Fiji

De weergoeroe heeft het mis

"Der Wind wird bestimmt abnehmen!" zegt onze weergoeroe. Winfried maakt voor iedere boot een uitgebreid weerprofiel en zoals je van een duitser mag verwachten, doet hij dat zeer grundlich. Als we ons s'ochtends om 8.00 uur op 10.090kHz melden, weet hij nog beter wat onze positie is dan wijzelf. Maar deze keer zit hij er tot zijn grote ergernis en ons vermaak, al twee dagen mooi naast. In plaatst van zwak variabel, meest noord, hebben we oost-zuid-oost 30+ knopen met buien van 40 knopen. Het schiet wel lekker op, maar het leven aan boord is niet erg comfortabel. We varen een halve tot aan-de-windse koers met 5m golven midschips. Ieder half uur knalt er een stevige breker in de kuip. Het is voor het eerst deze reis dat we 3 reven in het grootzeil hebben. Met de nieuwe zwaarweer genua erbij blijft Zwerver mooi op koers zonder dat de autopilot overuren hoeft te maken. En dat is maar goed ook, want meteen de eerste dag al, brak zomaar opeens het grote roer van de windpilot eraf zonder dat er ook maar enige kracht op stond! We hadden het ding in Whangarei laten repareren door "Mark de Lasser" maar blijkbaar heeft deze de constructie zodanig verziekt dat het roer niet afbrak op de breekbus maar net eronder, waardoor de borglijn dus ook niet veel zin had. Nou ligt ie op de bodem van de Stille Zuidzee en moeten wij maar zien hoe we weer een andere krijgen. Hopelijk is het overige laswerk wel degelijk uitgevoerd anders vrees ik dat er dit seizoen minstens 3 nederlandse stalen schepen in de problemen komen. De windgenerator draait op volle toeren en houdt met gemak de stroomvoorziening bij voor zowel de nieuwe koelkast als de autopilot. Wat een luxe, we hebben brie en pate op ons brood! En omdat we verder toch niets anders kunnen doen dan af en toe eens kijken of er scheepsverkeer is, liggen we lekker knus met z'n tweetjes achter in 1 hondekooi. Klemvast.

Als na drie dagen de wind weer overgaat naar een normale zuid-oost 20-25 knopen is het een verademing om het naar oude sokken en vieze onderbroeken-ruikende klamme hok te verlaten. We kunnen goed merken dat we weer in de tropen komen. Het is warm en vochtig en al na 4 dagen sinds ons vertrek uit Nieuw Zeeland gaan de fleece-truien uit. Er valt niet veel te beleven onderweg. Oh, ja, de plee breekt af en de reserve-plee (jawel, wij hebben/hadden een reserve plee) ligt nog in Whangarei onder Thalassa! We zien weinig vogels en al helemaal geen walvissen of dolfijnen. Voor ons zien we het witte zeiltje van Luna, een 45ft Trintella uit Loosdrecht, die tegelijk met ons uit Opua vertrokken is. Vooral 's nachts is het wel lekker om een lichtpuntje voor je te hebben. Twee keer per dag hebben we radio-contact totdat na 5 dagen de wind begint op te steken en Luna ons eruit loopt tot buiten marifoonbereik. Na negen dagen zien we de contouren van Fiji opduiken en worden we onthaalt door een vrolijk snaterende groep Jan-van-Genten. Ze jagen met z'n vijftigen achter een school visjes aan die in paniek alle kanten uit springen. Ook een school Geelvintonijnen heeft het op de visjes gemunt en springen met spectaculaire snelheid voor onze boeg langs. Op de laatste dag van deze 1200 mijls trip krijgt Winfried eindelijk gelijk: de wind neemt af naar nul zodat we de laatste 30 mijltjes moeten motoren. Om 20.00 uur laten we het anker vallen naast Luna, die een kleine halve dag eerder is aangekomen.

Een vrolijke bende in Suva

Aan de hoeveelheid papierwerk dat we te verwerken krijgen bij het inklaren kun je het bananengehalte van het land afmeten. Fiji scoort een ruime 9! Maar het is niet vervelend. Harry zit aan de eettafel met twee brillen op z'n neus. Tegenover hem de dames en heren van respectivelijk douane, immigratie, gezondheidsdiens en quarantaine, keurig op een rijtje met een glaasje appelsap. "Do you have animals on board?" "Alleen die knuffelijsbeer in eskimojas achter je", zegt Harry en prompt liggen de beide dames weer in een deuk. Op de vraag of we alcohol aan boord hebben, waren we voorbereid. We laten ze een kleine hoeveelheid wijn zien, waarop het kasje verzegeld wordt. Het kastje heeft echter nog een toegang via de andere kant, maar dat hebben ze niet gezien. Een klein uurtje later is de klus geklaard en mogen we aan land.

We bevinden ons in een compleet andere wereld dan het bezadigde Nieuw Zeeland dat we achter ons gelaten hebben. Het straatbeeld wordt gedomineerd door Indiers. Iele drukke mannetjes met grote snorren en veel te wijde broeken en prachtige vrouwen in goudbestikte sarees. Een schril contrast met de grof gebouwde Polynesiers. Met hun stierenek en vierkante hoofden zien ze er zelfs een beetje primitief uit, maar we hebben ons laten verzekeren dat ze hun kanibalenpraktijken 150 jaar geleden al afgezworen hebben. In het museum zien we nog wel een indrukwekkend aantal kanibalenvorken die uitsluiten gebruikt werden voor het consumeren van mensenvlees, compleet met recepten erbij! Het informatiebordje doet dit overigens af als een normaal werelds gebruik: in Frankrijk vraten ze hun soortgenoten 3000 jaar geleden immers ook op. We wisten eigenlijk niet goed wat we verwachten konden in Fiji. Vier maanden geleden is er nog een militaire coupe geweest waarbij de president afgezet is. Volgens de taxichauffeur is dat niets bijzonders en hoort het gewoon bij het democratische proces. "Fiji government is hopeless. Fijians have big head and small brains. If I vote for you, you take care of me, and don't steal from me". En als dat wel het geval is, wordt de president , net als een slecht-presterende voetbalcoach, gewoon afgezet en komen er nieuwe verkiezingen. Zouden ze in de USA ook eens moeten doen. Helaas kijkt de buitenwereld er toch iets genuanceerder tegenaan. Al tijdens de dreiging van de coupe had Australie 2 oorlogsschepen gestuurd (met volgens de Nieuw Zeelandse critici duizenden coctailprikkers aan boord), maar dat maakte blijkbaar geen indruk. Wat wel vervelend is, is dat de internationale hulp en geldstroom stop gezet is. Zo sponsorde de EG de suiker voor maar liefst 4.5 miljoen Euro per jaar! Niemand wil meer investeren en banken zijn super terughoudend met het verstrekken van leningen waardoor een aantal bedrijfjes al over de kop is gegaan. De salarissen zouden met een kleine 20% gedaald zijn. Het leven voor de gewone burgers is daardoor opeens een stuk duurder geworden. Wij merken daar niets van. Harry gaat naar de kapper voor 1.50 Euro en we laten ons reddingsvlot keuren voor 100 Euro, bij dezelfde maatschappij die er in Nieuw Zeeland het viervoudige voor vroeg. Ook de touristen vinden een coupe geen reden om weg te blijven. Een groot cruiseschip spuwt 2000 vette witte amerikanen uit die als bijen om de honing op de souveniersstalletjes afkomen. "It's all crap" hoor ik er een verveeld zeggen, "let's go to Mac Donalds". De man weet niet wat hij mist. Down-town Suva is een grote vrolijke bende. Aan de ene kant van de drukke winkelstraat staat Bula FM en aan de andere kant galmt de krijzende muziek van concurrent Suva FM. In het midden speelt een hoelabandje covers van Nashby, Stills, Cross and Young en daarbovenuit prijzen de Indiers met grote zwarte luidsprekers hun koopwaar aan.

In een klein zijstraatje gaat het er verhit aan toe. Indische mannen proberen een gokje te wagen bij een soort straat roulette. Het dobbelspel wordt gerund door (hoe kan het ook anders) Chinezen. "Fijian Casino" legt de kleine Chinees me lachend uit. "You tly ma'm?" No thanks. Wij proberen ons geluk in een Indiaas curry restaurant. De volgende dag breng ik bij gebrek aan een deugdelijke WC, grotendeels door op de putsemmer.

