Central America

Doldrums

Langzaam pruttelen we voort over een gladde zee. De lucht is zwaar, roerloos. Het kleine beetje wind dat er is, wordt door ons zelf veroorzaakt en brengt geen verkoeling. Het is warm en drukkend, alsof we in vochtige hete watten gewikkeld zijn. Ergens ver op de oceaan moet het flink gewaaid hebben. Telkens wanneer de deining ons optilt en opzij werpt, klapt het grootzeil heen en weer en knalt de traveler tegen de stootblokken. Het is een slijtageslag voor zowel schip als bemanning. Om knettergek van te worden.

Tegen het einde van de dag verschijnen er reusachtige bloemkoolwolken aan de horizon. Ze veroorzaken een waanzinnig woest kleurenspel wanneer de zon onder gaat. Maar ook de nacht brengt in eerste instantie geen verkoeling. Boven ons zijn sterren. We onderscheiden "scorpio" en op 8 graden noorderbreedte zien we ook weer het zuiderkruis. Om ons heen overal weerlichten. Eerst ver weg, maar het onweer kruipt ongemerkt dichterbij. De vriendelijke bloemkolen zijn inmiddels getransformeerd tot dreigende zwarte aambeelden waar de vonken vanaf knallen. Uit voorzorg ontkoppelen we de instrumenten. De windmolen begint te draaien. Tien knoopjes, dan 15, 20 en voordat ik Harry uit z'n slaap heb kunnen roepen breekt de hel los. "Doe maar gelijk twee!" roep ik terwijl ik de boot met de neus in de wind draai. Op een stampend voordek in 35 knopen wind terwijl de regen met bakken tegelijk uit de lucht valt en we verblind raken door felle bliksemschichten, legt Harry in no-time 2 riffen in het zeil. Als alles weer onder controle is en we nat en verkleumd onder een lekkende sprayhood zitten, vraagt Harry: "Heb jij het voorluik nog dichtgedaan?"

Een dure en gevaarlijke pitstop in Nicaragua

De kust van Pacific Central America heeft een zeiler weinig te bieden. Allereerst is er geen of nauwelijks wind. Uitzonderingen zijn de Golf van Tehuantepec, Golf van Papagallo en de Golf van Panama waar de zgn gapwinden vanuit de Carieb zonder vooraankondiging van niets tot stormkracht kunnen aanwakkeren. Maar in deze tijd van het jaar, zomer, hebben wij daar niet veel last van. De Tehuantepec houdt zich koest en in de Golfo de Papagallo worden we getracteerd op een mooie noordenwind van 20-25 knopen waardoor we eindelijk weer eens lekker zeilen. En voor de rest is het een kleine 1000 mijl motoren over een spiegelgladde zee. Er zijn slechts een paar havens en ankerplekken waar je beschutting kunt zoeken maar die liggen een eindje landinwaart en om daar te komen moet je eerst een gevaarlijke riviermonding met zandbanken over. Dat kan alleen met doodtij en niet zonder hulp van een loodsboot. We hebben niet genoeg diesel om in een ruk van Mexico naar Costa Rica te varen en hadden daarom een tankstop willen inlassen in El Salvador. Maar de deining was zo gevaarlijk dat de "bar" gesloten was en zelfs de loodsboten twee weken lang niet konden uitvaren.

De eerstvolgende mogelijkheid is Puesta del Sol in Nicaragua. Ook daar moeten we een rivierdelta op en ook daar ligt een drempel in de riviermonding. Maar deze is een stuk minder gevaarlijk en goed bebakend. Als wij er arriveren is het net hoogwater geweest en ondanks dat de ebstroom nog maar zwak is, staan er toch indrukwekkende brekers. We bekijken de situatie eerst goed door de verrekijker en besluiten dan dat het te doen moet zijn. Even is er verwarring. We zien de eerste rode ton wel, maar de groene ontbreekt. Die blijkt in een zuiderstorm vorige week aan de haal zijn gegaan, horen we later.

