Equador

Trossen los

Gek eigenlijk. De afstand naar Equador is ruim 1500 mijl, bijna net zover als de Atlantische oversteek. Zo opgewonden als we toen waren, zo kalm zijn we nu. Toen konden we er ons geen voorstelling van maken en vertrokken we met enigszins een kriebel in onze maag. Maar nu weten we hoe het is om twee weken op zee te zijn. Bovendien verwachten we op deze tocht geen zwaar weer. In tegendeel, we houden rekening met zwakke tot matige wind en hebben voor de zekerheid voor een maand eten en drinken ingeslagen, mocht het allemaal wat langer gaan duren. De afhandeling van de formaliteiten verloopt soepeltjes. We gaan om 8.00 uur al op pad en drie uur later zijn we voorzien van alle formulieren en stempels. Op de valreep komt er nog een inspecteur aan boord, maar de goede man lijkt zelf niet goed te weten wat hij komt doen. Wij laten hem de motor en onze reddingsvesten zien en dat is voor hem genoeg om het inspectierapportje af te stempelen. Later horen we van bevriende zeilers dat zij minder fortuinlijk waren. Hun inspectie liep niet alleen vertraging op, maar betekende ook nog eens een flinke investering in extra vuurpijlen etc. Carla en Raymond, onze nederlandse buren gooien de trossen los en met net genoeg water onder de kiel kiezen we maandag 3 october het ruime sop.

Onderweg

Het is heerlijk weer. Zonnig, 20 graden en een lekkere frisse bries van een knoop of 20. De eerste 300 mijl varen we ruime wind. Daarna koerzen we verder noord waardoor we recht voor het lapje gaan. We bomen de genua uit naar stuurboord en aan bakboord hijzen we de halfwinder. Het dubbelgereefde grootzeil zetten we strak in het midden om het gewiebel tegen te gaan. Er staat nu ruim 100 vierkante meter zeil uit en we lopen als een trein. Deze zeilvoering blijft 10 dagen onaangeraakt staan. Dit is het soort zeilen waar je altijd van droomt. Lekkere snelheid plus een comfortabel leven aan boord. De windstuurrichting houdt ons op koers en de pas geinstalleerde windgenerator houdt met gemak de accuus op peil. We zijn er nog niet over uit of we het gezoem nu wel of niet hinderlijk vinden. Als de generator begint te laden klinkt het alsof er een zwerm bijen aankomt. Als hij echt op dreef is, waan ik me weer in de Straat van Magellan. Beiden maken me een beetje nerveus. Harry heeft zo als gewoonlijk weer nergens last van. We lopen om de beurt wachten van 4 uur en zijn na drie dagen volledig "ingeslingerd". Alles is een makkie op deze tocht. We hebben bewust gekozen om 200 mijl uit de kust te varen, buiten de Peruviaanse territoriale wateren. We hebben geen trek in controle van de corrupte Peruviaanse marine. Bovendien is de kans op een ontmoeting met slecht verlichte visserschepen hier kleiner en goede wind groter. We houden ons er niet helemaal aan, maar blijven toch ruim 150 mijl uit de kust. De strategie werkt. Het aantal schepen dat ons passeert is op een hand te tellen. Eigenlijk is het zelfs een beetje saai. Sporadisch zien we een paar vogels en slechts 2 nachten komen er een paar dolfijnen bij de boot. Deze wateren zijn rijk aan plankton en de peddels van de windstuurinrichting laten een lang fluoriserend spoor na. De dolfijnen zwemmen achtjes rond de boot en lijken in het donker net lange lichtgevende waterslangen. Na een week zijn we door onze vleesvoorraad heen en moeten we noodgedwongen vissen. Dat is nou niet bepaald onze sterkste kant en ondanks alle goede adviezen van andere zeilers, vangen we alleen een klein stukje plastic. Ook houdt de windstuurrichting er na een week plotseling mee op. Het laswerk wat we in Antofagasta hebben laten verrichten blijkt prutswerk te zijn geweest. De grote peddel heeft nu speling en loopt na ongeveer 10 minuten uit het roer. Dat is jammer, want nu moet de stuurautomaat aan en die vreet stroom. Om de twee dagen moeten we nu even de motor aanzetten om stroom te draaien. En dat terwijl we 6 knopen lopen!