Genua aan flarden

Fiji bestaat uit meer dan 300 eilanden waarvan minstens 100 bewoond. We zullen dus een keus moeten maken, die niet alleen bepaald wordt door de bezienswaardigheden maar zoals vaak door de windrichting. Zo waren we van plan naar Savu Savu op het tweede grote eiland Vanua Levu te gaan, maar de wind bleef maar uit het NO waaien. We hebben het tegen beter weten in nog wel geprobeerd, maar na 2 uur stampen tegen wind en golven in zijn we wijzelijk weer omgedraaid richting Lautoka, 130 mijl verder aan de westkust. Het is een heerlijke zeildag en het belooft een rustig nachtje te worden. Het waait ongeveer 15 knopen en we varen met uitgeboomde genua rustig 5 knoopjes. Tijdens mijn tweede wacht, zo rond een uur of 2, schuiven er steeds meer donkere wolken en verdwijnen de sterren. De wind wakkert aan tot ruim 20 knopen en overal om ons heen zie ik bliksemflitsen. Het onweer is nog ver weg, maar toch vertrouw ik het niet. Lijkt me beter dat die boom eruit gaat. Ik roep Harry uit z'n kooi en die is nog niet buiten of BENG! een klapgijp. Gelukkig hadden we een bullettalie staan zodat schade voorkomen werd. De wind is plotseling 90 graden gedraaid en neemt sprongsgewijs toe naar 35 knopen. De boot begint alle kanten uit te slingeren en is nog maar nauwelijks op koers te houden. Harry rent meteen naar de boom, maar er staat te veel kracht op de schoot. Ik laat de schoot een beetje vieren. De boom is los en veilig aan dek, maar de genua werkt zich vast om de furler zodat ik hem niet goed in kan rollen. Ik durf ook niet verder voor de wind te gaan sturen uit angst voor weer een klapgijp. Het geklapper en geruk aan de furler is niet om aan te horen. We moeten naar elkaar schreeuwen maar onze stemmen gaan verloren in de wind. Het is aardedonker maar tijdens een bliksemflits wordt het schip spookachtig wit verlicht. Bovenin zit het zeil dubbel, er is een windzak ontstaan en dan hangen de flarden er opeens bij. We hebben het niet eens horen scheuren! Ondertussen valt de regen met bakken uit de lucht en is het onweer recht boven ons. We leggen twee riffen in het grootzeil en haken de nieuwe werkfok aan. Een beetje mosterd na de maaltijd. De hele aktie heeft nog geen 10 minuten geduurd. De pas gerepareerde genua moeten we als verloren beschouwen. Dat is een flinke tegenvaller. Financieel natuurlijk ook, maar in de eerste plaats omdat we voorlopig nog niet in een gebied komen waar we een nieuwe kunnen laten maken. De nieuwe werkfok is te klein om lekker voortgang te maken en niet zo geschikt voor voor-de-windse koerzen. De lichtweer genua daarentegen is al snel weer te veel. We balen als een stekker. Wat een stommiteit! En dat al zo vroeg in het seizoen. Nieuwsgierige blikken als we gehavend Vuda Point Marina binnenlopen. "Bad weather on your way from Nieuw Zealand?". Tja, dat was in ieder geval nog stoer geweest. Dit was gewoon eigen-schuld-dikke-bult.

Krassen op de k(z)iel

In Vuda Point marina komen we na een heerlijke douche en koud biertje weer een beetje over de teleurstelling heen. Er zit hier een zeilmaker en die denkt dat de genua nog wel opgelapt kan worden. Drie grote scheuren en een nieuw paneel, drie dagen werk, kosten ongeveer 350 Euro. Jammer geld, maar als we het daarmee halen tot aan Thailand zijn we voorlopig weer geholpen. Op naar de Yasawa eilanden. De Yasawas vormen een keten van 16 vulkanische eilanden en nog eens 35 kleintjes ten westen van het hoofdeiland Viti Levu. En omdat ze in de luwte van het hoger gelegen vaste land liggen, krijgen deze eilanden veel zon en weinig regen. In 1949 heeft dit gebied grote bekendheid verworven door de film de "Blue Lagoon" toen nog met Jean Simons in de hoofdrol, en later waren de eilanden weer het decor voor de re-make met Brook Shields. Het is er echt zo paradijselijk als in de film. Witte stranden, wuivende palmen, azuur blauw water en prachtig levend koraal vol kleurige vissen. Heel mooi als je eenmaal veilig voor anker ligt en lekker kunt gaan snorkelen, maar af en toe zenuwslopend om te zeilen. Ondanks goede zonnebrillen en de zon in de rug (en een paar verweerde houten markers die we te laat zagen), raakten we toch nog even een stuk koraal dat net onder de oppervlakte lag. Gelukkig hadden we nauwelijks snelheid. Krrrrrrr, en toen lagen we stil. Zelfs met de motor vol gas in z'n achteruit kwam er geen beweging in. Dankzij koel optreden van de schipper die ons met de lange spinakerboom binnen een minuut weer lospunterde, is de schade beperkt gebleven tot een paar krassen op onze k(z)iel.

Gastvrije kanibaal eilanden

Laat in de namiddag liggen we voor anker voor een dorpje op het eiland Waya, genietend van een koud pilsje op het mooiste moment van de dag. De zwoele eilandgeuren komen ons tegemoet. Een mix van zoete bloemen en gedroogd cocosvlees. Op het strand spelen de jongens een partijtje rugby. Tussen de palmbomen zien we een paar huisjes. Er stijgen rookpluimen op. Zo te ruiken wordt hier blijkbaar nog op open vuren gekookt. Als de zon onder is gegaan horen we de doffe klanken van trommels. De inboorlingen stoken de potten op en maken een vreugdedansje ter voorbereiding op de komst van twee lekkere vette blanken. Dat overkwam in 1789 kapitein Blight. Nog geen week na de beruchte muiterij op de Bounty, werd hij hier nagezeten door twee kano ladingen vol kanibalen. Om zeker te zijn van een gunstige ontvangst, gaan we de volgende dag aan land met een bundeltje kava voor het stamhoofd. Kava is een wortel dat fijn gemalen en vermengd wordt met water en speeksel tot een stimulerend drankje. Het is een traditioneel gebruik waarbij de schenkende partij respect toont en toegang tot het dorp vraagt. De ontvangende partij verplicht zich door het aannemen van de kava te zorgen voor het welzijn van zijn gasten. Op het strand worden we begroet door John, een oude man met grijs kroeshaar. Hij leidt ons door het dorp en we worden uitgenodigd in zijn traditioneel gebouwde huis. We zitten op een rieten mat tegenover elkaar. We vragen beleefd naar het stamhoofd. "The chief died in the last hurricane", zegt John. En loerend naar ons bundeltje Kava: "You can do the Sevu Sevu ceremonie here with me". We krijgen het gevoel dat we een loer gedraaid worden, maar eigenlijk kan ons dat ook niet veel schelen. De ceremonie bestaat uit handgeklap en een paar onverstaanbare woorden. Met een minuut is het gebeurd en vervolgens wordt ons bananen aangeboden. Ondanks het groeiende toerisme is het dorp behoorlijk traditioneel gebleven. De meeste hutten zijn van hout en riet gemaakt. Meerdere families delen samen een erf met een kook- en wasplaats. Er lopen honden, kippen en eenden rond. Op de grond in de schaduw van een grote boom, zit een groepje vrouwen schelpen te openen. Ik krijg er spontaan een aangeboden om te proeven. Mm, best lekker. Een eindje verder ontdoet een vrouw met een groot kapmes de pandanusbladeren van hun scherpe doorns. De bladeren worden gedroogd en gebruikt voor het mattenvlechten. Een ander groepje vrouwen nodigt me uit bij hen te komen zitten en voordat ik het weet zit ik met wildvreemden aan een lunch van jamwortel en vissoep. Kinderen zijn het spontaanst. Ze willen allemaal graag op de foto en liggen krom van het lachen als je ze het resultaat laat zien. De mannen zien we eigenlijk alleen maar niks doen. Ze liggen te luieren in hangmatten onder de palmboom of spelen een spelletje met damstenen van steentjes. "Fiji time" noemen ze het zelf. Als ik de vrouwen er voorzichtig naar vraag beginnen ze te giechelen. Het werk van de mannen zit er al lang op. Nog voor zonsopgang werken ze op de velden in de heuvels. De landbouw is redelijk primitief. Alles met de hand. Ze verbouwen voornamelijk yams, tarot, cassave en cocusnoten. Soms gaan ze vissen, maar alleen als dat nodig is. Vandaag is er geen vis. We vragen of we kip kunnen kopen. Een meisje introduceert ons bij haar oom. "Kip? Ja hoor. Kiep, kiep, kiep kiep" en hij wijst op een mooie grote haan die er parmantig aan komt lopen. "Is die goed genoeg?" Op de andere eilanden treffen we min of meer hetzelfde aan. Een paar keer komen vissers bij ons langs met verse kreeft, zo groot dat we het niet eens opkunnen. Na veertien dagen in het paradijs gaan we weer terug naar het hoofdeiland. We moeten ons weer bezig houden met aardse dingen zoals een genua .