Maar er is maar 1 opening door de brekers, hoe moeilijk kan dat zijn? Het probleem met dit soort aanlopen is dat, als je eenmaal gaat, er geen weg meer terug is. We worden door de deining opgepakt en surfen letterlijk van de golftoppen af. In de golfdalen zien we niets meer, ook de betonning niet. Ondertussen valt de dieptemeter met bakken omlaag. We zetten de motor vol gas bij om niet van koers gesmeten te worden. Het is doodgriezelig, maar binnen 10 minuten zijn we de drempel over en bevinden we ons in het beschutte water van de lagune. Aan het einde van de kronkelige vaarweg is een resort met een klein jachthaventje. We zijn al gesignaleerd en 3 man staan ons op te wachten en nemen vakkundig de lijnen aan. En dan begint de papiermolen te draaien en kunnen we onze portemonnee trekken. We proberen eraan te ontkomen maar moeten toch officieel inklaren. De authoriteiten kunnen pas morgen komen en er is vandaag toevallig? niemand om de benzinepomp te bedienen. Dat betekent dat we twee nachten in de jachthaven moeten blijven. Dat zijn de eerste $100. Vervolgens klaren we in en uit in een keer. Nog eens $100 waarvan een gedeelte zonder rekening gaat en in de zakken verdwijnt van de corrupte ambtenaren. Maar er is internet en het resort heeft twee zwembaden, voor ieder van ons een. Er zijn geen hotelgasten en het restaurant is gesloten. In het naburige gehucht met 1 zandpad en 5 huizen, vinden we een "zelfslachtende slager" die zojuist z'n enige rund heeft geslacht. In een houten schuur met getraliede ramen ligt een bloedende homp vlees waar we een kilo laten afsnijden. Onze verwachtingen zijn laaggespannen maar de komende dagen eten we het lekkerste hachevlees dat we ooit gehad hebben.

Costa Rica: la vida pura

We verlaten Puesta del Sol exact met laagwater en dat maakt alle verschil van de wereld uit. De drempel in de riviermonding stelt nu geen mallemoer voor en de golven breken pas op het strand. Moeiteloos kiezen we het ruime sop. In de beruchte golf van Papagallo pikken we een mooie nooordenwind op van 25 knopen en met een snelheid van 6,5 knopen komen we binnen anderhalve dag aan in Costa Rica. Wat is het hier groen, maar vooral: wat is het hier schoon! Dit is volgens ons het enige land in midden Amerika waar we vuilnistonnen hebben gezien en waar niet overal in de berm en in het water plastic ligt. Het is dus gewoon een questie van opvoeding en mentaliteit. Costa Rica moet het hebben van eco-tourisme (whatever that means) en heeft als slogan "La vida pura". Volgens onze enigszins gedateerde cruising guide is dit HET cruising gebied van Central America. Binnen een week zijn we er doorheen. De ankerplekken bieden in deze tijd van het jaar onvoldoende beschutting tegen zuiden wind en vooral niet tegen de zuidelijke deining. Als je met je dinghy aan land wilt gaan loop je eerst het risico op een nat pak in de branding. Daarna moet je de dinghy een pokke-eind het strand op trekken ivm het getijdeverschilvan 4 meter. Dinghy-docks hebben ze hier nog niet van gehoord. In Quepos liggen we zo enorm te rollen op de deining dat we besluiten de jachthaven in te gaan, om na het horen van de prijs van $135 per nacht, weer resoluut om te keren. De enige goed beschutte ankerplek vinden we in Tofino, onze laatste stop, op de grens met Panama. Hier treffen we ook 2 andere zeiljachten en een heus cruisers "honk" met bar en dinghy dock. Maar in plaats van de gebruikelijke begroeting en uitwisseling van informatie, zeggen deze zeilers amper hallo om daarna weer verder te gaan met hun internet. Zwijgzaam downloaden we de laatste gribfiles, gaan het dorp in om te bevoorraden en maken de boot klaar voor de laatste mijlen naar Panama. Dat was dan Costa Rica. We zijn blij dat we dit land een tijdje geleden uitgebreid verkend hebben per rugzak. Een stuk gemakkelijker. Bovendien zie je dan interessantere dingen dan resorts.