We leggen de 1500 mijl in 11 dagen af. Helaas komen we net na het donker in Salinas aan. De havenautoriteiten zijn al naar huis, zodat we niet meer ingeklaard kunnen worden. We worden verzocht buiten de marina in 3 meter voor anker te gaan en mogen niet van boord. De volgende ochtend komen de douane en de havenmeester aan boord en als alle papieren in orde worden bevonden worden we door de marineros de marina in geloodst.

Veramerikanisering

De eerste twee weken in Equador vallen ons eerlijk gezegd een beetje tegen. Puerto Lucia is een luxe marina en de prijzen zijn duidelijk niet gericht op zwerversvolk als wij. De marina maakt deel uit van een luxe resort met appartementen, tennisbanen, zwembaden, fitness, restaurant etc. Maar al deze voorzieningen zijn exclusief voor de clubleden. Wij moeten $10 betalen als we gebruik willen maken van de fitnessruimte en $6 voor het zwembad. Het streng bewaakte terrein is met prikkeldraad gescheiden van het publieke strand, waar het in de weekenden een vrolijke bende is. "Muy peligroso" (erg gevaarlijk) zegt de bewaker als ik in m'n eentje de poort uitloop, en hij maakt een gebaar alsof je keel wordt doorgesneden. Wij betwijfelen dat ten zeerste. Buiten de poort kom je in de werkelijke wereld. Afval op straat, zwerfhonden, stoffige onverharde wegen en halfafgebouwde huizen. 500 meter verder is een super-de-luxe winkelcentrum, Amerikaanse stijl, veel glimmende boutiques, een bioscoop en uiteraard ontbreekt het foodcourt niet. De tegenstelling is gewoon idioot. Op de parkeerplaats staan om de 50m torens met daarin een bewaker met een automatisch pistool. De zeer ruime hypermarket heeft een uitgebreid assortiment, grotendeels amerikaanse (light) producten. Ik erger me blauw als ik $5 moet betalen voor een pot Amerikaanse mayonaise omdat ik geen goedkopere locale variant kan vinden. Maar Harry is helemaal in z'n nopjes als ik een pot pindakaas meebreng. Versproducten halen we op de markt. Voor $2,50 hebben we een kilo garnalen en het tropische fruit is onweerstaanbaar en spotgoedkoo, dubbeltjeswerk. Onze medezeilers zijn allemaal gefortuneerde Amerikanen van de westkust met grote glimmende witte boten en dito gympen. Allemaal zeilen ze al jaren dezelfde route en het geroddel over andere boten is niet van de lucht. We vallen een beetje uit de toon. Wat zouden ze van ons vinden? Telkens als er een nieuwe boot binnenkomt, worden we geintroduceerd als "the Danish who came around the Horn". Iedere zondag wordt er een borrel georganiseerd. Volgens mij kun je in een bejaardentehuis meer lol hebben. Ook het weer is niet wat we verwacht hadden van de tropen. Niet koud, maar grijs en grauw en af en toe miezert het een beetje. We besluiten er het maar het beste van te maken en beginnen enthousiast aan onze klussenlijst.

Electrische bedrading is een post die al jaren op onze lijst staat, maar telkens als we de wirwar van spagettie achter het instrumentenpaneel zien, zakt ons de moed in de schoenen. Deze keer zetten we door. Systematisch lopen we iedere draad na, meten de spanning en geven het een nummer.Hier en daar vervangen of verleggen we een kabel. Na drie dagen gefriemel in kleine ruimten is het resultaat daar: twee boodschappentassen vol oude draden en antennes en een fantastisch kleurenschema in de computer. En het mooiste is dat alles het nog gewoon doet.

Verder wordt de dingy voor de zoveelste keer geplakt (nu eindelijk goed) en nemen we de achterkajuit onderhanden. Waar nu trossen en jerrycans liggen, moeten straks twee gasten slapen. De genua krijgt een nieuwe ultraviolet-beschermingsstrip en de windvaan wordt grondig gereviseerd door Stewart Yacht Services.