 

Vanuatu

Op hete kolen

De afstand van Fiji naar Vanuatu is ongeveer 470 mijl. Een stevige passaatwind van 25 knopen en de south-subtropical current van 1 knoop staan borg voor een supersnelle overtocht. Helaas scheurt de eerste dag de pas gerepareerde genua opnieuw en om onverklaarbare reden is Ellen zo ziek als een hond en hangt 48 lang als een lijk over de zeereling. Onze eerste aanlegplaats in Vanuatu is Port Resolution op het eiland Tanna, zo genoemd door Captain Cook naar het schip waarmee hij zijn tweede ontdekkingsreis maakte. De naam doet een havenplaats vermoeden, maar is in werkelijk niet meer dan een natuurlijke inham met een klein dorpje aan de voet van een actieve vulkaan. Vanuatu bestaat uit een lange rits van 82 eilandjes die precies op de scheidslijn liggen van twee tectonische platen. De Indo-Australische plaat schuift onder de Pacifische plaat waardoor de eilanden jaarlijks maar liefst 20cm stijgen! Dat gaat gepaard met behoorlijk wat natuurgeweld. Aardbevingen en vulkaanuitbarstingen zijn hier heel normaal. De Yasur vulkaan is met zijn 361m hoogte van een afstand niet erg indrukwekkend om te zien. Hij heeft een klassieke vorm maar mist de besneeuwde kap van de elegante vulkanen in Patagonie. Deze vulkaan is egaal donker grijs en tot in de verre omtrek is alles met een dikke laag as bedekt. De passaatwind heeft een mooie scherpe plooi in de oostelijke helling gestreken. Met een 4-wheel drive worden we tot aan de voet van de helling gebracht. De laatste 20 minuten voor zonsondergang worstelen we ons door de stoffige aslaag omhoog tot we op de krater rand staan. In eerste instantie is het een beetje een teleurstelling. We hadden gedacht in een kolkende lavamassa te kijken, maar we zien alleen maar dikke rook en verstikkende zwaveldampen opstijgen. Dan opeens voel je een luchtdrukverschil direkt gevolgd door een enorme knal die de grond onder je voeten doet trillen. Er verschijnt even een rode gloed in de krater en met donders geweld worden grote rood gloeiende steenklompen tientallen meters hoog de lucht in gespoten. Daarna zijn de hellingen met gloeiende stipjes bedekt. Onze gids had ons gewaarschuwd dat we niet moesten schrikken of wegrennen maar goed moesten kijken waar de hete kolen terecht kwamen. Instinctief doen we toch maar een stapje terug. Dit indrukwekkende spectakel herhaalt zich ongeveer iedere tien minuten. We kunnen er geen genoeg van krijgen en gaan pas met tegenzin terug als het echt koud en kil begint te worden. Een onvergetelijke ervaring.

Het primitieve dorpsleven

De volgende ochtend brengen we een bezoek aan het dorpje. Volgens goed gebruik stellen we ons voor aan het dorpshoofd en vragen daarmee formeel toestemming om in zijn wateren te mogen ankeren. Chief Ronny is een goed gehumeerd klein mannetjes met grijs kroeshaar en spreekt voortreffelijk engels. Na een paar beleefdheden uitgewisseld te hebben volgen we het keurig aangeharkte pad (the mainroad) dat langs de eenvoudige rieten hutjes voert. De inwoners begroeten ons met een oprechte hartelijkheid, heel anders dan we tot nu in Polynesie gewend waren. De Melanesiers zijn totaal andere mensen en vertonen grote verwandschap met de papoeas in Azie. Klein, pezig met een warrige kop kroeshaar dat bij een bepaalde lengte alleen nog maar rechtop wil blijven staan. Schaars geklede kindertjes met een dikke snotterbel maken muziek door een rietje te laten trillen tegen een blaadje dat ze tussen hun tanden klemmen. Vrouwen in kuize "mother Hobard"-jurken bereiden buiten op de grond de middagmaaltijd voor. Het nationale gerecht is lap-lap, een mengsel van geraspte yam, taro en manioc gekruid met cocos dat in bananabladen wordt gewikkeld en in een steenoven wordt gestoofd. Het eten is behoorlijk eenzijdig en we zien helaas ook een aantal hongerbuikjes. De enige proteine die ze binnenkrijgen komt van vis. Kippen en varkens worden alleen geslacht bij feestelijke ceremonies. Gek genoeg eten ze ook geen eieren. Behalve hun rieten huizen en een paar schaarse gebruiksvoorwerpen, hebben de dorpsbewoners geen geld of bezittingen. Ze zijn dan ook blij met de komst van buitenlanders want die brengen geld in het laadje. US$20 pp entree voor de vulkaan is voor dit land, waar een geschoolde arbeidskracht ongeveer $10 per dag verdient, behoorlijk aan de prijs. Maar de opbrengst komt ten goede aan de gemeenschap. Zo hebben ze in Port Resolution geinvesteerd in een tweetal zonnecellen om electriciteit op te wekken en in een jeep. Helaas is benzine schaars en dus erg duur en rijdt de jeep alleen als er een paar "yachties" zoals wij naar de andere kant van het eiland moeten om in te klaren. Achter in de laadbak zijn een paar gammele bankjes gemaakt waarop we samen met nog een achttal dorpsbewoners plaatsnemen. De weg, een groot woord voor een hobbelig smal karrespoor, gaat dwars door de jungle over de heuvels en eindigt aan de andere kant van het eiland in de hoofdstad Lennakel. Er is een bank met een hele lange rij wachtenden. Creditcards of geldmachines kennen ze niet. Wel kunnen we onze amerikaanse dollars wisselen. De man van de douane is vandaag in zijn nieuwe baan begonnen en weet niet zo goed wat hij met ons aan moet. "Kun je morgen niet terug komen? Of anders gewoon volgende week inchecken in Port Villa?" s'Middags is zijn collega er en na $30 betaald te hebben krijgen we ons inklaringsbewijs. Een stempeltje in je paspoort kost nog eens $20. Ze weten hier wel van wanten. We krijgen de indruk dat de regels niet zo nauw worden nageleefd en het alleen maar om de centen is te doen en laten quarantaine daarom maar zitten. We boffen, het is marktdag. Onder een grote boom in het midden van het dorp zitten een aantal vrouwen met kleine kinderen op rieten matten bijelkaar op de grond. Daar omheen hebben ze hun koopwaar uitgestald, ook op rieten matjes of in kunstig gevlochten mandjes van palmbladeren. Het gaat er super relaxed aan toe. Er wordt je niets opgedrongen. Sterker nog, we krijgen de indruk dat de vrouwen het maar lastig vinden als ze in hun dutje of goed gesprek met hun buurvrouw gestoord worden omdat jij iets wilt kopen. Wij zijn niet de enigen die inkopen hebben gedaan. Op de terugweg zit ik op een baal rijst vastgeklemd tussen een meisje met twee levende kippen en een stapel kartonnen dozen. Er heerst een uitgelaten stemming in de overvolle jeep. Het schoolhoofd heeft goede zaken gedaan en trakteert op geroosterde kastanjes en zoete broodjes. Het is donker als we weer terug zijn op de boot, maar nog net licht genoeg om een grote zwerm flying foxes (reuze vleermuizen) over te zien vliegen.

Ripablik blong Vanuatu

Hoewel de geschiedenis van Vanuatu dateert van ongeveer 3000 v.Chr. is Vanuatu pas in 1980 onafhankelijk geworden en daarmee de jongste republiek in de Stille Zuidzee. De eerste westerling die Vanuatu in 1606 "ontdekte" was ene meneer Pedro de Quiros, een Portugese navigator in dienst van de Spaanse koning. Pedro was helemaal in de wolken omdat hij dacht dat hij het verloren zuidelijke continent had gevonden. Als goed gelovige noemde hij het Espiritu Santo naar de Heilige Geest, en claimde vervolgens het hele gebied tot aan de zuidpool maar vast voor Spanje. Later doopte Bougainville het om tot de Great Cycladen en na hem kwam Captain Cook die het de naam New Hebryden gaf en zo heeft het nog lang in de aardrijkskunde boekjes gestaan. Hoewel de fransen en de engelsen ieder het land voor hun eigen kroon claimden legden ze in 1914 bijzonder snel hun strijdbijltje neer toen Duitsland opeens koloniaalzuchtig begon te worden. En toen ontstond er een merkwaardige situatie, het zgn "condominium" waarbij het land door beide grootmachten gemeenschappelijk bestuurd werd. Ieder met hun eigen bestuursorgaan (Frankrijk uiteraard een stuk inefficienter) en hun eigen taal. Tot op vandaag de dag leren de kinderen op school nog steeds Engels of Frans, afhankelijk in welk gebied ze wonen. In Port Villa, de hoofdstad, is een overduidelijk frans gedeelte (met de betere restaurants en gespecialiseerde supermarkten) en een engels gedeelte met de koloniale overheidsgebouwen. De officiele voertaal is Bislama, een mengelmoesje van pidgin engels, verbasterd frans en wat locale woorden. Als je het hardop leest kun je het heel aardig begrijpen. Als er staat "go insait nating" dan hoef je niets te betalen, staat er "yo no toktok" dan moet je je mond houden. Port Villa pretendeert de 2e stad van de Pacific te zijn, maar kan bij lange na niet tippen aan concurrent Papeete op Tahiti. Eigenlijk is het niet meer dan een lange straat met aftandse taxfree shops waar een fles Johnny Walker twee keer zoveel kost als op Schiphol en de parfum en juwelerie afdeling afgestemd is op de oubollige smaak van de overwegend Australische toeristen. Verder is het rij aan rij hotels, restaurants en resorts die iedere avond een peperdure "kastom" dance uitvoeren voor z'n te dikke roodverbrande gasten. Wij beperken ons verblijf tot het noodzakelijke minimum om de voorraden weer aan te vullen (kaas en pate!) en vertrekken weer snel naar het echte Vanuatu.

