht toegenomen tot 20 knopen, maar waait nog steeds uit de goede richting. We lopen weer 6 knopen en het is heerlijk zeilen. We beginnen zelfs een beetje euforisch te worden. Tussen de eilanden zien we nog een paar zeiljachtjes. Eentje ervan moet de "Flying Pig" zijn. De hele dag zendt de kustwacht een "pan-pan" uit met de mededeling goed uit te kijken voor dit "vermiste" zeiljacht. Zoals zo vaak is er ook deze keer (gelukkig) niets aan de hand. Gewoon een zeiler die niet op de afgesproken tijd of plek aangekomen is. Nog ongeveer 60 mijl te gaan. We zullen het niet halen voor het donker, maar dat geeft niet. Duluth is een grote haven met een verlichte ingang. Geleidelijk aan neemt de wind toe en het zeilen wordt een beetje sportiever. Ons sailmailabonnement verloopt vandaag dus we kunnen de laatste gribfiles niet meer binnenhalen. Geen enkel punt, de lokale meteo zendt op de marifoon ieder uur een ge-update weersbericht uit.

Today "Strong wind warning, south-west 25 knots, slightly increasing after midnight, waves building to 6ft". Nee he, net nu we het laatste stuk pal zuid-west moeten. En ja hoor, daar gaan we weer. Pal tegen de wind en golven in. We verleggen de koers een beetje en proberen al slagen makend vooruit te komen, maar de snelheid komt niet boven de 3 knopen uit en we verliezen hoogte. Maar zelfs met die snelheid halen we nog een klein jachtje in dat het erg zwaar heeft met dit weer. De wind neemt verder toe, het is nu al 30 knopen, wat moet dat vanacht dan wel niet worden?

Als we achterom kijken zien we dat het kleine jachtje omgedraaid is om een vluchthaven te zoeken. Wat weten zij, wat wij niet weten? "Zet die marifoon nog eens aan". Even later weten wij het ook: er zit ons een storm op de hielen. Die zou pas morgenavond komen! Windkracht 8 uit het noorden. Richting is goed, maar 45 knopen daar zitten we niet op te wachten. Wat doen wij? Tweede rif zetten, motor erbij en als de wiederweerga Duluth zien te bereiken voor morgenochtend de hel losbreekt. Opeens vinden we het niet leuk meer. De golven zijn steil en kort op elkaar. Zwerver vindt het nodig om haar neus in iedere golftop te boren zodat we bakken water over ons heen krijgen. Zo te horen zit het anker niet goed strak. Als Harry het voordek op gaat, duiken we net weer een golf in. Hij krijgt de volle lading over zich heen en heeft geen droge draad meer aan z'n lijf. De zwaarweerpakken worden tevoorschijn gehaald. Harry gaat weer het voordek op en alsof de duvel ermee speelt, duiken we net op dat moment weer een golf in. "Nou ben ik verdomme al weer helemaal nat"!

En zo ploeteren we langzaam maar gestaag verder. Maar juist als ons humeur ongeveer het nulpunt bereikt heeft, laat de wind het opeens afweten. Even later wordt het water zo glad als een spiegel en motoren we de laatste 20 mijltjes naar Duluth. We hadden goede aanwijzingen gekregen van de marina manager en tegen een uur of 4 's ochtends liggen we muurvast met een paar extra landvasten aan een kade, in de beschutting van een grote loods. Laat maar komen die storm. We zijn er!

 

