Cuba

Marihuana gevonden?

De oversteek van Jamaica naar Cuba wordt gekenmerkt door weinig wind. Overdag gaat het nog wel en zeilen we rustig met 5 knoopjes hoog aan de wind. Maar geheel volgens het te verwachten patroon valt 'snachts de wind weg en gaat de motor aan. Normaal balen we daar van, maar deze keer vinden we het niet zo erg. Het betekent een rustige nacht en zo kunnen we in ieder geval goed onze koers vasthouden want als de wind ook maar ietsje verder doordraait naar het noord-oosten is Santiago de Cuba net niet meer bezeild. Bij zonsopgang ontwaren we de bergen van de Sierra Meastra. de grootste en hoogste bergketen van Cuba die ongeveer 240km parallel aan de Caribische kust loopt van Cabo Cruz in het westen tot Guantanamo op de oostelijke punt van het eiland. Maar de laatste mijltjes verstrijken uiterst langzaam en het is al bijna 12 uur als we de smalle doorgang naar Bahia de Santiago de Cuba invaren. Zestig meter boven ons op de rechteroever staat een imposante rotsvesting, Castillo El Morro. Het fort is in 1590 gebouwd om de piraten tegen te houden en is in 1997 toegevoegd aan de Unesco erfgoedlijst. Er staan tegenwoordig allerlei moderne antennes rond het fort en we kunnen ons niet aan de indruk ontrekken dat we allang gesignaleerd zijn.

We hijzen de Cubaanse en de gele douane vlag en melden ons keurig op kanaal 16. Een aardige marinamanager heet ons welkom en sommeert ons aan te leggen aan een betonnen steiger waar we moeten wachten op de autoriteiten.Eerst komt dokter Louis die onze fysieke en geestelijke gesteldheid inspecteerd. Die is op dat moment nog heel relaxed. Louis begroet me spontaan met twee zoenen waarop we hem maar snel een biertje geven om af te koelen. Als hij ziet dat we een afbeelding van Che Guevara aan de muur hebben hangen is het ijs helemaal gebroken. Hij haalt een foto uit z'n portemonnee en vertelt dat Chez een persoonlijke vriend van z'n vader was. We moeten beslist een keer bij hem thuis komen eten. Een uiterst vriendelijke en efficiente dame van de immigratie-dienst vind het fantastisch dat we een mondje spaans spreken en stempelt zonder problemen onze paspoorten. Maar dan is het de beurt voor de douane om het schip aan een algehele inspectie te onderwerpen. Ze trekken niet alle kasten en luiken open zoals dat het geval was op Jamaica en Curacao maar hebben een snuffelhond bij zich die het karwei voor ze opknapt. Geinteresseerd kijken we toe hoe het beest geroutineerd langs alle kastjes en luiken snuift. Uiteraard vindt de hond niets, ook niet na een tweede en derde ronde. Maar dan vindt z'n baasje opeens tot onze verbijstering buiten op de kuipbank een verdacht grassprietje waarvan hij beweerd dat het marihuana is. Wij zijn immers in Jamaica geweest en daar rookt toch iedereen marihuana? Nou willen we niet beweren dat we kenners zijn, maar dit is dus echt geen marihuana. Maar dit soort wereldwijsheden kun je op zo'n moment beter voor jezelf houden. We beginnen te lachen en vertellen dat we niet eens roken. "Ja, maar jullie Jamaicaanse vrienden wel. Wie heb je aan boord gehad?" Niemand, zeggen we naar waarheid. Opeens zijn er 4 douanemannen aan boord en ze besluiten een soort lakmoestest te doen die moet uitwijzen of het daadwerkelijk om marihuana gaat. Eerst wordt er grafiet of id opgegooid en daarna een zuur waardoor er een groen papje ontstaat. Dan komt het moment supreme. "Als de kleur van het papje in rood verandert als ik er nu een druppel van het 2e flesje bijgooi, dan is het marihuana" vertelt de douaneman. We kijken gebiologeerd maar nog steeds zelfverzekerd toe. Totdat het papje tot onze ontsteltenis rood kleurt. "Onmogelijk" roep ik uit. "Doe het nog een keer. Dit is gewoon niet mogelijk". Ze doen de test nog een keer en deze keer is de kleur niet rood maar bruin-gelig. Zij beweren nog steeds dat het marihuana is, maar ik sta er met m'n neus op en roep "zie je wel, dit is geen rood". Het lijkt alsof ze een quotum moeten halen of zo en perse willen bewijzen dat een hollands zeiljacht dat rechtstreeks uit Jamaica komt, marihuana aan boord moet hebben. Het grassprietje wordt met een plakkertje onder een zitkussen geplakt waarna de snuffelhond er meerdere keren langs wordt geleid. Het beest geeft tot onze opluchting geen ene sjoegem. Maar nog steeds zijn we verdacht. De mannen gaan met de testresultaten terug naar kantoor om beraad te houden. Wij wachten gespannen af. Na een half uurtje komen ze terug met de clearance waarop staat dat de drugstest niet overtuigend was. Wij mogen de gele vlag laten zakken. "Welcome in Cuba, please enjoy our hospitality". Tsssssss, dat loop gelukkig weer met een sisser af.

 

Rum, Rumba en Revolutie

Op eigen houtje reizen door dit land betekent dat bepaalde "ongemakjes" niet te vermijden zijn. We hadden het ons natuurlijk gemakkelijk kunnen maken door de marina een taxi te laten bestellen, maar wij geven de voorkeur aan lokaal vervoer om een beetje een gevoel te krijgen hoe de mensen hier leven. Het is 500m lopen naar het kruispunt waar de bus zou moeten stoppen. Maar, zo vertelt ons een aardige meneer, die bus hebben we zojuist gemist en het is niet helemaal duidelijk wanneer en of er een volgende bus komt. Door gebrek aan benzine of reserveonderdelen vallen ze vaak uit. We moeten naar het volgende gehucht 1km verderop lopen en daar een "camion" oppikken naar de stad. Gelukkig krijgen we al vrij snel een lift en voegen we ons bij tientallen andere wachtende reizigers in de hete zon. Er zijn geen bushokjes, bankjes of afdakjes en ook nergens stalletjes met versnaperingen zoals in de rest van de wereld. De "camion" is een oude Ford met in de laadbak aan weerszijden in de lengte een stalen bankje. Ter bescherming tegen zon en regen is er een zeil over een paar stalen balken gespannen. We delen de laadbak met zo'n 60 andere mensen en iedere km stopt de wagen om nog meer mensen in te laden. Ik voel me een beetje als een koe op weg naar het slachthuis. We kunnen nauwelijks zien waar we zijn en stappen maar gewoon uit waar de rest van de kudde uitgeladen wordt. Dat blijkt dus hartje centrum te zijn.

Onze tweede missie voor vandaag is het verkrijgen van geld. In Cuba zijn twee valuta's in omloop: de CUB oftewel de nationale munt, ook wel gewoon peso cubano genoemt en de CUC, de peso convertible die evenveel waard is als de US dollar maar alleen in Cuba geldig is. Als de enige twee geldautomaten geen van onze bankpassen of creditcards accepteert vrezen we dat dit een lange geschiedenis wordt, maar in de bank kunnen we gewoon met onze creditcard en paspoort zoveel ophalen als we willen. Ook kunnen we er zelfs een gedeelte van onze CUCs wisselen in locale pesos tegen een uiterst gunstige locale koers van 1:25. Wat dat voor verschil uitmaakt wordt even later direkt duidelijk. Op de hoek van het centrale plein in een grand cafe bestellen we een expresso en een capucino en moeten daar $2,80 afrekenen. Een paar straten verderop gaan we een klein lokaal cafe binnen. Het oudste van Santiago, met een originele bakstenen vloer en grote openslaande luiken met houten gedraaide spijlen. Het is er gezellig druk en we worden gewoon bij andere mensen aangeschoven. In de hoek zit iemand met de hand sigaren te maken en daarnaast zit iemand gitaar te spelen. We bestellen "un cafe negro y un cafe con leche". De serveerster begint hartelijk te lachen. Melk hebben we niet en "negro" doen we niet aan, hier is iedereen gelijk. Dus je kunt kiezen uit koffie of koffie. Maar wel echte! De rekening in pesos bedraagt omgerekent nog geen $0.10 voor ons tweeen!!