Peddelende forenzen

"Hello, gut moning, yu orait?" De ene na de andere kano komt langszij om een praatje te maken en als het even kan, handel te drijven. Lucifers, plastic flessen, glazen potjes, touwwerk en aspirientjes worden geruild tegen pompelmoesen, sinaasappels, bananen, papayas en vis. Aan vitaminen geen gebrek, aan privacy des te meer. Maar de "ni-Vanuatu" ,zoals de oorspronkelijk bewoners van dit land genoemd worden, zijn eerder nieuwsgierig dan opdringerig en uiterst beleefd. Heel subtiel benaderen ze onze boot. Ze kloppen of roepen niet, maar kondigen hun komst aan door zachtjes te neurien. We liggen voor anker op een prachtige plek in de Maskelyn eilandengroep, op het zuidpuntje van hoofdeiland Malekula. Het diepblauwe water contrasteert met het parelwitte strand, en dat weer met de aangrenzende donkergroene mangrove bossen. Daar achter de wuivende palmbomen, met lange bladeren die glinsteren in de felle zon. In het water spelen kindertjes onder het wakend oog van hun moeders die wijzelijk een koele plek onder een grote pandanusboom hebben opgezocht. De eilandjes zijn niet langer dan 2km zodat je in een half uurtje aan de andere kant bent. Families leven hier generatie op generatie, sommigen hebben hun eiland nog nooit verlaten. Als een kind trouwt wordt er gewoon een hutje bijgebouwd op het familie-erf. Maar met gemiddeld 5 kinderen per gezin wordt het op den duur wel erg vol. Om het overbevolkingsprobleem op te lossen, hebben de dorpelingen hun "tuinen" verplaatst naar het vaste land. Twee keer per dag peddelen deze forenzen in hun smalle traditionele kanos, soms met hun hele gezin, van en naar hun stukje grond aan de overkant. En twee keer per dag varen ze een ommetje langs onze boot. 's Ochtends om 7.00 uur om de bestelling op te nemen en 's middags om 16.00 uur om de boodschappen af te leveren. Zo gemakkelijk hebben we het nog nooit gehad. Rest ons niets anders dan een beetje te snorkelen en te luieren.

Bungy-jumpen aan een liaan

Op de andere eilanden treffen we soortgelijke dorpen en taferelen aan. Overal worden we bijzonder hartelijk welkom geheten en trots rondgeleid, met in ons gevolg een grote schare lachende kindertjes die spontaan je hand vasthouden. We hebben ballonnen voor ze meegenomen en ik heb nog nooit zoveel glunderende snoetjes gezien. Maar op het eiland Pentecost veroorzaken we ongewild bijna een familie-ruzie. Dit eiland staat bekend om z'n land-diving (naghol), een spektakel waarbij jonge mannen met een bananeblaadje om hun penis gewikkeld en lianen om hun enkels gebonden van een hoge toren springen. Oorspronkelijk is dit een ceremonie als onderdeel van de initiatie in de volwassenheid die plaats vindt iedere zaterdag in mei, aan het einde van de yam-oogst. Maar voor toeristen hebben ze het seizoen verlengd tot juni. Als we met ons bootje aan land gaan, worden we opgewacht door Sam, die ons vertelt dat ze op ons verzoek inderdaad zaterdag (=morgen) een landdive kunnen organiseren. Kosten: $80 pp. Dat is ons te dol. Valt er niets te onderhandelen? "Nee, maar voor $10 kan ik jullie wel de toren laten zien". Onder het motto "beter iets dan niets" doen we dat dan maar. Samen met de bemanning van Luna maken we een leuke bushwalk naar de toren, terwijl Sam ons onderweg en passant nog even heel slim wat bananen, pompelmoesen en limoenen verkoopt. Weer bepaalt hij de prijs en valt er niets te onderhandelen. We hebben duidelijk te maken met iemand die gewend is aan toeristen, maar zouden in zijn plaats waarschijnlijk hetzelfde gedaan hebben. Die nacht regent het vreselijk en de volgende dag horen we dat het land-diven voor een groep toeristen gecancelled is omdat het vliegtuigje niet kan landen. Chief Willy (Sam's oom) biedt ons nu opeens een groepsdeal aan tegen de helft van de prijs. Waarschijnlijk onder hetzelfde motto "liever iets dan niets". Tegelijkertijd maakt hij ons duidelijk dat we direct naar hem hadden moeten komen en niet met die charlatan van een Sam in zee moeten gaan. Even later gaat het gerucht dat Sam ons een poot heeft uitgedraaid en zelfs geld heeft gevraagd voor het ankeren. Sam is uiteraard woedend en keurt ons geen blik waardig. We voelen ons er zeer ongemakkelijk onder en ik besluit om terug te gaan naar Chief Willy om nog eens uit te leggen dat we teleurgesteld waren dat we alleen de toren konden zien, maar dat Sam ons verder correct, zij het erg commercieel had behandeld. Sam blij, chief Willy blij, en wij opgelucht. Het land-diven was overigens zeer de moeite waard, ondanks (of dankzij) dat het speciaal voor ons was opgezet. Onder aanmoediging van een groep zingende mannen, eveneens gehuld in een miniscuul klein peniskokertje van bananebladeren, klimt de eerste land-diver naar het eerste platvorm. Er volgt een heel ritueel aan theatrale gebaartjes en kreten terwijl de lianen om zijn enkels gebonden worden.

En dan springt hij opeens zonder aankondiging naar beneden. De lianen geven maar een minimale rek, maar het platvorm breekt met een vreselijk gekraak af en breekt zo enigszins de val. De diver raakt nog net met zijn hoofd de grond, die van tevoren rul opgeharkt was. Daarna volgen er nog een aantal springers, telkens van een hoger platvorm. Het gekraak van de brekende platvorms en het geschud van de toren doet ons telkens weer schrikken, maar de hele happening gebeurt zonder ongelukken. Eind goed, al goed. Dit hadden we niet willen missen.

Schroothoop in zee

Luganville is na Port Villa de enige stad van enige betekenis in Vanuatu. Het heeft 6000 inwoners en is het belangrijkste economische centrum van het land. Tijdens de 2e wereldoorlog hadden de amerikanen hier 5 vliegvelden vanwaar ze hun aanvallen op de door Japanners bezette Solomon-eilanden coordineerden. Er waren toen maar liefst 100.000 militairen gestationeerd, waaronder de latere president JF Kennedy. Sporen van die tijd zijn nog steeds zichtbaar, vooral onder water. We maken een duik naar het wrak van de SS President Coolidge, dat op zwemafstand van de kust op 30 meter diepte ligt. De Coolidge was oorspronkelijk gebouwd als luxe cruise-ship maar werd in de oorlog ingezet om troepen te vervoeren. Toen het in 1942 de haven van Luganville invoer zonder pilot, liep het op een eigen mijn. Alle opvarenden konden gered worden, maar de kapitein liet het leven omdat hij op het laatste moment nog snel benedendeks ging om iets op te halen terwijl het schip zonk. Het is een mooi wrak in goede staat. We staan altijd weer versteld van het mooie koraal en rijke onderwaterleven je aantreft bij wrakken. We zwemmen door de stuurhut naar binnen en via het promenade-dek weer naar buiten en zien met koraal overwoekerde kanonnen, geweren, gasmaskers en allerlei gebruiksvoorwerpen. 's Middags gaan we snorkelen bij Million Dollar Point, zo genoemd omdat de Amerikanen er enorme hoeveelheden oorlogsmaterieel hebben gedumpt, vlak voordat ze het eiland verlieten. De locale bevolking kon alles voor een prikkie van de Amerikanen overnemen, maar sloeg het aanbod af omdat ze erop gokten dat ze het wel voor niets in handen zouden krijgen. Dat was dus een zware misrekening. De amerikanen bouwden een scheepshelling en reden al het materieel de zee in. Je weet niet wat je ziet! Rupsvoertuigen, vrachtwagens, kanonnen, motoren, maar ook grote stalen frames en golfplaten. Bij laag water komt de roestige schroothoop boven water uit. Er schijnt hier ook een enorme berg coca-cola flesjes te hebben gelegen, maar hoewel het verboden is om iets mee te nemen, hebben souvenirjagers in de tijd de flesjes opgeruimd. Dus Hans Zwaan, als je dit leest: we hebben heus aan je gedacht, maar helaas slechts scherven aangetroffen.