 

Unesco Wereld Erfgoed

Zodra je Tofino verlaat, ben je eigenlijk gelijk al in Panamese wateren. Als we het netjes volgens de boekjes zouden doen, moeten we ons nu ergens op het vaste land gaan inklaren. Maar dat is een omweg via alweer een ondiepe delta in de mangroves, en daar hebben we geen zin in. We besluiten ver weg van het vaste land te blijven en glippen 's avonds ongezien in kleine baaitjes op de Secas en Isla Coiba. Beide eilandengroepen zijn prachtige natuurgebieden met helder blauw water, witte stranden en dichte jungle met gekleurde vogels en duizenden bonte vlinders. 's Avonds horen we het geschreeuw van de brulapen.

Coiba is genoemd naar een legendarisch Indianen stamhoofd. Studies hebben aangetoond dat hier 500 AD al mensen woonden. Nadat de indianen verdreven of uitgemoord waren werd het eiland in beslag genomen door piraten. En nadat die opgehangen waren, werd het in 1919 een gevangeneiland. Een soort Alzatraz waarvan niet te ontsnappen viel vanwege de sterke stroming, krokodillen en haaien. Gevangenisbewaarders waren daar zo zeker van dat ze zich 's nachts vrijwillig afsloten van de gevangen en gingen slapen. Dat werd een zeiljacht dat in de baai voor anker ging noodlottig. De gevangenen sneden het zeilersechtpaar de keel door en gingen er met het jacht vandoor. Daar hoeven wij niet bang voor te zijn. De gevangenis is afgebroken en Coiba en omringende eilanden, 270.000 hectare, zijn in 1991 tot beschermd natuurgebied verklaard. Een van de grootste ter wereld met een Unesco Wereld Erfgoed-status. Er wordt uitsluitend ecotourisme en wetenschappelijk onderzoek toegestaan. Jachten mogen er tegen betaling van belachelijk hoge parkfees overnachten, maar niet aan land gaan. Wij hebben zo onze bedenkingen over de beschermde status van de eilandengroep. De meeste eilanden zijn onbewoond, maar er zijn ook enkele prive-eilanden en eilanden met luxe resorts. 's Ochtends en tegen het einde van de middag zien we dieselverslindende sportvissersboten in grote snelheid voorbij varen. Rijke Amerikanen hebben veel geld over voor een Blue Marlin. Als we onze ankerplek verlaten en langs de baai varen waar het rangerstation gevestigd zou moeten zijn, zien we tot onze verbazing een compleet vakantiedorp. Toeristen worden in snelle pangas vanaf het vaste land aangevoerd. Er ligt plastic in het water.....

Close call

Vanaf Isla Coiba zetten we koers richting Las Perlas, weer zo'n prachtige eilandengroep op slechts een dag varen vanaf Panama City. 's Nachts steken we de shipping lane over. We zijn blij met onze AIS-ontvanger. De tankers en vrachtschepen zien ons blijkbaar goed op de radar, want ze wijken vrijwel allemaal uit voor ons. Maar toch komt er eentje akelig dicht naast ons varen. Als we hem oproepen om te vragen of hij ons wel gezien heeft, antwoordt de stuurman: "ja hoor, zodra ik jullie op mijn beam heb begin ik in te draaien en kruis voor jullie langs". Opeens krijgen we het spaans benauwd. Volgens de AIS kan dat nl helemaal niet. Het scherm geeft aan dat hij binnen 30 sec op ons zit en in het donker lijkt dit daadwerkelijk ook zo te zijn. We roepen hem nogmaals op en nu zegt hij laconiek: "where are you? I don't see you anymore!" En op dat moment kijken we opeens tegen z'n heklicht aan dat al snel in de verte verdwijnt. Oef, dat moet je niet te vaak hebben. Je vraagt je wel af hoe nauwkeurig die AIS-systemen voor de pleziervaart zijn.

Parels

Las Perlas, ofwel de parel-eilanden, zijn juweeltjes. Ze hebben hun naam te danken aan de spaanse conquistadores, Morales en Pizarro, die in 1515 Koning Toe en zijn getalenteerde parelduikers gevangen namen als slaven. De 31 karaats "Peregrina" parel van Queen Mary Tudor komt hier vandaan. Gestolen dus. Waarom verbaast ons dit soort dingen niet meer?