In het cafe hebben we al snel aanspraak en zo ontmoeten we Ruben die ons graag zijn stad wil laten zien. Dat wordt een leerzame en gezellige geschiedenisles. Vanaf het "balcon de Diego Velasquez" hebben we een prachtig uitzicht over de stad en de plek waar diens oprichter in 1512 voet aan land zette en in opdracht van de Spaanse koning ongeveel een half miljoen indianen uitroeide. Daarna maakte Santiago, het centrum van de koffie en suikerplantages (en slavenhandel!) een periode van ongekende groei en bloei door. In het centrum zie je nog veel oude huizen die herrinneren aan die tijd. De meesten zijn vreselijk vervallen, maar enkelen, zoals het huis van rummagnaat Bacardi, die overigens de eerste burgermeester was van Santiago, zijn prachtig gerestaureerd. De oude Bacardi rumfabriek bestaat nog steeds en is nog steeds volop in bedrijf. Na de revolutie vluchtte Bacardi naar Puerto Rico en nam het Bacardi-patent mee. Castro zette de productie voort. Hetzelfde recept maar onder een andere naam: HabanaClub, de meest populaire rum in Cuba. We lopen langs het huis van Castro's ouders dat leegstaat maar nog steeds in het bezit van de familie is. Ze hebben meerdere huizen; de Castro familie is blijkbaar "iets" minder arm als de rest. Een eindje verder staat een van de militaire barakken van Batista die on 1953 onder leiding van Fidel Castro werden aangevallen. Tot op heden geldt het mislukte offensief als het startpunt van de revolutie en is 26 juli een nationale feestdag.

Vrijwel alle overheidsgebouwen, en dat zijn er veel in dit land, hebben muurschilderingen met politieke leuzen en afbeeldingen van revolutiehelden. Maar ook gewone burgers die een wit voetje cq bruine armen bij de communistische partij willen halen hebben hun huizen beschilderd. Jose Marti, dichter en grote held van de onafhankelijkheidsstrijd is het meest polulair, zozeer zelfs dat hij een standbeeld heeft in New York midden in Central Park. De grote held van de revolutie en lievelingetje van zowel de Cubanen als de touristen is Che Guevarra. De broertjes Castro hebben het een beetje verbruid bij het volk maar worden plichtsmatig her en der ook nog wel afgebeeld. Ons oog valt op een bijzondere poster met de tekst "Obama, give me five". Is dit misschien een toenaderingspoging tot de USA? We hebben Raul Castro immers handen zien schudden met Obama tijdens Mandela's begrafenis. Ruben begint te lachen. "Dat willen we met z'n allen wel, maar dat zou niemand openlijk durven te zeggen. Deze poster is een oproep aan de USA om de 5 opgepakte vermeende spionnen vrij te laten". Later zien we nog meer posters met oproepen aan de USA om het terrorisme te stoppen.
We beklimmen de treden van Padre Pico. Deze beroemde trapstraat verbindt de bovenstad, waar de notabelen woonden, met de benedenstad, waar de handwerkers, dienstboden en slaven hun kwartier hadden. In de bovenwijk nemen we een kijkje in het "Casa Traditionales" een soort cultureel centrum waar juist een orkestje aan het oefenen is. Het lijkt alsof we bij een opname van de "Buena vista social club " zijn. Dit 7 koppige combo bestaat uit jonge mannen in moderne afzakbroek die gitaar spelen tot grijzende zestigers met een strohoed op die de trompet en sambaballen voor hun rekening nemen. Het klinkt fantastisch en tussendoor krijgen we uitleg over de inhoud en oorsprong van de songs en de instrumenten. En natuurlijk moet ik er weer aan geloven: een man leidt me heel stijlvol de dansvloer op en veegt de vloer met me aan. En dit allemaal voor 11 uur 'sochtends! De benedenwijk is nog steeds een oude volkswijk. Er zijn redelijk wat mensen op straat die gewoon maar met elkaar staan te praten, de krant zitten te lezen of muziek zitten te maken. Veel mensen hebben geen werk en proberen stiekem wat bij te verdienen door vanuit huis een handeltje te drijven. Dat is aan de buitenkant niet te zien, maar Ruben weet de plekjes en opent deuren voor ons. De een verkoopt eieren, de ander zelfgemaakte kaas. En zo doen wij onze bevoorrading: gewoon, of liever gezegd heel bijzonder, bij wildvreemden in de woonkamer aan een tafel met een kanten kleedje en een vaasje met plastic bloemen. En het kost allemaal geen drol.

 

Pompen of verzuipen

Een ongeluk komt nooit alleen maar in drievoud, of hoe was dat spreekwoord ook al weer? We varen met dubbelgereefd grootzeil van Chevirico naar Portillo. Er staat een normale noord-ooster maar hier langs de zuidkust wordt je af en toe onaangenaam verrast door harde valwinden die van de Sierra Meastra blazen. Maar tegen het middaguur houdt de wind het opeens voor gezien en moeten we de motor aanzetten. We hebben nog steeds geen werkende stuurautomaat en wisselen elkaar om het uur af. Als ik Harry aflos gaat deze naar binnen en checkt uit gewoonte de motor en en de bilges. Als hij het grote vloerluik in de keuken opentrekt brult hij opeens: "Stop!!, alles staat onder water!" De motor gaat uit en we checken snel alle ruimten onder de vloerluiken. Shit, de diepe bilgeput is helemaal overgelopen, er staat water in het motorruim, water onder de watertank, water onder de koelkast, water in de bilge in de achterkajuir bij de schroefas en water midschips bij de accus.

Zonder paniek, maar wel met kloppend hart handelen we in een reflex. Harry zet de electrische bilgepomp aan, ik neem de handpomp voor m'n rekening. De boot laten we aan zichzelf over. Er staat weliswaar een aanlandige stroom maar we zijn ver genoeg uit de kust om zonder gevaar een paar uurtjes te kunnen dobberen. Het gaat tergend langzaam maar het waterpijl in de bilge daalt. Eerst checken we of het schroefaslager nog op z'n plek zit. We kennen een nederlandse boot die hierdoor gezonken is. Gelukkig lijkt hier niets aan de hand te zijn. Er komt ook geen nieuw water meer binnen. Het moet dus iets met de motor zijn. En jawel hoor! Zodra we de motor weer aanzetten spuit het water door het motorruim. De slang van de motorkoeling is van het waterslot losgeschoten. Terwijl ik verder pomp en ook de andere ruimtes onder de vloer droog maak, sluit Harry de slang weer aan en zet er twee nieuwe slangenklemmen op. Binnen een uur is de klus geklaard en kunnen we weer verder. We hebben blijkbaar een beschermengel aan boord; als we een half uurtje later hadden gekeken zouden zowel de motor als de accus onder water hebben gestaan....

Nog geen uur later horen we een hoog sjirpend geluid, weer in het motorruim. De steun van de dynamo is afgebroken. We kunnen dus geen stroom meer draaien. Harry probeert de dynamo tijdelijk vast te zetten met een paar bouten, maar zo blijft de V-snaar niet strak staan. De steun moet gelast worden. Wel een probleem maar niet heel erg urgent. Doordat we een uur tijd verloren hebben, dreigen we Portillo niet voor het donker te halen. De aanloop ziet er niet al te moeilijk uit, maar het vervelende is dat de zeekaarten hier niet al te nauwkeurig zijn en je ook niet altijd op de lichtboeien kunt vertrouwen. Onze engel lijkt dit ook te beseffen en schiet ons ondanks ons gevloek toch te hulp: het gaat opeens lekker waaien uit de goede richting en we lopen weer 6,5 knopen. Een half uur voor zonsondergang laten we opgelucht het anker vallen. Na het eten nog een afzakkertje en dan vroeg naar bed. We hebben bijna de klok rond geslapen als we 's ochtends gewekt worden door de "Guarda Frontera" die in een roeibootje langzij komt. Verbaasd kijken we om ons heen: we liggen aan de overkant van de baai tegen de mangroves aan! De ankerketting hangt er een beetje slapjes bij. De kiel zit muurvast in een dikke laag stinkende prut. En terwijl wij druk in de weer zijn met de motor voluit, de dinghy in volle kracht erbij en met de spinackerbomen nog iets intelligents proberen te doen, zit de man van de kustwacht doodleuk in de kuip z'n papieren in te vullen. Ik geef hem paspoorten, crew-list en registratiepapieren en beantwoord tussendoor nog een aantal stompzinnige vragen. "What is your estimated time of departure?" Nou, het kan zijn dat we hier een poosje blijven. Grrrrr! Met de dinghy brengen we een tweede anker aan 30m ketting en nog eens 50m ankertouw uit. Langzaam zetten we met de electrische ankerlier het touw onder spanning terwijl de motor in volle kracht vooruit staat. We halen vrijwel alle touw moeiteloos binnen terwijl de dieptemeter op nul blijft staan en er geen greintje beweging in het schip komt. Bijna willen we het opgeven, maar dan voelen we eindelijk weerstand en even later geeft de dieptemeter opeens 10cm aan en dobberen we weer. Allejezus wat komen we hier weer goed weg! Een aardige visser brengt ons naar iemand die met veel plezier zeer vakkundig onze dynamosteun last. Hij wil er geen cent voor hebben en is blij met een zak lollies voor z'n kinderen......