 

Bananenrepubliek

Equador is een klein land met goede bussen en een redelijk uitgebreid wegennet. Ideaal voor een korte vakantie. Van Salinas is het slechts 3 uur met de bus naar Quayaquil, Ecuador's grootste stad. De eerste anderhalf uur reizen we door een dor en droog landschap met prikkelbosjes. Het doet ons denken aan Massai Mara. We zouden niet vreemd opkijken als er opeens een giraffe zou oversteken. Maar verder landinwaarts wordt het steeds groener. Zowel links als rechts van ons zien we kilometers-lange bananenplantages. De trossen zijn omhuld met plastic en zo zwaar dat de iele boompjes gestut moeten worden. De plantages worden besproeid door kleine vliegtuigjes. Tot de jaren '70 stond Ecuador bekend als een "banenrepubliek" met bananen als enige exportproduct. Dat veranderde met de ontdekking van olie, dat veel geld in het laadje bracht. Helaas werd de nieuwe rijkdom niet evenredig verdeeld waardoor het merendeel van de bevolking nog steeds in armoede leeft. Ongeveer de helft van het nationale inkomen gaat naar de rijkste (blanke) 5% van de bevolking, die in dit land de dienst uitmaken. Het klassieke Zuid-Amerikaanse verhaal dus.

Guayaquil is een grote drukke stad aan de riviermonding met meer dan 2 miljoen inwoners. Het gebied langs de rivier, dat vroeger een slechte reputatie had, heeft een enorme renovatie ondergaan. Er is een 2.5km lange luxe boulevard gebouwd met restaurants, speeltuinen, bioscopen, theaters, parken en fonteinen. Kosten nog moeite zijn daarbij gespaard. Je struikelt er bija over de zwaar bewapende politie-agenten. Het maakt op ons allemaal een beetje een kunstmatige, Disney-achtige indruk dat in schril contrast staat met de rest van de stad. Hetzelfde geldt voor de gerestaureerde wijk Penas, dat tegen een heuvel is gebouwd. Van een afstand zien de pastelkleurige huisjes er leuk uit. Maar eenmaal in de wijk lopen we door kleine straatjes vol souvenierwinkels en kitserige lantaarnpaals. Hier wonen alleen juppies en kunstenaars. De gewone mensen wonen achter het hek, dat 's avonds veilig op slot gaat.

Op het dak van de trein

We reizen verder naar Riobamba, een prachtige rit door het hart van het centrale hoogland, een spectaculair landschap met uitzichten op witbesneeuwde vulkanen. We komen door kleine dorpjes waar de indianenbevolking in traditionele klederdracht loopt. Vrouwen met wijde rokken en lange vlechten en natuurlijk het hoedje. In ieder dorp stappen er handelaren in die gebakken banaan, bananenchips of eigengemaakte ijsjes aanbieden. Riobamba is een trekpleister voor touristen, die hier allemaal komen voor "el Nariz del Diablo" (de duivelsneus), een spectaculaire treinrit, zigzaggend over passen van 3600m. De spoorweg is in 1895 aangelegd. Tijdens de aanleg hebben veel mensen het leven verloren, waarna het spoor de bijnaam "most difficult railway in the world" werd genoemd. We gaan voor zonsopgang al naar het station om een plaats te bemachtigen op het dak van de trein. Als alle touristen een plekje hebben gevonden, begint de handel weer. De een biedt kussentjes aan, de ander flesjes drinken of bananen. Alex, een straatventertje van een jaar of 10 is het slimste.

Alex verkoopt lollies "para el ninos pobres". Eerst begrepen wij het niet, maar langs het spoor wonen arme kindertjes en die krijgen lollies toegegooid door de touristen. Het lijkt ons een bizar idee, maar Alex weet ons ervan te overtuigen dat de arme kindertjes het zullen waarderen. Als wij een handjevol lollies kopen kijkt Alex beteuterd: "only 6? But there are many poor children!"

Zodra we de stad uit zijn, baant de trein zich een weg door een groen terrassenlandschap. De oorspronkelijke begroeiing heeft plaats gemaakt voor akkerbouw en veeteelt. De heuvels zijn net een deken van patchwork. De kleine lapjes grond wordt bewerkt door jong en oud, mannen en vrouwen, sommigen met hun babies in een doek op de rug gebonden. Alles met het handje. De mensen zwaaien uitbundig naar ons en de kinderen kijken rijkhalzend uit naar lollies. Langzaam maar zeker komen we op hoogte. Het spoor gaat zigzaggend omhoog over bergen en dalen, en over diepe ravijnen. We zitten eerste klas daar op het dak, en genieten van het indrukwekkende landschap. maar krijgen na 6 uur toch wel een houten kont, ondanks het kussentje. Een klein aandenken aan een fantastische dag.