Omdat zowel de CM93 als de Navionics kaarten hier afwijken, en we vanwege het bewolkte weer de dieptes niet met het oog kunnen inschatten, wagen we ons niet aan de nauwe passages door het rif maar beperken we ons tot de oostzijde van de hoofdeilanden. We beginnen in het zuidelijkste puntje van Isla del Rei en werken ons al eilandhoppend noordwaarts. Onze eerste kennismaking met de Perlas overweldigt ons een beetje. De ankerplek is bewust gekozen bij een klein dorp, Esmeralda, in de hoop dat we er nog een beetje versvoer kunnen vinden. Nog voordat we het anker hebben uitgegooid, zijn we omringd door tientallen boomstamkano's. Het zijn kinderen, jochies van een jaar of 8 die vragen om "chocolate", wat wij niet hebben. Teleurgesteld druipen ze af. Even later komt er een man met een zak vol mangos, een papaya en een advocado. Daarna een parelvisser met kreeft. 3 stuks voor $5. We hebben alleen maar een biljet van $10 en nemen er dus uit armoe maar 6. Gespannen kijken we toe hoe de vissen een parelschelp voor ons opent. Zou er eentje in zitten? Helaas. Maar de boodschappen zijn binnen. Voor de formaliteit maken we een wandeling door het dorp. Het ziet er armoeiig uit en het valt ons op dat er uitsluitend zwarte mensen wonen. Ze spreken geen spaans en al helemaal geen engels. Onze varende groenteboer komt ladderzat uit de cantina. Drie kleine jochies vragen of we "pipa" willen. We hebben geen idee wat dat is, maar laten ons graag verrassen. Ze nemen ons mee het bos in en dan klimt er een in een palmboom. Hij gooit een aantal jonge kokosnoten naar beneden: Pipa, pipa!

En zo scharrelen we nog een paar dagen langzaam van de ene mooie ankerplek naar de andere, om onze aankomst in de geciviliseerde wereld maar zo lang mogelijk uit te stellen. Het meest noordelijke eiland, Contadora, is een favoriete weekend bestemming voor Panamesen. We zien een "offerta" voor een strandstoel aan het zwembad van een shabby hotel en een lunchbuffet dat nog geen $10 waard is voor "slechts" $130 pp. Het eiland is qua natuurschoon mooi maar maakt met z'n vervallen en verlaten hotels sterk de indruk van vergane glorie.

Het is dat we door onze voorraden raken en niet te lang "illegaal" willen blijven dat we uiteindelijk met tegenzin koers zetten naar Panama City. We nemen ons heilig voor, om ,als we eenmaal de noodzakelijke dingen voor de boot geregeld hebben, nog een paar weekjes terug te gaan om nog meer parels te ontdekken.

Onverschilligheid en chaos in Panama City

"Als je in Panama iets gedaan wilt krijgen, moet je een hoop geduld hebben" lezen we in het cruisers handbook. En een goed gevulde portemonnee meebrengen. Dat laatste staat er niet bij, maar wordt meteen de eerste dag al duidelijk als we $400 kwijt zijn voor een stempel in ons paspoort en een vergunning om in Panamese wateren te mogen varen. Een paar dagen later tellen we nog eens $1800 neer voor de doorvaart door Het Kanaal. "Een symbolisch bedrag" zegt Julio, die onze boot formeel komt opmeten en inspecteren. "En als je de sluiswand niet in de prak vaart, krijg je bovendien $800 borg terug". Om 8.00 lieten we het "admeasurement office" weten dat we op de afgesproken plek klaar lagen voor de inspectie. Julio zou tussen 9.00 en 11.00 uur komen. Dat werd dus 15.00 uur, maar we waren al lang blij dat het niet "manana" werd. Bovendien is Julio een geschikte peer. We zijn z'n laatste klant voor vandaag en morgen is het "fin de semana" (weekend), dus Julio blijft gezellig 2 uur zitten kletsen. "Wat betekent het nieuwe kanaal in Nicaragua dat door de Chinezen wordt aangelegd voor Panama? ", vragen we hem. "Dat houdt ons scherp omdat het ons dwingt ons werk nog beter te doen", luidt het politieke correcte antwoord. Aha, Julio is duidelijk getraind door de Amerikanen. Maar direct er achteraan komt de Panamese arrogantie naar voren: "Wij zijn niet bang voor de Chinezen. Wij hebben meer dan 100 jaar ervaring en onze processen zijn geperfectioneerd. De Chinezen moeten nog van voor af aan beginnen". Hm, we vragen ons af of Julio enig idee heeft hoe efficient Chinezen te werk gaan.