 

Schildpad te koop

Van Portillo zetten we koers naar Cabo Cruz, een klein gehucht op de westelijke zuidpunt van Cuba. Langzaam worden de bergen lager zodat we minder last hebben van landeffecten. Voor het eerst wordt het een dag met lekker zeilweer. De markante vuurtoren hebben we al een tijd in zicht, maar we kunnen er niet rechtstreeks op varen want de ankerplek van Cabo Cruz ligt achter een heel groot gevaarlijk rif waar we met een ruime boog omheen zeilen. Net om de hoek bij Cabo Cruz ligt Playa las Colorades, de baai waar het guerilla-avontuur van Fidel Castro en Che Guevara in 1956 begon. Hier gingen de 84 rebellen in het motorjacht Granma voor anker en werden ze in de pan gehakt. Met 15 man trokken ze verder, over de Sierra Meastra, en behaalden uiteindelijk toch de overwinning. Wij laten ons anker vallen in 4m diep zwembadblauw water, nemen een verfrissende duik en een verfrissend biertje. Tegen etenstijd wordt er op de romp geklopt. Verbaasd kijken we om ons heen; we hebben helemaal geen bootje aan zien komen. Blijkt er dus een man bijna 1km van de kant naar onze boot gezwommen te zijn! Onder water houdt hij een plastic zak vol met kreeften, oesters en andere schelpdieren. We kopen 3 mooie kreeften waarvoor hij slechts $4,- vraagt. Kreeft is officieel bezit van de overheid en mag alleen door gelicenseerde vissers gevangen worden. Cubanen mogen geen kreeft eten, dat is bestemd voor de export of voor de touristenhotels. Maar als je slechts $15 per maand verdient is een buitenlands jacht voor je deur wel een grote verleiding.

De volgende dag gaan we aan land. Dat is officieel verboden, maar er is hier geen controle. De Cubanen heten ons hartelijk welkom in hun dorp, brengen ons afval weg en wijzen ons de weg naar de winkel. Dat is een groot woord voor een betonnen schuurtje met bananen. Voor een paar kilo bananen betalen we een bedrag in centavos dat niet eens meer naar dollars om te rekenen is. In een ander schuurtje vinden we brood en rum. Meer is er vandaag niet.

Maar als we de "winkel" verlaten maken we kennis met Ramon, die ons meeneemt naar z'n huis, ook een betonnen schuurtje. Op het erf staat een grote regenton waaruit hij met een blikje water schept en onze jerry-cans vult. Z'n koelkast ligt vol met vis en speciaal voor ons heeft hij zelfs een bloederige schildpad in de aanbieding. Daar bedanken we beleefd voor maar de vis, tomaten, uien en limoenen nemen we graag van hem af. En zo doen we wederom onze "boodschappen" bij mensen thuis.

 

Een culinair feest in de tuinen van de koninging

De volgende twee weken brengen we door in Los Jardines de la Reina, de tuinen van de koninging. Dit is een 120km lange archipel van honderden kleine mangrove en koraal eilandjes, cayos genoemd, vrijwel allemaal onbewoond. In eerste instantie lijkt het een ingewikkeld labyrint door gevaarlijke riffen en smalle, vaak hele ondiepe doorgangen. Maar na enige bestudering van de kaarten en pilots vinden we toch een min of meer logische route met niet al te ingewikkelde ankerplekken die in dagetappes te doen zijn. Het eerste stuk is een beetje saai. Er staat weinig wind en we zijn al blij als we kunnen motorzeilen. De eilanden aan de binnenkant van het rif zijn niet zo bijzonder. Soms is er alleen maar mangrove en kun je niet eens aan land. Vanwege de modderige bodem is het water niet helder. Heerlijk om even af te koelen maar niet om te snorkelen. Wel horen en zien we veel vogels, meeuwen, pelikanen en veel reigersoorten. Dit zijn hele visrijke gronden, maar als we op de eerste dag meteen al 2 baracudas vangen en weer teruggooien, geven we het vissen maar op.

De tweede week wordt echter een culinair feestje. Dit is het gebied van de kreeftenvissers. Zodra we ons anker laten vallen komt er altijd wel een vissersboot langzij die in ruil voor een flesje rum, koffie of blikvoer heerlijke verse kreeften komt brengen. Wij verdenken ze er zelfs van dat ze ons op staan te wachten. We krijgen meer kreeft dan we op kunnen, de koelkast ligt er vol mee. Kreeft op brood, kreeft in een salade, kreeft door de pasta. Dit is belachelijk: in een land waar je iedere dag opnieuw moeite moet doen om je basisprodukten bij elkaar te scharrelen, worden we doodgegooid met delicatessen waar je in Nederland een fortuin voor betaald. Maar hoe vertel je een visser die zelf iedere dag rijst met bonen eet, dat je even geen kreeft meer kan zien? Een simpel gebakken visje zou voor de verandering ook prima zijn. Die gedachte is nog niet uitgesproken of we krijgen een emmer vol grote gamba's en een joekel van een zeebaars. Kan het nog gekker?

 

Een weekje landlubberen in Cienfuegos

We zijn ondertussen alweer bijna een maand in Cuba als we aankomen in Cienfuegos, een van de oudste en grootste steden van Cuba. De marina ligt op loopafstand van het centrum. Iedere dag wandelen we langs de boulevard naar het historische centrum om er op een terrasje te ontbijten, onze dagelijkse boodschappen te doen, op jacht te gaan naar "van de vrachtwagen-gevallen sigaren" of gewoon om de tourist uit te hangen. Een aantal koloniale gebouwen aan het hoofdplein zijn gerestaureerd en doen dienst als hotel of overheidsgebouwen. Je kunt er lekker zitten in de schaduw onder de bomen. We bezoeken een mooi 19e eeuws theater met krakende houten vloeren, rode velours gordijnen en een plafond dat in DaVinci-stijl geschilderd is. Het is nog steeds in gebruik maar wordt waarschijnlijk meer bezocht door touristen dan door locale mensen. De meeste koloniale huizen zijn ernstig in verval, maar nog wel bewoond. De mozaikvloeren zijn gebarsten, de verbrokkelde muren zijn verschimmeld, maar het staat wel vol met prachtige antieke meubelen die waarschijnlijk al jaren in de familie zijn. In een aantal van die woningen zitten kunstateliers waar je de kunstenaar gewoon aan het werk ziet. Tot onze verrassing zien we ook kunstwerken die lijken op uitingen van protest zoals een danseres gewikkeld in prikkeldraad en een zanger met dichtgenaaide mond. De stad leeft en er heerst een hele prettige sfeer. 'sOchtends voor 7 uur komen de roeiteams voorbij, allemaal dames, aangemoedigd door een man met een grote toeter. Ook op de boulevard is het dan al druk met wandelende, joggende en fietsende mensen. In de middenberm staat een groepje oude mensen een soort ochtendgymnastiek te doen met een stok. Het doet denken aan de New Territories in Hongkong. 's Avonds verzamelen de mensen zich weer rond de boulevard. Jonge paartjes verstrengeld onder een lantaarn, kinderen met een bal, lachende vrouwen en vissende mannen. Het TV-aanbod is blijkbaar beperkt.

Met een paar Zwitserse zeilers maken we een uitstapje naar Trinidad, een tochtje van anderhalf uur door de Valle de los ingenios (vallei vd suikermolens) waar nog steeds volop suikerriet verbouwd wordt. Op de achtergrond zijn de toppen van de Sierra del Escambray te zien. Dit is een beschermd natuurgebied waar tropisch hardhout, ceders, cacaobomen en de nationale boom de Mariposa groeien. Op de hellingen wordt koffie verbouwd, de beste van Cuba. In Trinidad woonden in de Gouden Eeuw van de suikerbaronnen het creme de la creme van de aristocratie. Hun paleizen zijn onder de hoede genomen van Unesco en de meesten doen dienst als hotel of museum. Er is een archeologisch musem, architectonisch museum, gemeentelijk museum en Romantisch museum. Het is er erg touristisch, souveniertentje aan souveniertentje met Che Guevarra T-shirts. Busladingen vol roze bejaarden strijken op de dure terrassen neer waar bandjes staan te spelen.