 

Hijgende trekpaarden

De slapende vulkaan Chimborazo is niet alleen Equador's hoogste berg, maar tegelijkertijd, vanwege zijn centrale ligging op de evenaar, ook het verst verwijderde punt van het centrum van de aarde, De met sneeuw bedekte vulkaan heeft twee pieken waarvan de hoogste 6310m is.

In deze omgeving vind je minimaal 6 vulkanen met een hoogte meer dan 5000m. De meesten zijn relatief eenvoudig te beklimmen wat het grote aantal Zwitserse en Oostenrijkse klimmers verklaart die een aantal 5 duizenders op hun lijstje willen zetten. Chimborazo vereist enige technische klimervaring en een super conditie. En omdat we beiden niet bezitten besluiten we ons met een taxi te laten afzetten bij het eerste basekamp en vandaar te lopen naar het tweede basekamp dat op 5000m ligt. En dat was een wijze beslissing. Ondanks dat het een simpele trekking is, lopen we te hijgen als een oud trekpaard. Zeelui zijn duidelijk niet gewend aan ijle lucht. Het uitzicht is fantastisch. In de verte kunnen we een aantal andere vulkanen zien en aan de voet van de berg graast een kudde vicunas (familie van de lama).

 

Onder, boven en in de waterval

De onverharde weg van Riobamba naar Banos is lange tijd gesloten geweest vanwege modderlawines, overstromingen en vulkaanuitbarstingen maar is nu weer open. We zitten acher in de bus en als we door de smalle haarspeldbochten gaan, hangen we regelmatig met onze kont boven een vreselijk diepe afgrond. Een regen van stenen en zand valt naar beneden. We gaan over kleine bruggetjes van boomstammen en horen de balkjes rammelen. De chauffeur weet blijkbaar wat hij doet en houdt naar onze smaak de vaart er een beetje te stevig in. Maar alles gaat goed en het uitzicht is werkelijk fantastisch. Pastelkleurige bergen met diepe ravijnen en snelstromende beekjes worden afgewisseld met glooiende groene valeien met kleine witte huisjes. Voor we er erg in hebben zijn we al in Banos. Banos is spaans voor "bad" (of toilet) en is erg populair vanwege zijn thermale baden. Als wij bij een van die thermale baden een kijkje gaan nemen, komt ons de chloorlucht tegemoet. Het water is vies en troebel en vol met krijsende indiaanse kindertjes. Wij vermoeden dat er rijkelijk in geplast wordt en geven ons portie aan fikkie. We besluiten dat het tijd wordt om actief te gaan doen en gaan een dagje "Canyoning", een soort abseilen in een waterval. Waar we even geen rekening mee gehouden hadden was dat, voordat je naar beneden gaat, je eerst omhoog moet. Daar lopen we dan, Jut en Jul, in een 5mm dik wetsuit op rubberlaarsen, in de brandende zon een berg op! Om er in te komen, beginnen we met een kleine waterval van een meter of 15. We krijgen instructies hoe we de lijnen door de muskatonhaak kunnen vieren en straktrekken. De gids maakt de lijn stevig vast aan een boom, en als er geen boom voor handen is, slaat hij twee roestvrijstalen haken in de rotswand. Instinctief checken we alle knopen, maar dat zit wel goed. Seno, de jongste van de twee gidsen, gaat eerst naar beneden zodat we kunnen zien welke route we het beste kunnen nemen.

Het lastigste is het begin. Je staat dan met je rug naar de afgrond en moet dan 90 graden achterover hellen. Als je eenmaal over de rand bent gaat het verder eigenlijk vanzelf. Je kijkt over je schouder waar je het beste je voeten neer kunt zetten en laat vervolgens de lijn vieren. Maar de rotsen zijn glad en glibberig en regelmatig glijd je weg. En als je onder een stevige waterstroom staat voel je de druk op je lichaam.