Een ontroerend welkom in Waterfall-Bay

Een van onze dierbaarste herrinneringen hebben we aan Waterfall-bay, een baai bij een mooie waterval op het eiland Vanua Lava, een van de noordelijke Bankseilanden. Als we aan land gaan, worden we opgewacht door Chief Kerely en zijn familie die ons uitnodigen in hun "Yacht-club".

Wij moeten plaatsnemen voor een tafel. Elisabeth, zijn vrouw, steekt ons een rode hebiscusbloem achter ons oor en de Chief begint met een zorgvuldig voorbereide toespraak. Dan telt de chief af: one, two, three, en heft de hele familie een vijfstemmig welkomslied aan op de wijze van "God save the queen". Niet 1 couplet, niet 2 coupletten, maar 5! Wij krijgen er kippevel van en ik heb moeite mijn ogen droog te houden. Deze mensen doen zo vreselijk hun best om het ons naar de zin te maken. Als ze uitgezongen zijn staan we met een mond vol tanden. Wat moet je daar nu op zeggen?

Ankeren in een vulkaan

Onze laatste stop in Vanuatu is op Ureparapara, een uitgedoofde vulkaan waarvan de krater een opening heeft naar zee. Je ankert dus gewoon in een kratermeer omgeven door hoge stijle vulkaanwanden. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het idee aantrekkelijker was dan de werkelijkheid. De opening van de baai ligt op het noord-oosten, open dus naar de kant van de heersende passaatwinden zodat deining en golven vrij de ankerplek inrollen. Bovendien krijg je hier te maken met onvoorspelbare valwinden die van de hoge hellingen rondom afrazen. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is hebben wij onze aankomst geplanned op een dag dat het 30 knopen waait, met golven van 5 tot 6 meter aan lager wal! Je kunt je dus voorstellen dat we met kloppend hart de smalle ingang invoeren. Eenmaal binnen hoefden we geen zeil te voeren; op de golven surfden we naar de ankerplek. Toch lukte het een beschermd hoekje te vinden, griezelig dicht bij de kant, maar met voortreffelijke ankergrond. De omgeving is grandioos. Nog voordat we goed en wel het anker hebben uitgegooid komen er al 3 kanos langzij. "Waarom zijn jullie gisteren niet gekomen? We hadden een groot feest ter ere van de opening van het jaarlijkse sportfestival". Nou, wij zaten op zee en de tamtam heeft ons niet bereikt. Het dorp en zijn inwoners zijn fantastisch. Een tiental kindertjes helpen ons met het aan land brengen van de dingy. Ze grijpen onze hand en als een vorst worden we het dorp ingetroond. Overal moeten we handjes schudden en worden we voorgesteld. Ik voel me net Bea. Vol trots tonen ze ons de school, de kerk en niet te vergeten de telefooncel. De volgende ochtend krijgen we koffie-visite van John en Edward. Zoontje Tyson, genoemd naar boxer Mike Tyson glundert van oor tot oor als hij als enige uit het dorp onze boot mag zien en ook nog een geweldige bellenblazer kado krijgt. 's Middags staat er "Kastom" dansen op het programma. Eerst een slangendans, waarbij mannen een slang in een bamboe-kokertje heen en weer schudden. De tweede dans is opgedragen aan de God van Bopal, naar deze streek. De chief slaat met een stokje op een blokje hout en lokt als het ware de vissen van de zee naar hem toe. De dansers dragen nu een prachtig hoofddeksel in de afbeelding van een vis. Tegen het vallen van de avond komt John nog even langs. Zijn vrouw heeft hem gestuurd met een bakje eigengemaakte laplap. Waar vind je tegenwoordig nog zoveel spontaniteit en hartelijkheid?

De Solomon eilanden: waarom niet?

Van de gebaande paden

De Solomon eilanden hebben sinds jaar en dag een slechte reputatie. Veel van de eerste schepen die hier in de vorige eeuw aankwamen waren zgn "blackbirders" die menselijke cargo ronselden om te werken op de suikervelden in Australie en Fiji. Dit leidde tot een gezond wantrouwen jegens blanke mensen. Missionarissen hebben hier dan ook niet veel schade kunnen aanrichten want nog voor ze een voet aan wal konden zetten, werden ze al door oorlogskanos vol koppensnellers opgewacht en belandden ze in de kookpot. Tot op de dag van vandaag worden blanken nog steeds met enige argwaan en reserve ontvangen. De meeste zeiljachten laten deze eilandengroep rechts liggen omdat ze niet op de populaire passaatwindroutes van en naar Nieuw Zeeland en Australie liggen. Voor ons des te meer een reden om hier eens een kijkje te nemen in de hoop een originele cultuur aan te treffen die nog niet aangetast is door tourisme.

Een deprimerende eerste indruk

Vanaf de Banks islands in Vanuatu varen we een NW koers richting Santa Cruz eilanden. We hebben nog wel een ZO-passaatwindje van 15 knopen mee, maar deze zwakt steeds verder af naarmate we noordelijker komen. Het weer wordt hier beinvloedt door de South Pacific conversie zone en kenmerkt zich door perioden van windstilte afgewisseld met hevige tropische stortbuien waarin de wind plotseling in kracht toe neemt tot 25 knopen. Dat maakt het zeilen iets lastiger. We varen met dubbelgereefd grootzeil en volle genua die bij het naderen van donkere wolken snel ingerold wordt. Na 2 dagen en nachten komen we aan in Graciosa Bay op de Santa Cruz eilanden waar we volgens de pilot kunnen inklaren. We zijn al gesignaleerd en als we langzij Luna aanleggen langs een vreselijk brokkelige betonnen stijger waarvan de verroeste bewapening van alle kanten uitsteekt, staat het halve dorp ons letterlijk met open mond vol rotte tanden en rood van het betelnootkauwen, wezenloos aan te gapen.

Nog geen halve meter voor onze neus ligt een wrak dat pas recentelijk gezonken is door verkeerde belading. Met behulp van een paar oliedrums is een vergeefse poging gedaan het achterschip drijvende te houden. In NL zou je het met eenvoudige middelen zo vlot kunnen trekken, maar hier is het schip gedoemd te verroesten.

Immigratie en douane zijn niet meer aanwezig op dit eiland, maar een aardige expat politie-dame uit Australie wil ons wel tijdelijk inklaren zodat we in ieder geval niet illegaal zijn. De quarantainedienst is ook van de partij en is bezorgd of we ratten aan boord hebben en wil zeker weten dat we goed ingeent zijn tegen enge ziekten. We herkennen duidelijk de Australische invloed. Te oordelen naar de rotzooi op de kade lijkt het me dat wij een groter risico lopen dan zij, maar zoiets zeg je natuurlijk niet. Dagmar en Solei blijven aan boord om het ford te bewaken en samen met Bart gaan we op jacht naar geld en versvoer. We hoeven niet bang te zijn de weg kwijt te raken; we volgen gewoon het spoor van rode betelnootspug op het zandpad en komen vanzelf in het "centrum". De bankbediende maakt een nerveuze indruk en telt minstens 5 keer het stapeltje biljetten na. Twee keer $100 op een dag is niet niks en hij wil geen fouten maken. Op de markt is het een levensloze bedoening. Een tiental kraampjes waarvan 9 met betelnoten en 1 met een handjevol komkommers die wij prompt allemaal opkopen. Verder telt het gehucht een gevangenis (!?) en een paar winkels (houten barakken met tralies) waar je alleen maar inferieure tonijn-in-blik en warme cola kunt kopen. En zo te oordelen naar de afvalbergen langs de weg is dat ook wat de locale bevolking het meeste consumeert. Enigszins teleurgesteld besluiten we dit ellendige oord meteen weer te verlaten en koers te zetten richting Santa Anna, 200 mijl verder naar het westen.

Dit is het nou helemaal!