Maar als je even een paar straten verder loopt, kom je in de volksbuurten waar de kinderkopjes ontbreken en de straat gewoon een zandpad is, waar de verf ontbreekt maar waar wel gewone mensen op straat leven. Het is een arbeidersbuurt zonder arbeid. Op de stoep van een huis zit een oude man die beweert 100 jaar oud te zijn en we balen dat we niet beter spaans spreken. Hij vraagt ons om een stukje zeep. Op een piepklein dakterras van een Casa Particular, tussen de regenton en het wasgoed, eten we heerlijke verse vis met rijst en salade en een mierzoet rum-honing-drankje. Nu zien we dat deze koloniale woning alleen van de buitenkant gerestaureerd is. Van binnen is het gewoon kaal cement. Er is geen stromend water en er wordt gekookt op een 2-pits gasstelletje dat kleiner is dan die van ons in de boot. Onze $8 zijn hier dus goed besteed.

 

Cuba, zo gek nog niet?

Samen met Pim & Hanneke van de "Nelly Rose" zitten we aan de bar van Marina Cienfuegos te nippen aan onze mochitos. De mannen roken een Coiba. Dat leidt al snel tot philosofische overpeinzingen. We zijn net terug van een BBQ waar ze een varkentje aan het spit hadden en zijn nu spontaan in een locaal verjaardagsfeestje beland. Er speelt een bandje en uiteraard wordt er gedanst. Salsa, rumba, veel sexy heup- en billenwerk. Korte rokjes met lange benen en hoge hakken. Cubanen weten wat feestvieren is. Misschien is het leven in Cuba toch zo gek nog niet?

Cuba heeft het moeilijk. Castro en kameraden namen in 1960 een geruineerde economie over, een economie die uitsluitend de belangen behartigde van buitenlandse investeerders, touristen en gokkers terwijl het gros van de eigen bevolking de eindjes niet aan elkaar kan knopen. Het roer werd omgegooid en ondanks de handelsblokkade van de US en allerlei inefficienties die een centraal geleide planeconomie met zich meebrengt, slaagden de door idealisme gedreven Cubanen er min of meer in een staat te bouwen die gebaseerd was op het gelijkheidsbeginsel. Het land werd onteigend, herverdeeld in plotjes van 400 hectare en gemechaniseerd. Er werden fabrieken gebouwd, banen gecreeerd. Onderwijs en gezondheidszorg werden toegankelijk voor iedereen, en staan tot op de dag van vandaag op een niveau waar de meeste landen in het Caribisch gebied, Centraal- en Zuid-Amerika jalours op zijn. Het grootste succes van de revolutie was echter het verkregen saamhorigheidsgevoel en zelfrespect van de Cubanen. Maar deze korte zomer van een rechtvaardige, klassenloze maatschappij lijkt op een sombere herfst uit te lopen. Door de val van de Soviet Unie verloor Cuba niet alleen belangrijke financiele steun maar ook hun afzetmarkt waardoor de economie een serieuze terugval kreeg. Fabrieken werden gesloten, landbouwmachines staan op het veld te verroesten. Er ontstonden grote werkeloosheid en tekorten aan van alles en nog wat.

Wij hebben aan boord twee oude pilots uit de jaren '90 waarin voorspeld wordt dat Cuba nu wel "open" zou gaan en er snel het een ander zal gaan veranderen, al was het alleen al om de gemoederen te sussen en een eventuele burgeroorlog te voorkomen. Persoonlijke vrijheden werden met veel poeha aangekondigd maar de invoering ervan liet lang op zich wachten. Bovendien merken de meeste Cubanen er in hun dagelijkse leven weinig van. Zo mogen Cubanen tegenwoordig naar het buitenland reizen, maar het aanvragen van een uitreisvisum is een uiterst kostbaar en langdurig proces en alleen voorbehouden aan bepaalde beroepsgroepen. Er kwamen inderdaad ook enkele economische hervormingen die tot een lichte liberalisering van de planeconomie hebben geleid. Er zijn nu vrije boerenmarkten en kleine ambachtelijke bedrijfjes zijn toegestaan. Particuliere eettentjes, paladares, hebben na veel geharrewar een legale status gekregen, maar moeten aan strenge eisen voldoen en hoge belastingen afdragen, ook als ze geen business hebben. Hetzelfde geld voor particuliere bed & breakfast gelegenheden, "Casa Particulares". Ook mogen Cubanen prive-auto's kopen. Maar slechts een enkeling heeft er het geld voor. Wat je ziet is dat ondernemende jonge mensen een hele oude gammele amerikaanse slee kopen en opknappen met het geld dat ze verdienen als prive-taxi, al dan niet illegaal. Wij maken vrijwel al onze binnenlandse tripjes met een "Machina Particular" omdat het goedkoop, hartstikke leuk , gemakkelijk en zeer leerzaam is, vooral als de chauffeur een mondje engels spreekt. De Cubanen mochten tot voor kort zelf overigens geen gebruik maken van taxies of hotels, ook al hadden ze er het geld voor.

Steun van Canada en joint-ventures met China heeft weinig zoden aan de dijk gezet, en de wereldwijde economische crisis treft Cuba zwaar. Wat wij nu ruim 15 jaar later zien, is een land zichtbaar in verval. Verlaten gebouwen, verroeste machines, ingestorte steigers, WC's zonder brillen, wasbakken zonder kranen of stromend water, gaten in het wegdek of helemaal geen wegdek, havenmeesters zonder VHF, kustwacht in een roeiboot, etc, etc. De kurk waarop de economie moet drijven is tourisme. Kosten nog moeite worden gespaard om het de buitenlandse gasten naar de zin te maken. De partij heeft speciale distributiekanalen georganiseerd zodat in de dollarhotels en -restaurants niets te merken is van het heersende gebrek. Toeristen worden in luxe touringcars vervoerd, ze slapen in prachtig gerestaureerde koloniale hotels. Het contrast tussen de wereld van de luxueuze toeristenhotels en de sobere levensomstandigeheden van de Cubanen is enorm. Schappen in de winkels staan leeg. In de zgn "CUC" winkels kun je losse rolletjes toiletpapier en schuursponsjes kopen die in een afgesloten vitrine liggen alsof het om iets kostbaars gaat. Cubanen krijgen voedselbonnen voor de eerste levensbehoeften. Per maand per persoon: 5 eieren, 0,5l soja olie, 1 kippepoot, 1kg rijst en nog een aantal basis dingen waarvoor ze telkens op een andere dag in de rij moeten staan. Geen vetpot dus. Kerken, ooit verboden maar nu in glory hersteld, (zou dat zijn omdat Castro zelf door Jezuieten is geschoold?), houden insamelingsakties voor de armen.

Om aan buitenlandse deviezen te komen worden zelfs de kapitaalkrachtige Cubaanse bannelingen in Miami gepaaid. De dollars die zij overmaken vormen een belangrijke geldstroom in de Cubaanse economie. Een Cubaan die dankzij familie in Miami of fooien van toeristen aan dollars kan komen kan paradijselijk leven. Logisch toch dat veel goed opgeleide mensen hun beroep, opleiding en idealen opgeven om aan geld van "klassevijanden" te komen? Een fietstaxie verdient $2 per ritje. Als hij er tien per maand doet, gaat hij met net zoveel geld naar huis als een havenmeester. De rechtvaardige, klassenloze maatschappij begint te kraken, oude maatschappelijke kwalen zoals honger, ongelijkheid, prostitutie, criminaliteit en corruptie steken weer de kop op. So what? Heeft het socialistische systeem daarom gefaald? In hoeverre is de internationale handelsblokkade daar debet aan? Is het leven in Cuba slecht? Slechter dan waar? Waarom vergelijken wij het leven in Cuba uberhaupt met dat van ons in Europa? Trek eens een eerlijker vergelijking met bv buurlanden Haiti of Jamaica. Waar zijn de mensen beter af? Waar zijn de klassenverschillen, corruptie en criminaliteit het grootst? Wie zijn gelukkiger? Wie tonen er meer zelfrespect? Wij denken dat menig Afrikaan of Zuid-Amerikaan, ja zelfs menig Aziaat graag wil ruilen met een Cubaan.