Striptease show

Brrrr, wat is het koud hier! Zelfs binnen kun je je adem zien. Onze kachel kan nog niet aan want er zit een lek in de schoorsteen. Met moeders gebreide sokken aan zitten we onder een fleece-dekentje aan het ontbijt als er op de romp geklopt wordt. Er staat een blonde jongen met een potje Maple Siroop. "Welcome! Als jullie zover zijn willen we meteen maar de mast eraf halen, het gaat namelijk waaien vandaag", zegt Eric. Binnen een uur is de klus geklaard en kan de mast klaar gemaakt worden voor transport. Dat doen we zelf. Behalve een algehele inspectie, trekken we waar nodig nieuwe electrische bedrading, halen die hinderlijke bovenste maststep eraf en monteren een nieuwe windmeter. De achterstag met de SSB antenne halen we eraf en de overige stagen worden ingewikkeld en afgetaped zodat ze niet kunnen schavielen tijdens het transport. Ook de marifoonantenne gaat eraf en wordt zorgvuldig in bubbeltjesplastic verpakt. Al jaren is de mastvoet een doorn in het oog. Er komt roestwater onder vandaan. Nu de mast eraf is, besluiten we ook die loodzware mastvoet er eindelijk maar eens af te slopen. Tot onze verrassing gaat dat eigenlijk vrij gemakkelijk. De roest eronder valt gelukkig ook reuze mee. Schoonmaken, een paar lagen epoxy erop en dan kan ie er weer op. Daarna kan de grote striptease show beginnen. De maximale laadhoogte is 12ft9" anders kan de dieplader niet onder de bruggen door. Alles wat eraf geschroefd kan worden gaat eraf en moet ergens onderdeks opgeborgen worden: Zeereling incl preekstoel en hekwerk, bimini, buiskap, zeilen, schoten en vallen, spatzeilen, stootwillen, giek, ankers, buitenboordmotor, gasfles, windgenerator, radar. De zonnepanelen kunnen blijven zitten en tapen we in karton. De lastigste klus is de radarpaal. Bij ons is dat een nogal zwaar uitgevoerde RVS-installatie waar een aantal draden en antennes doorheen lopen. Het gevaarte moet er in z'n geheel af met de instrumenten en al. Met wat touw en vliegwerk (en slechts een klein beetje gevloek) lukt allemaal zonder de boel te beschadigen. Het meeste werk is niet het strippen van de boot zelf, maar zit in het schoonmaken, inspecteren, verpakken en opbergen van de spullen. Maar eigenlijk is dat ook wel weer een goede zaak. De hele voorpunt zit volgestouwd zodat wij tijdelijk "camperen" in de salon. Het enige wat nu nog kritiek kan zijn voor de laadhoogte zijn de "sissy-bars" rond de mast. Die zitten gelast op het dek en als het even kan willen we dat laten zitten. Als de truck komt zullen we zien of onze berekening klopt; we zouden een inch over moeten hebben.....

 

Een warm onthaal in Barkers Island Marina

Barkers Island Marina is in alle opzichten een warme douche. We worden hartelijk ontvangen door manager Joe en z'n vrouw Karen die ons trakteren op een gezellig avondje uit met pizza's en life-muziek. De marinajongens zijn stuk voor stuk aardige en competente kerels die niet te beroerd zijn om af en toe een handje te helpen en ons hier en daar van praktisch advies te voorzien. Tussen het werk door is er ook tijd voor ontspanning. Het tweede weekend van september organiseert de marina de laatste zeilwedstrijd van het seizoen: the Fray of the Bay. Voor ons een mooie informele gelegenheid om wat clubleden te leren kennen. Harry vindt het te koud en werkt liever rustig door. Ik trek een wollen trui aan en mag de 30ft Pearson van commodore Art schipperen. Het is heerlijk fris nazomerweer, de lichte boot reageert fantastisch en Art is uitermate gezellig gezelschap. Ondanks of dankzij 2 tactische foutjes eindigen we op de 5e plaats. Niet slecht voor een 2 mans-team. Volgende keer de spinacker op Art! Na afloop is er een "get-together" met een hapje en een drankje. Nu is Harry uiteraard wel van de partij en wint in de loterij ook nog eens een T-shirt en een setje golfballen. Verder krijgen we een ereprijs uitgereikt voor "deelnemers die het verst weg kwamen. Tja, je moet natuurlijk wel wat over hebben voor een locale zeilwedstrijd in Superior....