Het water is in eerste instantie koud en kruipt in straaltjes achter het wetsuit. Je laarsen lopen vol met water en worden zwaar. Het gaat ons gemakkelijk en vlotjes af en al snel gaan we over tot het grotere werk: 50 meter loodrecht naar beneden. hartstikke gaaf! Seno is een typische macho Equadoriaan en wil even indruk op ons maken. Stoer springt hij naar beneden, glijdt weg en knalt met z'n kop tegen de rotswand: tand eruit en een bloedlip. De hele dag is hij zo sjaggerijnig dat hij niets meer zegt. Als we zes watervallen hebben gedaan, voelen we de vermoeidheid in onze armen en benen en vallen we hongerig aan op de verse broodjes. Een overgetelijke ervaring!

Banos ligt aan de voet van een actieve vulkaan in een weelderige groene vallei, omgeven door hoge bergtoppen. Op slechts 5 minuten afstand van de stad waan je je al in de jungle. We maken dan ook diverse trektochten. De volgende dag huren we een mountainbike en crossen daarmee over hangbruggen en langs watervallen. Als we onze benen beginnen te voelen gooien we de fietsen op een pick-up truck en laten ons afzetten bij een van de vele terrasjes.

 

 

Quito es Bonito

Met z'n 1.5 miljoen inwoners is Quito de op een na grootste stad van Equador. De metropool ligt op een hoogte van 2820 m omgeven door een aantal vulkanen met witte pieken. Ondanks dat de stad bijna op de evenaar ligt, is de temperatuur er zeer aangenaam, zonnig en een graadje of 20. Vanaf een afstand is het een mooi gezicht, een 17km lange slinger aan witte huisjes tussen de groene bergen. Maar zoals alle grote steden in de wereld, kampt ook Quito met een een enorm verkeersprobleem. Lange rijen luid toeterende autos en bussen die een zwarte walm achterlaten. We moeten door een aantal lange tunnels en komen bijna in ademnood als onze bus er stapvoets doorheen rijdt. De nieuwe stad is lelijk. Grote drukke wegen, lelijke betonnen flatgebouwen. Maar de oude koloniale binnenstad met z'n sfeervolle pleinen en vele kerken en kloosters is echt de moeite waard. Het hele historische centrum is een Unesco cultureel erfgoed. De witte gebouwen met rode daken zijn zeer goed onderhouden.

We bezoeken een aantal kerken en musea en vergapen ons aan de rijkdom. Schilderijen van grote meesters, edelstenen en prachtig mozaikwerk. Er is een kerk bij waar maar liefst 7 ton goud verwerkt is in de rijkversierde wanden en plafonds. In sommige kerken zien we wassen lichamen van heiligen waar echte beenderen uitsteken. Ook krijgen we de meest bizarre wonderen te horen.

Op het San Francisco-plein word ik aangesproken door drie schoenpoetsertjes: "Shoe-shine, shoe-shine?" vraagt de kleinste hoopvol. Ik wijs op z'n poetsdoos waar alleen maar zwart in zit en dan naar m'n gympen. Dat lijkt me geen goed idee. "Picture, picture?" probeert hij vervolgens. "What's you name? My name is Geraldo and I'm hungry" zegt het jochie. Alle drie hijzen ze hun T-shirt omhoog, en houden de adem in. Of ik de ribbetjes wel goed kan zien.

Ik geef me gewonnen en samen met Harry gaat het drietal op de foto. Ze vragen $0.25 voor de foto. Harry houdt z'n portemonnee op de kop en zegt: "dit is alles wat ik nog heb". Er zat nog ongeveer $3.50 aan kleingeld in en de jongetjes zijn helemaal door het dolle heen.

De volgende dag komen we ze weer tegen. "Hoe gaat het met de business", informeert Harry. De jongetjes kijken beteuterd. Er is veel concurrentie en ze hebben nog geen enkele klant gehad. Ze hebben alweer honger. Of we $0.50 willen geven voor een lunch. "Bovendien ben ik jarig" zegt de kleine Geraldo heel slim. Maar als we vragen wat voor datum het vandaag is, blijft hij het antwoord schuldig. We willen ze niet weer geld geven maar nemen ze mee naar een klein eettentje waar ze een uitgebreide maaltijd krijgen. Deze jochies verdienen op een goede dag maximaal $2 en gaan 1x per week naar "collegio" ergens op een boerderij buiten de stad. Waar ze slapen of wonen krijgen we geen hoogte van. We vragen ons af wat de toekomst hun brengt.