"Zou je hier kunnen leven?" vraagt Pim. Nee dus. Wij zijn "geindoctrineerd" door het kapitalistische systeem en dragen onze liberale nederlandse waarden hoog in het vaandel. Wij vragen ons steeds weer af hoe het kan dat de Cubanen zo opgeruimd blijven doen alsof er niets aan de hand is. Uitwendig lijken ze hun lot gelaten te dragen en staan zonder te morren iedere dag weer in de rij voor de bank, de ijssalon, of de bakker. Om hier te kunnen overleven moet je wel een soort levenskunstenaar zijn. Iedere dag opnieuw moet je weer proberen er iets van te maken. Misschien is dat de reden dat er zo veel zorg besteed wordt aan uiterlijkheden en correcte manieren? De Cubaanse dames zien er altijd zeer verzorgd en elegant uit. De heren zijn altijd glad geschoren en besprenkelen zich overvloedig met aftershave. Onze verklaring is dat de drie R's van Rumba, Rum en Revolutie nauw met elkaar samenhangen en dat de Cubanen iedere gelegenheid aangrijpen om een beetje meer kleur aan hun povere levensomstandigheden te brengen. Ze vinden een uitlaatklep in muziek, dans en zeker ook in kunst en hebben blijkbaar subtiele overlevingstechnieken ontwikkeld die hen wapenen tegen de kommernis van alledag. Wat dat geheime recept ook mag zijn, de Cubanen stralen een bepaalde warmte en levenslust uit die zeer aanstekelijk werkt en ons verblijf hier heel bijzonder maakt.

 

Van ons bed gelicht

Tourisme mag dan het speerpuntbeleid van de partij zijn, maar dat geldt nog niet voor het jachttourisme. Of juist wel, maar dan in negatieve zin. Op papier zijn er een stuk of vijftien "marinas" maar in realiteit is dat vaak niet meer dan een verrotte aanlegsteiger bij een militaire post ergens in niemandsland waar je je moet melden en waar ze je goed in de gaten kunnen houden en waar vooral geen Cubanen bij de boot kunnen komen. Je mag alleen aan land bij deze officiele "marinas" of op onbewoonde eilandjes waardoor je bewegingsvrijheid wel erg beperkt wordt. Terwijl je met een huurauto onbelemmerd gaan en staan kunt waar je wilt. Het grote verschil is dat je daarmee niet het land uitkunt en stiekem Cubaantjes het land uit kunt smokkelen. Want dat is het hele eiereten achter deze belachelijke controles en restricties. Telkens als je incheckt krijg je een stempel op je "despatcho" en als je vertrekt wordt deze ook weer afgestempeld en evt voorzien van commentaar van de havenmeester.

In ons geval is die "despatcho" ondertussen een soort zwartboek of lijst van onbehoorlijk gedrag geworden. Bovenaan pronkt natuurlijk het dubieuze resultaat van de marihuanatest. Het zal dan ook niet bij die ene keer blijven dat we een snuffelhond aan boord krijgen of dat de boot doorzocht wordt. Vervolgens krijgen we een dag "boot-arrest" in Santiago en wordt onze "despatcho"geconfisceerd omdat we niet direct vertrokken zoals aangekondigd. Dat was niet onze schuld maar die van de havenmeester die 2 uur te laat op kwam draven waardoor we de volgende bestemming niet meer bij daglicht konden halen en dus weigerden om te vertrekken. In Portillo zijn we in alle vroegte vertrokken en vergeten een uitklaringsstempel te halen. Die hebben we later zelf maar gefabriceerd, compleet met vervalste handtekening. En dan weten ze nog niet eens dat we in Chevirico en Cabo Cruz stiekem aan land zijn geweest.

Maar de grootste "misdaad tegen de revolutie" begaan we in Cienfuegos. Onze franse buurvrouw is jarig en we worden uitgenodigd voor een etentje bij het Jagua-hotel, direct gelegen aan het water naast de gelijknamige Jagua-marina. Na een gezellige avond liggen we goed en wel een paar uur in ons bed als we uit onze slaap worden gewekt door stemmen en gestommel aan boord. We schrikken ons rot en willen al bijna tot de aanval overgaan als we zien dat er een kustwachtboot naast ons probeert af te meren. De havenmeester en een gewapende militair staan al zonder toestemming op ons dek. Wij hebben niet eens kleren aan! "Inspection, inspection" roept de havenmeester. Huh, wat nu weer? Wat blijkt? Wij zijn samen met onze franse buren in hun dinghy naar het hotel gegaan. En dat mocht niet. We leggen uit dat de franse bejaarde buurman slecht ter been is, dat de marina geen aanlegsteiger heeft en het hotel wel. Dat wist hij wel, hij was nl ook al bij onze buren aan boord geweest. Onze boot wordt doorzocht op verstekelingen en we moeten weer onze papieren laten zien (waar hij al lang copien van heeft). Hij wijst ons op artikel 1&2 van het contract met de marina waarin staat dat je alleen in de marina mag afmeren en dat je dinghy 'snachts aan dek moet blijven. Wij vertikken het om sorry te zeggen en leggen uit dat onze dinghy niet van boord is geweest, maar wij hadden net zo goed tegen de deurmat kunnen praten. Ik kan het niet nalaten om te zeggen dat tot nu toe alleen "bandidos" 'snachts ongevraagd aan boord zijn gekomen en dat betreurd hebben. Maar ook hij weigert sorry te zeggen. Produkt van z'n opvoeding. De volgende dag moet Harry op kantoor komen om een officiele schuldbelijdenis te ondertekenen met daarin een dreiging van een boete van 3000 euro als we weer in overtreding gaan. Als we een paar dagen later uit Cienfuegos vertrekken komt onze overijverige vriend weer aan boord om te checken of er echt geen Cubaantjes verstopt zitten. Onze "despatcho" heeft er weer een aantekening bij. We blijven erom lachen, we zijn in Cuba en dit hoort er nu eenmaal ook bij.

 

In de schijnwerpers

Als je het zeegat van Cienfuegos verlaat, ligt aan je rechterhand de Varkensbaai, beroemd geworden door de mislukte invasie in 1961 van 1400 in Amerika wonende, door de CIA getrainde Cubanen, die met steun van Kennedy en een budget van $13 miljoen, Fidel Castro wilden verdrijven. Ze maakten daarbij een fundamentele vergissing, nl dat ze ervan uitgingen dat de Cubanen in Cuba dat ook wilden. Maar binnen 72 uur werden ze door 20.000 slecht bewapende soldaten en boeren in de pan gehakt. Een interessant detail van die invasie was dat de Amerikanen hun betrokkenheid bijna 20 jaar lang ontkent hebben waardoor het lijk van de amerikaanse piloot al die tijd niet opgeeist kon worden. Het neergeschoten vliegtuig is in Havanna te zien op het plein voor het musem van de revolutie. De Varkensbaai is nu een soort monument van de koude oorlog en staat op de zeekaart aangegeven als verboden zone. En jawel hoor, laat het nou precies op onze route liggen? Aangezien we er weinig voor voelen om een omweg te maken, zetten we gewoon rechtstreeks koers naar de Archipielago de los Canarreos met als gevolg dat we gedurende een afstand van 30 mijl de grens van het verboden gebied met ongeveer 10 mijl overschrijden. Spannend? Nee, helemaal niet. Behalve een gesloten kerncentrale zien we alleen een uitgestrekte plas blauw water, die steeds blauwer wordt naarmate we dichter in de buurt van de eilandjes komen. Er komt nog wel een oude Antonov AN2 een paar keer laag overvliegen, maar we denken dat dit een transportvliegtuigje is.

De Cannarreos-archipel bestaat uit een parelketting van een vijftigtal onbewoonde eilandjes. Er moeten weer eens keuzes gemaakt worden, niet onze sterkste kant omdat we altijd bang zijn iets moois te missen. Maar Cuba is nou eenmaal zo groot dat je onmogelijk alles kunt doen. We houden de door muggen geplaagde mangrove-bosjes voor gezien en kiezen voor eilandjes met witte stranden en blauw water. Dat betekent dat we af en toe smalle ondiepe passen moeten nemen door het koraalrif. Het water is zo afschuwelijk helder dat je bij een diepte van 10 meter de bodem met z'n messcherpe koraalpunten goed kunt zien, wat niet bijdraagt tot een relaxte gemoedstoestand. Soms varen we urenlang over vlak water met nauwelijks meer dan 1m water onder de kiel. Wat ook niet helpt is dat de betonning niet altijd klopt of gewoon ontbreekt. Maar het gaat allemaal goed en we brengen een dag of tien in de archipel door waarbij we vier eilanden aan doen. Het leukste vinden we Cayo Cantiles, een natuurreservaat met uitgestrekte zoutmeren en moerassen waar koreaanse makaken, krokodillen, flamingos en helaas ook heel veel muggen leven. Met een parkwachter met een grote machete maken we een leuke wandeling over het eiland. Waarom die parkwachters (en die koreanse makaken) hier zitten is ons een raadsel. Ze hebben niets anders te doen dan de hele dag vissenen zijn blij als er af en toe een jacht voorbij komt waarmee ze rum of koffie kunnen ruilen. Wij vinden het allemaal prima. Het betekent gegarandeerd onbeperkt kreeft eten.