"Welcome, it is our pleasure to have you as guest in Ghupuna village". We zitten in de schaduw op een boomstam voor het huis van chief John, ongegeneerd gadegeslagen en bekritiseerd door een hele bende nieuwsgierige kindertjes. Terwijl chief John enthousiast vertelt over de "kastoms" (tradities) en legendes van zijn dorp, voel ik een klein handje over mijn haar strijken. Aangemoedigd door het vriendinnetje knijpt er even later een ander meisje zachtjes in mijn armen. Er volgt gegniffel. Blijkbaar zien we er niet niet alleen anders uit, maar ruiken en voelen we ook vreemd. Met de hele kinderschare in ons gevolg bekijken we het dorp. De houten huizen zijn gebouwd op palen met gevlochten daken in een punt. Het doet een beetje aziatisch aan. De met bloemenstruiken afgezette paden zijn keurig aangeharkt en nergens ligt zwerfvuil. Overal worden we vriendelijk begroet. Een aantal huizen deelt een wasplaatsje met tapwater dat van de bergen komt. Of we onze jerry-cans mogen vullen? Wat een vraag. Natuurlijk! En als ik ook nog ter plekke de was kom doen, zijn ze helemaal vereerd. Het dorpsleven is erg simpel, maar de mensen maken een bijzonder tevreden en relaxte indruk. Iedereen heeft een stukje land en 1 keer per week houden ze een marktje waar ze onderling hun producten ruilen. Geld komt er niet aan te pas. Twee keer per jaar wordt het eiland aangedaan door een klein cruiseschip met voornamelijk Australische touristen. Voor de eilandbewoners is dat big business en de enige mogelijkheid om wat geld te verdienen om meel, rijst en suiker te kopen. Santa Anna kent veel getalenteerde houtsnijwerkers die zich nu al opmaken voor het eerste schip dat in november verwacht wordt. Dat er nu opeens 2 zeiljachten liggen die behalve houtsnijwerk ook nog fruit en groenten kopen is een buitenkansje voor ze.

Tradities en taboes

Owa Rafa (Santa Anna) is in tegenstelling tot veel andere eilanden in de Solomonarchipel geen vulkaaneiland maar een omhooggedrukt atol. Daardoor heeft het mooie witte stranden en is het omgeven door een beschermend rif dat een natuurlijke havenkom vormt. We laten de boot dan ook met een gerust hart achter om het eiland verder te verkennen. Een leuke bushwandeling van 45 minuten brengt ons in het naburige dorp Natagera waar nog een origineel "kastom-house" staat. In dit huis, ook wel "skull-house" genoemd, worden de overleden stamhoofden bijgezet. Het is een heilige plaats en dus "for men only". Wij vrouwen schijnen een slechte invloed te hebben op de geesten en mogen helaas niet naar binnen. Maar vanaf de ingang kan ik het toch goed bekijken.

In het midden is een soort altaar gebouwd met daarop de schedels en allerlei gebruiksvoorwerpen van de overledenen. De beenderen van de stamhoofden worden bewaard in mooi uitgesneden kano's, ingelegd met parelmoer.

Er heerst een hele bijzondere sfeer die moeilijk te omschrijven is, een sfeer die niet alleen te maken heeft met respect voor de overledenen, maar vooral met respect voor traditie. Het gebouw op zich is al heel indrukwekkend. Het grote puntige rieten dak wordt ondersteund door een aantal prachtig uitgesneden totempalen die ieder een "generatie" voorstelt. Zo was er ooit een visgeneratie, een schildpadgeneratie, krokodilgeneratie etc. Er is er eentje bij met een opvallend grote penis. Die schijnt het belangrijkste te zijn, maar de reden ervan is ons ontgaan. In de jaren '60 heeft het christendom zijn intrede hier gedaan en sinds die tijd worden de stamhoofden op het kerkhof begraven. Het "kastom-house" wordt nog wel actief gebruikt als onmoetingsplaats cq vergaderruimte waar belangrijke levenszaken als aankomende huwelijken, de oogst, de nieuwe aanplant en de visvangst besproken worden. Met een ander aspect van de samenleving krijgen Dagmar en ik later te maken als we het strand afstruinen naar schelpen en door een paar vrouwen erop gewezen worden dat we nu een deel van het strand betreden dat letterlijk "taboe" is. Dit is nl het damestoilet. En behalve dat vrouwen hier hun behoefte komen doen (overigens in keurig gegraven kuilen met een rieten huisje eromheen), leven ze hier in afzondering tijdens hun menstruatie zodat met hun onreinheid niet het dorp besmet wordt.

Moddercrab en amber in Mosquito-bay

De afstanden tussen de eilanden zijn eigenlijk net iets te groot om op een dag af te leggen. Zeker niet met deze steeds verder afzwakkende wind. Daarom varen we een paar keer 's nachts zodat we met daglicht op plaats van bestemming aankomen. Het eiland Malaita laten we links liggen. Volgens de meest recente berichten zijn hier weer eens onlusten tussen de verschillende stammen uitgebroken. Vorig seizoen is een zeiler hier aangevallen door 6 met speren bewapende mannen, waarbij het hele schip leeggeroofd is. Daar zitten we niet op te wachten. Bovendien kunnen we toch niet alles zien en maken we een bewuste keuze voor de kleinere eilanden. De pilot beveelt de "three sister islands" aan, maar behalve een mooi rif waar je heerlijk kunt snorkelen, valt er niet veel te beleven. Er is een kleine nederzetting met een tiental seizoenarbeiders die hier alleen wonen tijdens de copra-oogst. Kinderen lopen er verwaarloosd bij. Ook hier weer openstaande monden, rood van de betelnoten. Zelfs jonge tieners. We worden er een beetje depri van en vragen ons af wat voor toekomst deze kinderen hebben. Overal rondom de golfplaten hutjes ligt rommel en vuilnis. Er is duidelijk geen stamhoofd die toeziet op het sociale welzijn van de mensen. Een man wil ons beslist iets "very interesting" laten zien. Hij spreekt slecht engels, doet vrij geheimzinnig en we hebben geen idee wat hij bedoelt met "kris of the world", maar omdat we toch niets anders te doen hebben volgen we hem maar naar zijn huis. Uit een oude vieze lap komt iets walgelijk stinkends tevoorschijn. Het blijkt om amber te gaan. Amber-gris wordt afgescheiden door een zieke spermwhale (Moby Dick Walvis) en wordt als basisproduct in de parfumindustrie gebruikt. Erg kostbaar dus. Of wij er geen afzetmarkt voor weten? Tja, misschien had ie het wel willen ruilen voor een paar t-shirts... Later op de middag komt er een kano langzij met blauwe moddercrabben. Daar weten we wel raad mee. Voor nog geen 4 euro krijgen we drie flinke joekels, waarvan eentje met scharen zo dik als m'n pols. Zelden zo lekker crab gegeten.

Nachtelijk bezoek in Tulaghi

De Solomon eilanden liggen weliswaar in een gebied waar de orkanen ontstaan, maar deze verwoestende winden richten hier doorgaans geen schade aan omdat ze nog niet in kracht hebben kunnen opbouwen. Mede daardoor en ook vanwege de afwezigheid van vervuilende industrie zijn de riffen in zeer goede conditie. Het duiken schijnt hier dan ook top te zijn. Wrakduikers kunnen hier helemaal hun hart ophalen want de balangrijkste zeeslagen tijdens de 2e wereldoorlog hebben hier plaatsgevonden en hun relekwieen liggen overal net onder het wateroppervlak. We zetten dus koers richting Tulaghi, de belangrijkste plaats in de Florida eilanden, tot voor WOII de hoofdstad van de Solomons. Maar het weer zit ons niet mee. Nu voor de verandering wel eens een keer lekkere wind, maar dit gaat gepaard met hevige tropische stortbuien. Modderstromen van de heuvels kleuren het water bruin en we moeten moeite doen om de boomstammen te ontwijken. Dat mooie duiken kunnen we dus op onze buik schrijven. Ook het snorkelen laten we maar voor wat het is, niet in de laatste plaats omdat hier krokodillen zitten. Van die grote vieze prehistorische salties van een meter of vier en groter! Tulaghi is een teleurstelling. Oude vervallen werven met verroeste schepen geven het plaatsje een aanblik van een spookstad. Waarschijnlijk is er na de oorlog geen ene rooie cent meer ingestoken. De enige beschutte ankerplek is bij zo'n werf, maar te oordelen naar de troep aan de waterkant, kon er wel eens de nodige rommel op de bodem liggen. En omdat we het nog niet eens zijn wie van ons tweeen er in dit krokodille-water naar een vastzittend anker gaat duiken, nemen we het risico voor ongewenst bezoek van dorpelingen en ratten voor lief en leggen Zwerver langzij een oude veerboot. En ook hier worden we weer aangestaard door een stel rode betelnoot-tanden. Maar op de stugge afwachtende gezichten van de scheepswerkers komt onmiddelijk een brede glimlach als we een mooie versgevangen dorade weggeven. Die nacht worden we opgeschrikt door voetstappen op het voordek. Met bonkend hart en de kakkerlakkenspray al vast binnen bereik gaan we naar buiten. We herkennen Roy, een van de arbeiders. Hij heeft een doosje in zijn hand. "My wife made lap-lap for you".