 

Beestenboel

We blijven niet lang in Quito en reizen een stukje verder noorderlijker naar het plaatsje Ottavalo dat bekend staat om z'n zaterdagmarkt. Als we vrijdagmiddag aankomen treffen we een slaperig stoffig dorpje aan waar niets te beleven valt. Maar anderdaags is dat helemaal veranderd. We staan om 6 uur op om in alle vroegte naar de veemarkt te gaan aan de rand van de stad. Boeren uit de wijde omgeving komen hier met hun beestenboel, vooral schapen, geiten en varkens. Maar ook koeien en een enkel paard. De een met een vrachtwagentje vol schapen, de ander met een enkel varkentje aan een touwtje. De varkens krijzen alsof ze vermoord worden. Zou ik ook doen als ik m'n broertje aan het spit zag.

Ook op de fruitmarkt heerst een levendige sfeer. Het zijn voornamelijk vrouwen die de handel drijven. De meesten hebben geen stalletje maar zitten gewoon op de grond met voor hun een stapeltje sinaasappelen of zakjes bonen en kruiden. De Ottavala's hebben hun eigen specifieke klederdracht dat door jong en oud met trots gedragen wordt.

De vrouwen dragen een simpele zwarte wikkelrok met daarboven een witte kanten bloes met veel borduurwerk. Om hun hals hebben ze meerder strengen goudkleurige kraaltjes. Op het hoofd geen hoedje maar een soort hoofddoek. De mannen dragen een witte kuitbroek. Aan de kleur van de poncho kun je zien van welke stam ze zijn. Er is ook een poncho-markt die tegenwoordig helemaal op toeristen gericht is. We kopen een bontje hangmat die we tussen de mast en de voorstag hangen. We zijn nu twee weken onderweg en hebben eigenlijk het grootste gedeelte van het land al gezien. We besluiten terug te gaan naar de boot en over een paar weken nog een tocht door het binnenland te maken, dan naar het zuiden.

 

Pacifische Voorbereidingen

Na onze korte vakantie in Nederland is het weer even wennen om terug te zijn in Ecuador. Het is ondertussen hartje zomer en bloedheet. Bovendien is het regenseizoen begonnen en dat betekent zwoele nachten en....muggen! Zelfs met alle horren voor de luiken houden ze ons nog uit de slaap. Andere onruststokers zijn termieten. Hele zwermen dalen 's avonds op de verlichte boten neer. Wij hebben er met onze donkere romp nog het minste last van, maar de eens zo glimmende amerikaanse boten zien nu zwart. Tijdens onze afwezigheid zijn er weer een aantal nieuwe boten binnen gelopen.

De meesten staan, net als wij, op de kant en zijn druk aan het klussen om hun boot op tijd klaar te hebben voor het komende seizoen in de Pacific. Het is er opeens een stuk gezelliger door geworden.

Iedere dag na vijven komen de "yachties" spontaan bij elkaar voor Happy Hour en doen verslag van hun vorderingen. Het contrast met vorig jaar is groot. Waar we ons vorig jaar druk bezig hielden met zwaar-weer-technieken, stormzeilen en verwarming, ligt het accent nu op biminis (zonnetentjes), ventilatoren en hoeveel flessen rum je in moet slaan. Iedereen verzekerd ons dat we zoveel mogelijk ruimte moeten maken voor alcoholische dranken omdat die in de Pacific ofwel niet te verkrijgen zijn, ofwel niet betaalbaar zijn. Rum schijnt een populair ruilmiddel te zijn voor vers fruit en houtsnijwerk. Een duitse medezeiler doet het Grundlich en slaat maar liefst 100 flessen rum in. Een amerikaan, tegenwoordig altijd het pispaaltje voor buitenlandse overheden, is bang dat zijn flessen door de franse gendarmerie worden geconfisceerd, en giet een honderdtal liters over in jerry-cans. Een ander ruikt business en noteert rum-orders voor een mega-aankoop met mega-korting. En omdat ruimte een standaard probleem op iedere boot is, groot of klein, organiseren we een zgn "Swap-meeting" waarbij iedereen zijn overtollige spullen te koop aanbiedt. De marineros van de jachthaven hebben nog nooit zoiets gezien en graaien dankbaar alle afgedankte kleding bij elkaar. Er liggen opvallend veel handschoenen en dikke truien bij. Zelfs de chique clubleden komen een kijkje nemen en kopen onze oude camera en walkman. Wij weten voor een paar pakken Chileense wijn een mooie hengel op de kop te slaan. Een ander groot verschil met vorig jaar is, dat de meeste "yachties" het werk aan hun boot voor veel geld uitbesteden. Wij staan er versteld van hoe gemakkelijk deze zeilersgroep duizenden dollars uitgeeft om simpel schilder- en schoonmaakwerk te laten doen. Zo laat onze buurman zijn waterlijn ophogen voor $1000 dollar en een andere zeiler laat voor $800 dollar z'n romp in de was zetten. Maar oas bint zuunig en op het maken van een bronzen roerlager na, doen wij lekker alles zelf. En wie gaat er als eerste weer spik en span het water in? Goed geraden... Zwerver! En met het geld dat we uitgespaard hebben gaan we lekker shoppen. Met 2 andere buurvrouwen kopen we een kortingskaart voor de supermarkt en gedrieen graaien we letterlijk de planken blikvoer leeg. De kaasverkoper snapt er geen barst van waarom deze gringa's letterlijk alle kazen en salamies willen voorproeven. En de inpakjongen zit ongelooflijk naar mijn 48 rollen WC-papier te kijken. Negen maanden voorraad, waar laat je dat in godsnaam!