Via Pasa de Quitasol, een rifdoorgang die ook door de commerciele scheepvaart genomen wordt maar daarom niet minder spannend is, varen we naar Nueva Gerona, de hoofdstad van Isla de la Juventud. Nueva Gerona is een commerciele haven, volgens onze verouderde pilot vies, druk, onaantrekkelijk met een kapotte kade waar jachten niet erg welkom zijn en soms zelfs geweerd worden. Maar wij hebben water, diesel en verse groenten nodig en willen ondertussen wel weer eens iets anders zien dan idyllische eilandjes. Daarvoor komen we niet naar Cuba. Voor de zekerheid roepen we de havenauthoriteiten maar ruim van te voren op. Stel je voor dat we weggestuurd worden. De havenmeester begrijpt aanvankelijk niet wat we willen maar door tussenkomst van een aardige visser die voor ons vertaalt worden we hartelijk welkom geheten.

Het is al laat in de middag als we het smalle kanaal opvaren. De linkeroever is dicht begroeid. In de bomen en struiken zien we een grote varieteit aan vogels: pelikanen, ibissen, verschillende reigersoorten en een soort lepelaar. Op een klein strandje zit een liefdespaartje in het water, verscholen achter de bosjes vanaf de landkant, maar vanaf onze boot genadeloos blootgesteld. Met de rug naar ons toe steken ze hun hand op. Aan de andere kant is een zandpad met fietsers, wandelaars en hengelaars. Kinderen rennen enthousiast met ons mee: "Schwerber, Schwerber", roepen ze. Willem en Maxima hadden geen beter onthaal kunnen krijgen.

Er staan een paar vervallen loodsen en verroeste opslagtanks maar van industrie of bedrijvigheid is geen sprake. We passeren het station van de Guarda Costa waar de mannen bezig zijn een kapotte steiger te repareren. "Niet kijken" zegt Harry, "straks willen ze weer van alles inspecteren". Ik kijk toch en zwaai naar ze en ze zwaaien vrolijk terug. Het welkomscomitte staat ons al op te wachten en neemt keurig de landvasten aan. De havenmeester komt een biertje drinken en stempelt zonder verdere poespas onze "despatcho" en verontschuldigt zich dat hij ons in een commerciele haven geen passende fasciliteiten kan bieden. We hebben een plekje gekregen helemaal aan het einde van de kade, voor het stinkende stadsriool, afgezet met een groot hek. Aan de andere kant, op het droge, ligt de "Pinero" de boot waarmee Fidel & Raul Castro en aanhangers terug naar het vaste land werden gebracht na hun vrijlating uit de gevangenis in mei 1955. 's Ochtends zien we de jeugdbrigade ervoor marcheren. 's Nachts staan er felle schijnwerpers op onze boot en worden we in de gaten gehouden door twee bewakers die de hele nacht door blijven praten. Telkens als we het terrein op of af willen moeten we onze paspoorten laten zien, telkens aan dezelfde bewaker, die ze zorgvuldig bestudeert en vergelijkt met de kopieen die ze van de havenmeester gekregen heeft. "We zijn het echt", zegt Harry, waarop de vrouw begint te lachen en het belachelijke er ook van inziet. Daarna kunnen we vrijelijk in en uitlopen en als de bewakers ons met jerrycans of zware boodschappen zien lopen, helpen ze ijverig mee dragen.

 

In de gevangenis

"Het is een wonder dat jullie nog geen gevangenis van binnen hebben gezien" schrijft Bert. Nou, dat hebben we inmiddels dus wel. In Nueva Gerona, wat overigens een heel aardig provinciestadje is met een super relaxte sfeer, onmoeten we George die de trotse eigenaar is van een antieke chevrolet en wel een halve dag met ons over het eiland wil toeren. George is Cubaan van geboorte en "citizen" van Miami, een status die gevluchte Cubanen automatisch krijgen als ze in Amerika aankomen. Hij pendelt iedere 3 maanden op en neer om te werken in Miami en daarna lekker te leven in Cuba. Als contractwerker in de bouw verdient hij in de US $17 per uur. In Cuba, afgestudeerd aan de landbouwhogeschool, kreeg hij dat per maand. Heel begrijpelijk dus. Maar hoe hij dat voor elkaar krijgt zonder in problemen te komen, blijft naar herhaaldelijk vragen nog steeds een raadsel voor ons.

Isla de la Juventud (eiland van de jeugd) is ontdekt door Columbus maar lange tijd werd er niets anders met het eiland gedaan dan er gevangenen naar toe te brengen. De tiran Machado liet er in 1926 een modelgevangenis (Presidio Modelo) bouwen waar maar liefst 5000 gevangenen gehuisvest konden worden en die tot en met het regime van Batista nog volop in gebruik was. Tijdens de 2e wereldoorlog zaten hier 350 Japanners, 50 duitsers en 25 Italianen. In 1953 werden de Castro-broertjes en hun aanhangers hier gevangen gezet na de mislukte aanval op de Moncada-barakken in Santiago. In het Revolutie-museum in Havanna lazen we dat de revolutionairen 19 maanden straf kregen, maar volgens George hoefde Castro er maar 3 van uit te dienen. Bovendien kreeg hij een speciale behandeling en werd gescheiden van de overige gevangen in de ziekenbarak gehuisvest. Het revolutiemuseum rept daar uiteraard met geen woord over, maar op een foto is wel te zien dat hij bij zijn vrijlating de gevangenis lachend en met een koffer in de hand verlaat alsof hij uitcheckt uit een hotel. Wat zal Batista een spijt hebben gehad dat hij hem niet vermoord heeft....

Het ontvangstgebouw bereiken we via een lange oprijlaan met aan weerszijden statige koningspalmen. We stappen uit bij een rotonde en beklimmen de sierlijke marmeren trap van het hoofdgebouw om door de smerige ramen naar binnen te gluren. Marmeren vloeren en hoge gewelfde plafonds. Het lijkt inderdaad meer op een paleis dan op een gevangenis. Aan beide zijden staan villa's, de voormalige woningen van de officieren. In een daarvan zit nu een plaatselijke afdeling van de communistische jeugdbrigade. Op het verwaarloosde gazon grazen paarden. Verder is het hele terrein verlaten. Achter het "paleis" staan 5 ronde torens van 6 verdiepingen. Vier torens met alleen maar gevangencellen en 1 toren die dienst deed als keuken en kantine. Alle tralies zijn op bevel van Castro verwijderd. Ruiten hebben er nooit ingezeten. De cellen zijn piepklein en hebben ijzeren ringen in de wand. In het midden staat een smalle toren met de isoleercellen. Alles is kapot. Alleen in de eetzaal staan de ijzeren pootjes nog overeind waar ooit duizend klaptafeltjes aan vast hebben gezeten. Heel indrukwekkend. In 1967 werd de gevangenis gesloten en de ziekenbarak werd een museum. Sommige ruimten zijn tijdens de revolutie nog gebruikt als leslokaal tijdens de grootscheepse lees-en schrijfcampagne van Castro. Nu liggen er drollen op de vloer en vinden we zelfs een condoom. Zonder buitenlandse subsidie gaat dit complex gewoon naar de mallemoeren. Maar dat laten ze niet toe want het is militair terrein. Doodzonde. Zou een prima Unesco-project zijn.

Onze excursie gaat verder over landweggetjes en een heuze autobaan naar La Fe wat vroeger een kuuroord voor de rijken was. George laat ons de oude baden met leeuwekopmotieven zien. Allemaal kapot en overwoekerd. Op een klein kliniekje na is er niets meer van het sanatoriumcomplex over. De bronnen zijn er nog, ergens achteraf onder een brug. Het geneeskrachtige water stroomt nu gewoon in de rivier vol plastic en oude autobanden. Tijdens het Castrobewind werd er op Isla de la Juventud citrusboomgaarden aangelegd en lange tijd stond het eiland bekend om z'n grapefruits die ook gretig aftrek vonden in het buitenland. Wij rijden door vervallen boomgaarden en hebben nog geen grapefruit gehad. Je wordt er soms wel een beetje depri van.