Gevaarlijke geesten

De Florida-groep bestaat uit een handvol dicht beboste eilandjes, gescheiden door smalle waterwegen. Het is windstil en met een laag toerental tuffen we op ons dooie akkertje door de prachtige Mboli-passage. De ochtendnevel geeft het landschap een Amazone-achtig karakter. Met onze verrekijker speuren we de mangrove-bosjes af in de hoop een glimp op te vangen van een zonnebadende krokodil. Niets te zien. Wel horen en zien we veel papagaaien. Kleine rode met gele vleugels en een iets grotere witte soort met pluimstaart. We merken weinig van de aanwezigheid van mensen. Een eenzame visser in een kano en af en toe een paar zwaaiende kinderen aan de waterkant zijn de enige tekenen van leven. Het riviertje eindigt na ongeveer 8 mijl in een ondiepe delta maar tot onze verrassing is de uitgang naar open zee goed bebakend. Er staat inmiddels een beetje wind en op de genua dobberen we met een snelheid van 2.5 knopen verder richting ons volgende eiland, Santa Isabel. Het is overigens opmerkelijk hoe snel je je normen van snelheid naar beneden bijstelt in een gebied met heel weinig wind. Maar als de GPS nog maar 1.5 knoop aangeeft (waarvan 1kn stroom!) is de maat vol en gaat de motor weer aan. Tegen zonsopgang arriveren we in de "Thousand ships bay", een ondiepe baai die overgaat in een nauwe doorgang tussen het hoofdeiland Isabel en San Jorge. Ook dit is weer een Amazone-achtige gebied, alleen iets minder relaxed omdat we goed moeten navigeren tussen de vele ondiepe plekken. We overnachten op San Jorge, het geesteneiland. We bezoeken een houthakkerskamp en vragen de mannen of we de geesten kunnen zien. Ze beginnen te lachen en leggen uit dat die er wel zijn, maar je kunt ze niet zien. De mensen geloven hier dat de geest van overledenen voortleeft op dit eiland, soms in de vorm van bv een krokodil, een andere keer in de gedaante van een haai. Daarom zijn de eilandbewoners ook niet bang voor deze vraatzuchtige beesten. "We talk to them" legt een van de houthakkers uit, "and that's why they don't eat us". Maar omdat wij het locale dialect niet beheersen, wagen wij ons ook hier maar liever niet in het water.

Wet Monday

We kunnen onze draai niet zo vinden in de Solomon eilanden. Ja, het is hier mooi, maar dat is het overal in de Stille Zuidzee. Maar er ontbreekt iets waar we maar moeilijk de vinger op kunnen leggen. Het zit 'm in de mensen. We kunnen niet zeggen dat ze niet aardig zijn, maar ze zijn erg terughoudend en kijken je in eerste instantie achterdochtig aan. Een beetje conversatie verder dan "where are you from, what's your name" zit er niet in want hun engels is behoorlijk belabberd. Het onderwijs in de Solomons staat op een bijzonder laag niveau en is in veel kleine nederzettingen helemaal afwezig. Dus echt contact met de locale bevolking hebben we nauwelijks. Het land is falliet en de mensen zijn nog geen stap verder dan 100 of 200 jaar geleden en zullen de volgende 100 jaar nog steeds op deze manier leven. Wat is daar mis mee? Niks als je een tevreden indruk maakt, zoals bv in Vanuatu, maar de Solomonders leiden in onze ogen een wezenloos, betelnootkauwend bestaan. Er gaat absoluut helemaal niets van uit en we krijgen niet de indruk dat ze hun best doen om er iets van te maken. Misschien hebben we het wel helemaal mis. We zijn er natuurlijk wel redelijk snel doorheen gereisd om een gefundeerd oordeel te vormen. Misschien zijn we gewoon op de verkeerde plekken geweest. Verder is het weer zwaar pet. Geen zuchtje wind, maar wel veel regen. Het is binnen vies klam maar wat erger is: we zijn bijna door onze dieselvoorraad heen. We besluiten snel door te varen naar Gizo om daar onze tanks en voorraden aan te vullen en uit te klaren voor Papua Nieuw Guinea. Onze verwachtingen voor Gizo waren te hoog gespannen. In plaats van de "pleasant little town" treffen we meer van hetzelfde aan. Meer betelnoten, meer cocusnoten en meer rommel en rotzooi.

Gizo is op 2 april dit jaar getroffen door een tsunami waarbij ruim 50 doden zijn gevallen. Een oude vrieskist doet dienst als gedenkteken aan Wet Monday.

Vanaf onze ankerplek hebben we zicht op een rijtje kapotte huizen met daartussen grote gaten waar ooit andere huizen hebben gestaan. De voormalige bewoners wonen nog steeds in tenten op de heuvel en zijn bang om naar beneden te komen om hun woningen weer op te bouwen, waar ze geen geld voor hebben. De eerste hulp was naar zeggen fantastisch. Organisaties uit diverse westerse landen vlogen af en aan met rijst, meel, suiker, tenten, kleding, potten en pannen, noem maar op. Maar op een gegeven moment stopt die hulp terwijl de gevolgen van zo'n tsunami nog een tijdje doorebben. Landbouwgronden zijn door de aardverschuivingen weggespoeld en de aanhoudende regenval zorgt nog steeds voor modderlawines. In Gizo is bar weinig versvoer te krijgen, alles moet van andere eilanden aangevoerd worden. Drinkwater is vervuild. Voor ons lastig, maar voor de locale bevolking een regelrechte ramp. In plaats van dat ze zelf kunnen verbouwen, moeten ze nu duur inkopen op de markt terwijl ze geen cent te makken hebben! Binnen een half uur na onze aankomst hadden we dan ook minstens 6 kano's met beeldhouwerkers langzij die al hun koopwaar op onze boot uitstallen. Het liefst willen ze geld, maar T-shirts, potten en pannen en andere gebruiksvoorwerpen doen het ook goed. We kopen diverse beeldjes en schalen van verschillende kunstenaars tot we niets meer om te ruilen hebben. Dus beste familie en vrienden: mocht je toevallig een lelijke "nguzunguzu" of visgod kado krijgen, bedenk dan dat dit onze bijdrage was aan de tsunami-slachtoffers van de Solomons.

Papua New Guinea

Terug op de gebaande paden

Dit wordt een kort verhaal. We hadden het snode plan bedacht om via het noorden van Papua New Guinea en de Bismarck-archipel naar Indonesie te gaan. Het schijnt een heel mooi gebied te zijn, weinig bezocht door zeiljachten. Voor de veiligheid (we worden gewaarschuwd voor plunderende Papuas) maar eigenlijk meer voor de gezelligheid reizen we met twee boten. Goed plan. We zien echter een belangrijk aspect over het hoofd: er is geen wind! Knap lastig voor een zeiljacht. Wekenlang bestuderen we de weerkaarten van dat gebied, maar de gribfiles geven zelden meer dan 5 knopen aan. Soms ontbreken de windpijltjes op de kaarten zelfs gewoon. Na onze motor-cruise in de Solomons is de beslissing dan ook snel genomen: we gaan toch maar onderlangs via Port Morresby. Het is tenslotte niet voor niets dat hele zeilende volksstammen door de Torresstraat gaan!

Van Gizo zetten we koers richting de Louisiade-archipel, een eilandengroep behorende bij Papua New Guinea. En hoera, daar is weer wind. Nu we geen voor-de-windse koers meer varen, voelen we pas goed hoe sterk de zuid-oost passaat is. Voordat we aan onze wereldreis begonnen, dachten we altijd dat dit een lekker windje van een knoop of 15 tot 20 was, maar het blaast continue tussen de 25 en 30 knopen, in vlagen zelfs tot 35. Bij een relatieve windhoek tussen de 60 en 90 graden is dat gewoon behoorlijk stampen in ruige zee. Rondom de Louisiades ligt weliswaar een rif, maar dat is zo groot dat zelfs binnen het rif de zee de kans krijgt om op te bouwen. Het wordt even een beetje afzien en we zijn dan ook blij dat we na 2 dagen het anker kunnen uitgooien in een verrassend mooie baai met zwembadblauw water en ........... KROKODILLEN!! Deze lekkere jongen van 3.5 meter zwom even gezellig een rondje door de ankerplek. Een verfrissende duik is er dus niet bij.