Een paar dagen later wordt Zwerver op de wal gezet en kan het smerige werk beginnen. Terwijl Harry de schroefas inspecteert en een nieuwe dripless bearing installeert, neem ik het onderwaterschip voor mijn rekening. Vergeleken met de locale jachten hier, die ieder half jaar uit het water gaan en uitsluitend op zoet water zeilen, ziet onze onderkant er smerig uit. Maar wij vinden de aangroei nu juist enorm meevallen. Wat wel een vieze tegenvaller was, is dat de epoxy op de nieuw ingelaste platen losgelaten heeft. Nieuw staal heeft een beschermende oxidatiehuid die er eerst afgehaald moet worden voordat je het kunt schilderen. Dat was dus vorig jaar in St Maarten niet goed gedaan. Het marinapersoneel kijkt gefascineerd toe. Ze hebben waarschijnlijk nog nooit gezien dat het onderwaterschip met een haakste slijper te lijf genomen wordt, en zeker niet door een vrouw. Ik krijg de weinig flatterende bijnaam "yard girl". Dit smerige klusje zorgt voor oponthoud maar gelukkig hebben we voldoende tijd ingecalculeerd om het deze keer goed te doen. Nu de boot op de kant staat, kunnen we ook de hoogte meten. We komen wederom uit op 12ft8". Dat zou net voldoende moeten zijn........

 

Afscheid van de Zwerver

Vrijdag 26 September om 10.00 uur, exact volgens afspraak, komt de dieplader van Cross Country Boat Transport voorrijden. Dit is het moment van de waarheid. Chauffeur Nat klimt aan boord en begint te meten. "You guys did a nice job. Just a couple of inches left". Zwerver wordt weer in de travellift gehangen en na een laatste likje antifouling, zorgvuldig op de truck geplaatst. De mast wordt in speciale steunen aan de zijkant van de truck gelegd. De bijboot, preekstoel en bimini krijgen een plekje op de bodem voor de boot. Daarna wordt alles stevig met sjorbanden vastgezet en is Zwerver klaar voor vertrek. Dit voelt toch wel een beetje raar. Ons huis, ons maatje, gaat er zonder ons vandoor. Een kleine 3000 km over land, dwars over de Rocky Mountains. Voor het eerst deze reis hebben we de touwtjes niet zelf in handen, maar we hebben alle vertrouwen in de vakkundigheid van Cross Country. Bovendien is de scheiding maar van korte duur. Als alles goed gaat worden we woensdag in Seattle weer met elkaar herenigd.

 

Even voorstellen

Dit zijn Heinz en Denese, een heel bijzonder koppel, die ons verschrikkelijk in de watten gelegd hebben. Toen we Heinz voor het eerst ontmoetten dachten we even: "wat hebben we nou weer aan onze fiets hangen!". Uit een jeep vol professionele radio-apparatuur en scanners, met zwaailichten, 4 antennes, een reddingsboei, seinvlaggen, schijnwerpers, snowboots, pikhaak, schepnet en weet ik wat nog meer om de mens- en dierenwereld van Duluth en omgeving te redden, stapt een gespierde kerel die eruit ziet als de hippy-versie van Anton Geesink. Als we kennis met hem maken blijkt het een warme teddy beer te zijn die het geweldig vindt wat wij doen en op allerlei mogelijke manieren z'n steentje komt bijdragen. Heinz brengt ons meerdere keren naar de supermarkt, komt ons in de lunchpauze halen om even een hamburgertje te eten en doet zelfs heel vakkundig wat laswerk voor ons. Denese bakt brood voor ons, maakt een heerlijke lasagna en organiseert een BBQ met jumbo size porterhouse steaks. Als ons "huis" op transport gezet wordt mogen we de laatste dag in hun kingsize bed logeren. De volgende dag laten ze ons de binnenstad van Duluth zien en daarna worden we keurig bij het busstation afgezet. Het zijn dit soort speciale mensen die onze reis een gouden randje geven. Heinz and Denese, a very very big THANK YOU!!