 

Van het anker geslagen en aan de grond in Levisa (en bijna gered door de USA Coast Guard)

Op de zuidwestpunt van Isla de la Juventud ankeren we nog een nachtje in zwembadwater voor een poedersuikerstrand met palmen. Vandaar zeilen we 80 mijl in een ruk door naar het meest westelijke punt van Cuba. Niet omdat we zoveel haast hebben, maar gewoon omdat er een lekkere wind staat en we zin in zeilen hebben. Voordat we de drie kapen Cabo Frances, Corientes en San Antonio ronden, wachten we daar nog even een halve dag tot de wind en golven een beetje afgenomen zijn. Voor deze kust loopt een sterke stroom en loopt de bodem opeens op van meer dan 1000m naar slechts 3m diepte en dat kan gecombineerd met harde winden uit het noordoosten verwarrende en zelfs gevaarlijke zeeen geven. We vertrekken 's nachts om Kaap San Antonio met daglicht te ronden zodat we kunnen beoordelen of het verantwoord is om de kortere, ondiepe route binnen het rif te nemen. De weergoden zijn ons gunstig gestemd en zonder noemenswaardigheden liggen we voor het ontbijt al voor anker in Marina Los Morros, alweer zo'n godsverlaten oord met muggen en mangrovebosjes waar ze bovendien ons paspoort in beslag nemen. Het enige positieve dat we over deze plek kunnen melden is dat we er heerlijk vis en kreeft hebben gegeten en dat ze er echte ribbeltjes paprikachips verkochten.

De noordwestkust van Cuba is totaal oninteressant omdat je er nergens aan land mag. Doodzonde, want dit is de provincie Pinar del Rio, beroemd om z'n tabaksbouw en kalksteengrotten. En omdat de kust in noordoostelijke richting wegloopt, heb je hier vrijwel altijd de wind op de neus. We besluiten binnen het rif te blijven varen omdat daar geen tegenstroom is en het water vrijwel vlak is zodat we op de motor tenminste nog een beetje voortgang maken. Maar dat betekent wel dat je 's avonds een ankerplekje gevonden moet hebben. Die zijn er wel, maar de meesten zijn ook niet bijster interessant. Bovendien liggen ze al snel 35 mijl uit elkaar zodat je vroeg vertrekken moet en pas laat in de middag aankomt. We nemen dan al niet eens meer de moeite om de bijboot klaar te maken maar houden het simpel op een zwempartijtje gevolgd door happy hour dat bij gebrek aan iets anders bestaat uit Cuba libre met popcorn. Uitzondering is Cayo Levisa, een klein vakantie-eiland met een heerlijk zandstrand. We mogen er gebruik maken van de douches, kunnen er onze watertanks vullen en schuiven iedere dag aan een uitstekend lunchbuffet. Er komt een zgn "northerly" door. Dat is een koufront uit Canada dat in de wintermaanden tot aan Florida en Cuba reikt. Onder de beschutte zuidkust hadden we er nauwelijks last van, maar hier moeten we de weersverwachting weer goed in de gaten houden en zorgen dat we dan op een beschutte plek liggen. Iedere dag halen we via de SSB en pactormodem gribfiles binnen. Bovendien luisteren we 's ochtends om 12.40 UTC op 8104kHz naar de Amerikaanse weerman.

Het koufront brengt die nacht onweer, bliksem en harde rukwinden die opeens 180 graden draaien. We zijn er niet gerust op. We liggen weliswaar goed beschut van alle kanten, maar de bodem is zachte modder en we hebben weinig speelruimte tussen de mangrovebosjes en een rif. Omdat ik toch niet slapen kan kijk ik even op de GPS of we nog op de goed plek liggen. Jawel, maar we swingen alle kanten uit. En dan opeens, terwijl ik nog sta te kijken, gaan we met 0.8 knoop in zuidelijke richting. Shit! Het ankeralarm is gezet maar gaat niet af. Maar gelukkig hadden we uit voorzorg C-maps standby laten staan zodat we een evt evacuatietrack kunnen volgen. Ik zet de motor aan en vaar maar gewoon richting het lampje van de steiger, ons enige orientatiepunt, weg van het rif. Harry haalt ondertussen snel het anker op. Wat fijn dat die ankerlier zo goed werkt! Maar het is stikdonker en ik kan de afstand tussen wal en schip niet goed inschatten. De dieptemeter loopt sterk terug en geeft nog maar 40cm onder de kiel aan. Shit, waar zijn we?! "Volgens C-maps ga je over land", zegt Harry laconiek. OK, stukje terug dus. "Laat maar vallen!" brul ik om boven het lawaai van de storm en de motor uit te komen. En deze aktie moeten we nog twee keer herhalen voordat het anker goed gezet is. Ondertussen zijn we koud tot op het bot en kan het ons ook niet veel meer schelen als we in die mangrovebosjes zouden landen. De motor gaat uit en we duiken weer in bed. Het ankeralarm is nu wel goed ingesteld maar gaat niet af omdat we op onze plaats blijven liggen.

De volgende dag schijnt de zon. We wachten nog een dagje tot de wind en zee gekalmeerd zijn (...en dat buffet is toch wel erg lekker...) en volgen dan weer onze track naar buiten. De dieptemeter loopt een paar keer terug naar 0.1m maar dat was op de heenweg ook zo, niks aan de hand toch? Totdat we het gevoel krijgen dat we niet meer vooruit gaan. Shit, we zitten vast! Hoe is het verdorie mogelijk! Eh, wel eens van getij gehoord? Dat is hier slechts 1 ft maar dat is blijkbaar genoeg. We zijn nog op zichtafstand van de steiger waar een motorbootje ligt dat ons vast wel even los wil trekken. We roepen het een paar keer op maar het blijft verdacht stil op de marifoon. Plotseling worden wij opgeroepen: "This is the USA Coastguard in St Petersburg". Nog voordat we kunnen uitleggen dat er niets aan de hand is, begint de goed getrainde man een heel protocol. "Can you repeat your boat name, are there children on board, do you have enough water and food, are you member of a commercial rescue service". Vooral dat laatste deed ons besluiten om heel resoluut de man af te kappen en te melden dat we niet gered hoefden te worden. (en niet meer te redden zijn). Dat was natuurlijk wel een mooi spektakel geweest hier in Cuba..... Mopperend laten we de dinghy te water, zetten het motortje erop en laden het anker en de ketting erin. Op het moment dat al dit gewicht van boord is komt de boot al vanzelf los en kunnen we deze handelingen weer in omgekeerde volgorde herhalen. Het oponthoud was minder dan 45min maar toch weer mateloos irritant.

 

Havanna, waar het verleden weer tot leven komt maar het heden stil staat

Een dag voor het volgende "Frente Frio" lopen we Marina Hemingway binnen. Voor de verandering eens een keer een echte marina met water, electriciteit, warme douches, winkeltjes, bars en restaurants. Maar dan wel op z'n Cubaans. Ok, we gaan niet zeuren, ook niet als er al weer een snuffelhond aan boord komt. We geven het beest een aai en de aardige jongens van de douane een glas cola. Ze doen gewoon hun werk.

Vanaf het hotel gaat er dagelijks een shuttle-bus naar Havanna. We kijken onze ogen uit: schaduwrijke lanen met zowel koloniale als luxe mondaine villa's en glimmende BMWs op de oprijlaan. Dit is Mariannao, de elite- en ambasadewijkwaar ook de Nederlandse vlag op een bescheiden kasteeltje wappert. Er is een supermarkt waar ik voor het eerst rundvlees zie en een verleidelijk stukje roquefort voor $50 maar laat liggen. Daarna rijden we door het stadsdeel Miramar over goede vierbaanswegen en rotondes met vlaggen en bombastische revolutiebeelden. We zien verscheidene europese hotelketens van naam die joint-ventures hebben gesloten met de Cubaanse staat. Maar aan de rand van de stad wappert het wasgoed vanaf de balkons van de sombere socialistische blokkendozen. Via de Malecon, een 3km lange promenade langs de zee, naderen we Havanna Vieja oftwel de historische binnenstad. Verval en pracht-en-praal liggen hier naast elkaar. Zo te zien heeft Unesco er de nodige miljoenen al besteed maar er zijn nog wel een paar miljard nodig om alles te restaureren. Helaas is een groot deel zo vervallen dat redding niet meer mogelijk is.

Zonder plan of doel slenteren we langs arcaden en zuilengalerijen, langs rijk gedecoreerde facades met ijzeren opgengewerkte balcons. Naast een Grand Hotel met mint-groene buicks en bonbonroze chevrolets voor de deur staat het geraamte van een ruine, bij elkaar gehouden door overwoekerde steigers. Er zijn grote pleinen met dure terrassen waar je alle mogelijke cocktails kunt bestellen en geserveerd wordt door obers met een strikje voor, maar ook kleine pleintjes met een paar bankjes waar een straatventer sinaasappels staat uit te persen. In Obispo, de Kalverstraat van Havanna, zien we chique juwelierszaken en schitterende apotheken met porseleinen potjes in de vitrine maar ook peso-winkels waar ze brood en eieren verkopen en de prijzen noteren met een krijtje op een schoolbord. Luxe kunst galerien en rommelige antiekwinkeltjes, casas de poezie, casas de literatuur naast het plaatselijke kantoor van de communistische partij. Het zijn deze tegenstellingen die Havanna zo bijzonder maken. Het is moeilijk een vergelijk met andere hoofdsteden te maken. Het heeft de grandeur van Buenos Aires, de intieme cafeetjes en pleintjes van Parijs, de volkse gezelligheid van Amsterdam maar ook het imperialistische van Amerika. Een dagje Havanna is nauwelijks genoeg voor een eerste indruk. Je kunt hooguit een beetje sfeerproeven. We komen meerdere keren terug en bezoeken musea, forten, markten en kunstateliers. Het verveelt nooit. Telkens ontdekken we weer nieuwe dingen. Wat een geweldige stad.