Back to basics

Omdat de Louisiades nooit onderdeel van ons vaarplan uitmaakten, hebben we ons er ook nooit goed in verdiept. Gewoon een handige stop halverwege tussen de Solomons en Port Morresby. Maar dat doet absoluut geen recht aan dit paradijselijke zeilgebied. We varen door een labyrint van tientallen tropische eilandjes en riffen en maken uiteindelijk een keus voor Bagaman-eiland omdat de eenvoudige reden dat dit op de doorgaande route ligt en een gemakkelijk toegankelijke baai heeft. Maar als je de tijd hebt kun je je hier best een paar maanden vermaken. Nu zul je misschien denken dat wij alle tijd van de wereld hebben, maar de tijd van een zeiler wordt gedicteerd door de seizoenen. Wij willen voordat de noord-west moeson begint, en dat is eind november, in Singapore of Thailand zijn. Bovendien gaat op 1 augustus onze cruising permit voor Indonesie in. Jammer, maar je moet nu eenmaal keuzes maken. Bagaman-eiland is een tropische ydille en we besluiten er een paar dagen te blijven hangen. Het is bijna niet te geloven, maar de bevolking leeft hier nog primitiever dan in Vanuatu en de Solomons. Electriciteit is er niet, ook niet van een generator. Water wordt opgevangen in een plastic tank, maar het heeft al een hele tijd niet geregend en in de tank staat slechts een ongezond uitziend bodempje drap. Maar zelfs dat weinige willen ze nog graag met ons delen. We zien er beleefd van af. Slechts 2 keer per jaar komt hier een voorraadschip. Er is dan ook een tekort aan van alles en nog wat. En toch lijkt dat de inwoners van Bagaman niet te deren. Integendeel: we ontmoeten uitsluitend bijzonder vriendelijke en opgewekte mensen die ons bezoek als een welkome afleiding zien in hun monotone leven. Overal is het weer handen schudden, een praatje maken en kijken wat er te ruilen valt. Wij maken schoon schip en ruilen onze laatste voorraden rijst, suiker, marcaroni en waspoeder voor kreeft, vis en een handje vol schamele groenten. We staan er telkens weer versteld van hoe weinig ontwikkeling dit volk doorgemaakt heeft. De huttenbouw is van de meest simpele aard die we ooit gezien hebben en waarschijnlijk nog precies hetzelfde als vele generaties geleden. Houten of bamboe palen met wat ruw gevlochten bananebladen. Maar ook de landbouw is verschrikkelijk primitief en de oogst lijkt amper toereikend. Het is gewoon ontroerend als het stamhoofd met z'n kano langzij komt met een vijftal sperciebonen, een tarotwortel en twee zoete aardappeltjes vol wormen. Hier kan een ontwikkelingswerker met wat agrarische achtergrond ontzettend goede resultaten bereiken. Kom op Sasje, dat is echt iets voor jou, ze hebben er vast ook wel een baantje voor Bertje! We bezoeken een klein schooltje en maken even een praatje met de onderwijzeres. Ze vertelt ons dat de school pas opgestart is. Lesmateriaal is er niet. Ze is dan ook erg blij met de taal- en rekenboekjes en de pakjes kleurpotloden die we uit Nieuw Zeeland hebben meegenomen. Maar ook de laatste balonnen en een zak zuurtjes worden dankbaar in ontvangst genomen. Op een groot schoolbord na, is het klaslokaal leeg. De kindertjes zitten op de grond en hebben ieder een bordje en een krijtje.

Wel erg indrukwekkend is de botenbouw op het eiland. Prachtige zeilkanos met ingewikkeld gevlochten platforms en een mooi houtsnijwerk op de voorplecht. Alles met het handje, vanaf het kappen van de grote boomstam, tot het vlechten van de zeilen.

En wie trekt er aan het kortste eind?

De tijd vliegt voorbij. In alle vroegte nog voor zonsopgang besluiten we te vertrekken om met daglicht en gunstig tij door de riffen te gaan. Maar als we het anker willen ophalen blijkt de ketting verdraaid te zitten in het koraal. "Als jij nou even naar beneden duikt en aanwijzingen geeft...." Ik heb blijkbaar aan het kortste eind getrokken. Voorzichtig laat ik me van het zwemtrapje in het water glijden. Shit, het is nog schemerig en ik kan weinig zien. "Dan moet je ook naar voren zwemmen en je via de ankerketting een paar meter naar beneden trekken" brult de kapitein. Ja, lekker hoor, weet jij waar die krokodil op dit moment uithangt? Leuk hoor, zo'n zeilavontuur, maar af en toe mag het wel wat minder avontuurlijk.

Your insurance papers please

Toen het anker eenmaal op was, was de rest een fluitje van een cent. We hebben stroom en wind mee en gaan als een speer. De twee grote kreeften in de koelkast staan garant voor een culinair tochtje. Het is 390 mijl naar Port Morresby; we hebben er 4 dagen voor uitgetrokken. Maar na de eerste dag lopen we al bijna 12 uur voor op ons schema, zodat we niet maandagochtend maar zondagavond Port Morresby binnen lopen. We verlekkeren ons bij het vooruitzicht op een warme douche en een warme maaltijd in een heus restaurant. We dromen al maanden van biefstuk, sla met frietjes, spare-ribs, broodjes shoarma, erwtensoep, ja zelfs van rookworst van de Hema. Helaas redden we het net niet meer voor zonsondergang, maar Luna wel en Bart heeft voor ons een paar way-points genoteerd die precies kloppen met zowel onze papieren als electronische kaarten. Bovendien is het een haven die ook door de grote beroepsvaart aangelopen wordt. Zonder problemen surfen we tussen de geankerde vissersboten met windkracht 8 de jachthaven binnen. Aan de lange steiger is nog precies een plekje voor ons vrij en Bart en Dagmar staan al paraat om de lijnen aan te nemen. Binnen een uur zitten we schoongeboend met rode konen te genieten van een dikke hamburger met sla en frietjes en een koude cola, met uitzicht over een jachthaven vol dure witte glimmende jachten. Er werd ons niet gevraagd naar scheepspapieren, visa of paspoorten. Het enige wat telde was onze verzekeringspolis en de creditcard. In wat voor idiote wereld leven we toch!

Wereld van tegenstellingen

Van Port Morresby krijgen we weinig te zien, maar dat schijnt ook niets bijzonders te zien. Bovendien is het een gevaarlijke stad, vooral in deze tijd van aankomende verkiezingen zijn er regelmatig rellen en opstootjes. Toeristen schijnen uberhaupt al niet veilig te zijn. Als we met de taxi naar de ambasade gaan, wordt er voor ons een taxi gebeld, de nummerplaat wordt genoteerd en de chaufeur krijgt instructies van de receptionist om ons vooral weer heelhuids hier af te leveren. Wat we onderweg te zien krijgen is niet bepaald een promotie voor dit land. Krottenwoningen, veel afval op straat, bewapende bewakers voor de betraliede winkels en overal prikkeldraad omheiningen. De ambasade daarentegen ligt in een luxe villawijk. De tegenstelling tussen arm en rijk is bijzonder groot. De stad moet uitbreiden. De gewone mensen moeten hun land afstaan en wordt daarmee hun inkomen afgenomen. Een beroep hebben ze niet en in plaats van zelf te verbouwen moeten ze nu eten kopen terwijl ze geen geld hebben. Een gewone arbeider verdient 1 kina (dat is 30 cent) per uur. Rijke australische mannen huren voor dat geld een piepjong meisje die ze als een stoeipoes vertroetelen op hun jacht. Wij doen inkopen bij de supermarkt naast de jachthaven en vinden het er zelfs voor onze normen erg duur. Als we likkend aan ons magnumijsje van 8 kina per stuk de winkel uitlopen, bedenk ik me dat we er argeloos ieder een dagloon doorjagen.

Vaarwel Luna

Het leuke van ons Zwerversleven is dat we gemakkelijk veel vrienden maken. Helaas betekent dat ook iedere keer weer afscheid nemen. Deze keer valt dat zwaar, want het was erg gezellig met Bart, Dagmar en Solei. Vanaf Nieuw Zeeland hebben we af en aan met elkaar opgezeild, maar in Port Morresby scheiden onze wegen. Luna gaat via Darwin naar Timor en de kleine Sunda eilanden. Wij gaan eerst naar de Molukken en daarna via Celebes naar de kleine Sunda eilanden. Misschien komen we elkaar nog tegen. Misschien ook nooit meer. Vaarwel Luna! We zullen jullie missen.

naschrift: een week later horen we dat er een australisch jacht in de Louisiades overvallen is door 6 mannen met automatische geweren. Ze zijn er levend vanaf gekomen maar hun hele schip is leeggeroofd. In Port Morresby zijn kort na ons vertrek onlusten uitgebroken waarbij een dode is gevallen. Wij hebben er dus goed aangedaan om de rest van Papua New Guinea te laten voor wat het is.

 

Terug naar logbook

.