 

Harry, how's your deflatable?

En terwijl ik gewapend met lijstjes alle supermarkten afloop, neemt Harry voor de zoveelste keer de dinghy onder handen. De dure 2 componentenlijm die we uit Nederland hebben meegenomen werkt goed, maar nu duiken er iedere dag andere lekken op, op de meest onmogelijke plaatsen.

Het kleine bootje wordt er niet mooier op en Harry's humeur daalt ondanks de verstikkende hitte, tot beneden het vriespunt. Dit allemaal tot groot vermaak van onze medezeilers die Harry iedere dag vragen hoe het met zijn "deflatable" ("uitblaasbootje") gaat.

Voor de laatste keer op kerkepad

Het gaat van kwaad tot erger met onze kleine dinghy. Yamaha maakt fantastische buitenboord motortjes, maar de rubberbootjes die ze erbij verkopen zijn naadje. We geven het op en kopen een tweedehands Avon. Om onze nieuwe aanwinst te beschermen tegen de felle zon, maak ik van canvas een beschermhoes. Allemachtig wat een klereklus! Maar het resultaat is om trots op te zijn. Kosten: slechts $15! Ik heb de smaak te pakken en neem meteen ook maar even het interieur onder handen. Alle kussens en gordijntjes worden vervangen. De boot knapt er zienderogend van op. Nu we niet meer dagelijks de dinghy hoeven te plakken liggen we opeens ruimschoots voor op ons klusschema. Nog twee weken voordat Bert en Saskia komen. We besluiten om er even tussenuit te gaan, deze keer een korte trip van een weekje naar Quenca, een oude coloniale stad in het zuiden van Ecuador. Het is bloedheet als we vertrekken, maar zodra we de kuststreek verlaten en in het zuidelijke hoogland komen, daalt de temperatuur aanzienlijk. Het begint te regenen en de bergtoppen verdwijnen in slierterige laaghangende bewolking. De weg gaat dwars door een nationaal park Cajas, dat bekend staat om z'n vele mooie meren, ruim 200. Het landschap doet ons denken aan de Schotse hooglanden.

Quenca is een mooie oude coloniale stad. Gebouwd door de incas, ruim een halve eeuw voor de komst van de Spanjaarden, moest het destijds kunnen wedijveren met Cusco in Peru. In tegenstelling tot Cusco is er echter nog maar weinig bewaard gebleven van de oorspronkelijke Inca bouwwerken. Volgens overleveringen moeten de straten vroeger bedekt zijn met een laag goud en zouden de vele paleizen gebouwd zijn door de beste architecten van het grote inca-rijk.

Maar de vele mooie kerken en pleinen zijn beslist de moeite waard, al moeten we toegeven dat we ondertussen wel een beetje verzadigd beginnen te raken. Quenca is Ecuador's derde stad en heeft een rijke intellectuele traditie. Er zijn diverse universiteiten en de vele studenten geven een modern tintje aan de stad. Je vind er talrijke gezellige cafes en uitstekende restaurants. Wij vinden het altijd opvallend dat de betere uitgaansgelegenheden toch altijd door Europeanen gerund worden. Zo is er een uitstekende nederlandse ijssalon en een oostenrijks cafe waar je heerlijke Apfelstrudel kunt eten.