 

Te paard door de tabaksplantages van Pinar del Rio

Samen met Jean en Francoise van het franse zeiljacht "Carpe Diem" maken we een uitstapje naar Valle de Vinales in de zuid-westelijke provincie Pinar del Rio. We delen de goed onderhouden snelweg met tractoren, paard-en-wagens, fietsers en zelfs voetgangers. Deze laatsten staan overal onder de viaducten te wachten op een bus of vrachtauto. De onderbroken middenstreep is waarschijnlijk met de hand geschilderd waardoor je het gevoel krijgt een mochitootje te veel gedronken te hebben. Op- en afritten kennen ze hier niet en meerdere keren steekt er gewoon een landbouwvoertuig vanaf een zandweg de snelweg over, terwijl onze bus met een vaartje van 100 km voorbij raast. Levensgevaarlijk! Na 2 uur verlaten we de snelweg en zigzaggen we over smalle landweggetjes met scherpe bochten.

Valle de Vinales is een groot dal met vruchtbare rode aarde, omgeven door losstaande dicht begroeide kalksteenrotsen (mogotes). Door wind en regen zijn de relatief zachte zijkanten van de rotsen afgeslepen waardoor ze kunstzinnige ronde vormen hebben gekregen. De locale bevolking noemt ze "olifantenruggen". Deze rotsen zijn 300 tot 400m hoog en ongeveer 160 miljoen jaar oud. Onder begeleiding van een "guajiro", een Cubaanse cowbow met een gevlochten strohoed, gaan we te paard door de tabaksplantages. Hij vertelt dat de meeste boerderijen, ongeveer 70%, deel uit maken van zgn "cooperativos". Dat zijn geen zelfstandigen die zich, zoals in Nederland, georganiseerd hebben in een cooperatie, maar het zijn staatsboerderijen. Het land, de boerderij, de machines, de fabrieken, alles is eigendom van de staat. De boer moet voor gebruik van die staatsmiddelen 50% van zijn opbrengst afstaan. Dit in tegenstelling tot de prive-boerderijen die het land en de boerderij in eigendom hebben, maar 10% belasting moeten betalen. Tabak heeft 3 maanden nodig voordat het geoogst wordt. Daarna wordt het land beplant met mais om bodemerosie te voorkomen. De tabaksbladeren worden met de hand geplukt en daarna gedroogd in prachtige rieten schuren met een hoog schuin dak. Dat droogproces duurt ook weer 3 maanden. We bekijken zo'n droogschuur van binnen en krijgen een demo van een "torcedor" (sigarendraaier) hoe een sigaar gerold wordt. En daarna mogen we proeven. Dwz, Harry rookt en ik maak de foto.

De volgende dag rijden we in een huurauto nog eens door de omgeving en bezoeken we een tweetal kalksteengrotten van binnen. De grotten van San Thomas zijn de 2e grootste grotten van het amerikaanse continent. Met z'n 45km lange gangenstelsels en maar liefst 7 verdiepingen is het best wel indrukwekkend. Deze grotten trekken niet alleen touristen maar ook serieuze spelologen, wetenschappers en avonturiers. In een andere grot, super touristisch, maken we een boottochtje door het ondergrondse gangenstelsel.

 

Met de chocolade trein naar Matanzas

Vanaf de binnenstad van Havanna monsteren we aan op een kleine veerboot, die ons voor het astronomische bedrag van 3/10 euro-cent! afzet in Casa Blanca, dat in de verste verte geen gelijkenis vertoond met het Casa Blanca van Humphrey Bogart maar het vertrek punt is van de Hershey chocolade trein. Dit treintje, eigenlijk is het maar 1 wagonnetje, is in 1921 gebouwd door chocoladebaron Hershey. Zowel de trein als de chocoladefabriek zijn tijdens de revolutie door Castro genationaliseerd. Chocola hebben we in Cuba niet gezien, maar het treintje bestaat dus nog. Vroeger was deze trein een symbool van de zoete welvaart. Tegenwoordig is het een reis terug in de tijd, waar het Cubaanse leven van alledag zich afspeelt. De oorspronkelijke lederen stoelen zijn vervangen door ongemakkelijke houten zitjes die op ruw gelaste stangen zijn getimmerd. Wat misschien nog een beetje aan de tijd van weleer herinnert is de conducteur, keurig in donkerblauwe broek, wit overhemd en stropdas.

Het treintje stopt piepend en krakend bij ieder gehucht waar mensen beladen met goederen en levende have op een piepklein betonnen platform staan te wachten. Als iedereen aan boord is begint de handel in eigen gebrouwen drankjes en worden de laatste nieuwtjes uitgewisseld. Bij gebrek aan alternatief transport is deze trein een levensader voor geisoleerde gemeenschappen. We wisten van tevoren dat we rekening moesten houden met vertragingen omdat er wel eens een paard of een koe op de rails kan staan. Ook mankementen zijn heel normaal. Niemand kijkt vreemd op als we opeens ergens stil staan en een paar mannen met mokers op het dak van de trein de ijzeren geleiders weer recht proberen te slaan. Op de terugweg verdwijnen diezelfde mannen met mokers onder de trein. En het wordt nog even spannend als de bovenleiding in stukken breekt. In Nederland zou dan de hele dag het overige treinverkeer ontregeld zijn, maar hier is geen ander treinverkeer. Het euvel wordt provisorisch verholpen door twee kabels aan elkaar te knopen, een niet geheel ongevaarlijk klusje. En na een uurtje zijn we weer onderweg. We hebben ook nog nooit eerder in een trein gezeten die opeens midden in een weiland stil bleef staan omdat de passagiers moeten plassen. We rijden door een weidelandschap met friese melkkoeien die niet zo vet zijn als hun zusters in Nederland omdat de weiden hier niet zo sappig en groen zijn. Ook groeien hier geen wilgen maar statige koningspalmen die kaarsrecht de hemel in groeien.

Het eindpunt van de trein is Matanzas, wat "slachting" betekent en deze dubieuze naam te danken heeft aan onze volksheld Piet Heijn die hier in 1628 maar liefst 12 miljoen gouden (geen zilveren) florijnen buit maakte door de Spaanse vloot in de pan te hakken. Bizar eigenlijk dat wij deze "heldendaden" bezingen. De Cubanen zijn dat allang weer vergeten maar bezingen wel wat anders. Matanzas is de bakermat van de rumba. In de 19e eeuw kwamen bevrijde slaven en later hun nakomelingen stiekem bijeen in geheime broederschappen (cabildos) om oude tradities en rituelen in ere te houden. In de rumba werden angst en hoop voor de toekomst bezongen. Later werd dit overgenoemen door andere onderdrukte groepen en mensen van achtergestelde herkomst. De cabildos zijn nu vervangen door culturele centra maar de traditie wordt nog steeds voortgezet. Iedere laatste vrijdag van de maand is er een groot rumba straatfestival. Wij zijn er op een donderdag.....helaas.

Als we vrijdagavond terug zijn in Marina Hemingway en een praatje maken met de bemanning van het Nederlandse jacht "Sark" vertellen Jaap en Elza ons dat er een klein weergaatje is en ze anderdaags denken te vertrekken. We bestuderen onze gribfiles maar zijn niet overtuigd. Bovendien overvalt het ons een beetje. We besluiten het volgende "window" te nemen. Als ik de volgende ochtend langs het strand jog zie ik de "Sark" over een spiegelgladde zee motoren en denk nog steeds dat we een juist besluit hebben genomen door te blijven. Maar als we de nieuwe gribfiles binnenhalen en zien dat het evt volgende "window" pas over 10 dagen is en er net zo belabberd uitziet, is de beslissing snel genomen. Terwijl Harry uitcheckt ren ik nog een extra rondje langs de bakker en binnen een half uurtje zijn we onderweg. Dag Cuba, het is mooi geweest, wij zijn weer toe aan een ander hoofdstuk. Het ga je goed!