 

Met de Empire Builder naar Seattle

James J. Hill, president van de Great Northern railway, was een man met visie. Dit ondanks het feit dat hij maar 1 oog had. In 1929 legde hij een spoorweg aan die het Grote Meren district verbond met de westkust en pioniers en immigranten uit de hele wereld in stijl naar het onbewoonde wilde westen vervoerde. De eerste Empire Builder was voorzien van alle denkbare luxe, zoals een kapsalon, restaurants, dienstboden en secretaresses en uitgerust met de nieuwste snufjes zoals electrische verlichting. Iedereen die in die tijd ook maar iets voorstelde, reisde door het noorden met de Empire Builder. Comfortabel reizen per trein heeft door de jaren heen bekende artiesten aangetrokken zoals Elvis Presley en Billie Holiday. We bevinden ons dus weer in goed gezelschap. Tegenwoordig reizen meer dan een half miljoen mensen met deze trein: studenten die op het platteland wonen en studeren aan een universiteit in de grote stad, arbeiders die in de olievelden van North Dakota werken en touristen die naar Glacier National Park gaan. In de wintermaanden als de wegen gesloten zijn vanwege sneeuwstormen, is de Empire Builder het enige openbare vervoer en voor veel mensen de enige "life-line" met de rest van de wereld.

Als we in Minneapolis aan boord stappen, is ons bed al opgemaakt. De volgende ochtend krijgen we een uitstekend ontbijt voorgeschoteld. Het leuke is dat we worden aangeschoven bij andere passagiers: van een software-ontwerper van Amazon die ons enthousiast bijpraat over cloud tot een docente van de Episcopal Church die lezingen geeft voor priesters en sociaal werkers en ons uitlegt hoe de sociale dienstverlening in de USA werkt en hoe noodzakelijk het Obama-care programma is. De tijd tussen de maaltijden brengen we door in de glazen Lounch-wagon of in onze eigen prive-coupe. Zowel de tijd als het landschap vliegt voorbij. We zijn de grens met North Dakota overgestoken en rijden eerst door een vruchtbare vallei met eindeloze velden tarwe. Dit is de graanschuur van Amerika. Ook het graan dat wij in Nld eten komt hier vandaan en wordt door rederijen als van Ommeren rechtstreeks van Duluth naar Rottterdam verscheept. Het grootste gedeelte van North Dakota is echter prairie-landschap. Cowboys zien we niet maar wel kuddes bruine vleeskoeien en grote "corrals" waar het vee ingedreven wordt voordat het naar het slachthuis gaat. We passeren kleine nederzettingen met armoeiig uitziende houten huizen die in kleine groepjes bij elkaar staan. Landbouwwerktuigen en auto's staan gewoon buiten op het erf in weer en wind weg te roesten. Alles ziet er zo kleurloos uit. Je moet wel uit een bepaald hout gesneden zijn, wil je hier wonen. Het enige vermaak hier zijn gun-farms en rodeo-shows. Het westen van North Dakota is rijk aan olie. Met enige regelmaat zien we ja-knikkers en flammen die uit de grond komen. Amerika probeert zo snel mogelijk onafhankelijk te worden van olie uit het Midden Oosten. De olieproductie in de USA is dankzij nieuwe technieken de laatste 5 jaren explosief gestegen van 5 miljoen vaten in 2010 naar 8 miljoen vaten in 2014 per dag. Alleen Rusland en Saudi Arabie produceren meer, ieder 10 miljoen per dag. Als we de staatsgrens met Montana oversteken komen we in een andere tijdszone en moeten we de klok een uur terug zetten. We passeren Wagner, een kleine nederzetting waar in 1901 Butch Cassidy en de Sundance Kid hun laatste trein overvielen en met een buit van $65.000 naar Argentinie vertrokken. Het landschap wordt gevarieerder, bergachtig met snelstromende rivieren. De bomen staan in herfsttooi maar het felrode zoals in Duluth zie je hier niet. Een paar keer zien we een groepje herten. Glacier National Park passeren we helaas 'snachts maar het landschap is de volgende ochtend nog steeds indrukwekkend met granieten bergen en naaldwouden. Tegen het middaguur gaan we door een 8 mijl lange tunnel die ons aan de andere kant van de bergkam brengt. Het weer is hier opeens heel anders. Dikke grijze wolken en mist. De laatste 30 mijl rijden we langs de kust van Puget Sound en Silshole Bay. Er wordt gezegd dat een op de drie inwoners hier een boot heeft. Aan de grootte en het aantal marina's te oordelen zou dat best eens kunnen kloppen. Hier komt Zwerver overmorgen ook ergens aan en kunnen we samen weer beginnen aan ons volgende avontuur: op naar Alaska!