 

Iedere donderdag is er een hele grote markt waar de indianenstammen uit de nabij gelegen dorpjes hun handelswaar aanbieden. Vooral fruit en groente, kleurige bloemen, maar ook geweven ponchos, hangmatten en levende cavias! En ondanks dat we al zoveel van dit soort markten gezien hebben, krijgen we er geen genoeg van.

De Panama-hoed

De beroemde Panama-hoed, geweven van hele fijne palmbladeren, komt dus niet uit Panama, maar wordt hier in Quenca gemaakt. Alle locals, zowel mannen als vrouwen, dragen er een. De hoeden voor de locals worden met een soort gebluste kalk afgewerkt om ze een langere levensduur te geven, maar daarvan worden ze stijf. Wij bezoeken natuurlijk ook een hoedenmakerij. Maar deze is duidelijk gericht op toeristen. We krijgen en rondleiding en gaan vervolgens hoedjes passen. De goedkoopste modellen zijn $8 maar er zijn er ook van $200. De duursten zijn zo fijn geweven dat je ze kunt oprollen.

 

Gewapende overval

Het winkelcentrum van La Libertad ligt op nog geen 10 minuten loopafstand van de jachthaven. Eigenlijk is het maar 1 straat. Er staan een paar huizen, een winkeltje, een ziekenhuis en twee hotels. Er zijn altijd redelijk wat mensen op straat want dit is de weg naar het strand en het is nu schoolvakantie. Het is 11.00 uur 's ochtends en ik loop met m'n boodschappentas richting de jachthaven als er opeens vanuit een zijstraatje drie mannen op mij af komen. De ene roept iets naar me en richt tot mijn grote ontzetting een pistool op mij. Ik begin te gillen, laat mijn boodschappentas vallen en wil terug rennen naar het winkeltje, want daar lopen mensen. Het is nog geen 50 meter. Maar de andere twee mannen grijpen me beet voor ik er erg in heb. Er vindt een worsteling plaats en ik val op de grond, op mijn buik, twee handen om mijn tasje geklemd. Een van de mannen heeft een mes en snijdt het leren hengsel met gemak door en vervolgens rennen ze weg. Er is geen schot gelost. Mijn schouder bloedt, maar ik merk het niet eens. Ik blijf gillen, ook als er ondertussen een aantal mensen om me heen staan. Iemand wijst in de richting waar ze heen gerend zijn en in een reflex wil ik er achteraan gaan. Gelukkig kunnen ze me tegenhouden. Wat een gore brutaliteit! Waar halen ze gdvr het lef vandaan om een pistool op me te richten! Kwaad loop ik naar de jachthaven en doe mijn verhaal bij de bewaking. Meteen springen drie bewapende mannen in een jeep en ik moet mee om de "crime-scene" aan te wijzen. Het lijkt wel een klopjacht. We rijden door de wijk maar getuigen vertellen dat de drie overvallers in een auto zijn gevlucht. Eenmaal veilig terug aan boord neemt mijn woede steeds meer toe. Ze hebben niet veel geld gestolen, maximaal $50, en een bankpasje, maar die heb ik meteen geblokkeerd. Wel bedacht ik me later dat de weinige sieraden die ik heb (maar nooit draag) in het kleine vakje in het tasje zaten. Onder andere een gouden ring die ik net van mijn oma geerfd had. Maar de woede is vooral vanwege de lafheid van de overval. Je hebt totaal geen kans. En een pistool op je lijf gericht voelt alsof er iets heel wezenlijks van je afgenomen wordt. En net zoals in Brazilie, staken ook hier de mensen geen poot uit om je te helpen. Die aardige man van het winkeltje die me iedere dag groet, keek nu veilig toe van achter zijn tralies. En dan de reacties van je medezeilers. "Weet je zeker dat het een echt pistool was? Waarschijnlijk was het niet eens geladen". Nou, dat heb ik niet gevraagd hoor! Ik heb het even helemaal gehad met Zuid-Amerika en vooral met Ecuador. Hoogste tijd om te vertrekken.