Je zou verwachten dat een plek als Panama, waar jaarlijks honderden jachten gebruik maken van het kanaal om hun droombestemming in de Pacific of Carieb te bereiken, fasciliteiten voor cruisers heeft. Dat valt vies tegen. Ja, er is een full service jachthaven, maar die ligt vol met dure locale sportvissersboten en zit absoluut niet te wachten op buitenlandse jachten die klagen over een prijs van $2,65 per ft/dag. Met je dinghy aanleggen in FlamengoYacht Club kost $20, ook als je er komt eten of tanken. In het kleinere jachthaventje ernaast mag je voor $53 per week gebruik maken van het dinghy dock, maar er zijn nul fasciliteiten, nog niet eens een douche. Zij brengen $30 in rekening als je er komt tanken. Bovendien lig je daar onbeschut tegen de zuidelijke winden en lig je te rollen op de hekgolven van de loodsboten. Dan is er nog de Balboa Yacht Club. Die heeft moorings voor $30 per dag maar ook zij zitten vol. Vandaar dus dat bijna iedereen, wij dus ook, voor anker gaan in Las Brisas. Dat is gratis. Maar je moet wel halsbrekende toeren uithalen om aan land te komen.

Ondanks alles heeft deze plek wel wat. Links van ons zien we de containerschepen het kanaal opvaren en verdwijnen onder "La puente de las Americas", de brug die Noord en Zuid Amerika met elkaar verbindt. En aan onze rechterhand zien we de sky-line van Panama City met op de voorgrond "Casco Antigua", de oude koloniale stad met z'n sfeervolle pleinen en cathedralen. Van de 50 jachten die hier liggen, is nog geen handvol bewoond. En die paar cruisers die we ontmoeten zijn gestrand wegens pech, hebben het seizoen gemist of zijn door hun geld heen. Een groot aantal jachten is te koop, maar te oordelen aan de aangroei op het onderwaterschip of de gescheurde zeilen, loopt het niet zo'n vaart. Het goede nieuws is dat we deze maand minimaal $5000 aan liggeld en werfkosten uitbespaard hebben, waardoor welbeschouwd de kanaaldoorvaart gratis is. Sterker nog, we houden geld over om de buitenboordmotor fatsoenlijk te laten reviseren en gaan naar de scheepsjuwelier om een leuk kettinkje voor onze Zwerver uit te zoeken. Ook hier besparen we weer een paar honderd dollar omdat ze de kwaliteit die wij willen hebben niet hebben en ook niet willen bestellen. Bij de slijterij blijkt onze favoriete wijn in de aanbieding: 3 halen 2 betalen, dus is het huishoudbudget opeens toerijkend voor franse kaas en sausissons. En een leuke bijkomstigheid is dat we tijd over hebben. I.p.v. in tropische hitte op een stoffige werf te staan schuren en verven, rommelen we een beetje aan, bereiden de kanaaldoorvaart voor en crossen we voor 25 ct de hele stad door op zoek naar lampjes, olie, filters, etc. En passant proeven we eigen gebrouwen bier in "de gouden kikker" en laten we verse garnalen klaarmaken op de "mercado de mariscos".

 

Het kanaal is Panama en Panama is het kanaal

Het leek ons drie keer niks, dat kanaal. Chaotisch, hectisch, en vooral saai. Twee keer tijdens deze wereldreis zijn we van de Atlantische naar de Grote Oceaan gevaren. Twee keer wisten we Het Kanaal te vermijden en kozen we bewust voor een langer, meer avontuurlijker alternatief. Een keer beneden langs en een keer boven langs. We bewaren er onze beste herinneringen aan. Kou en harde wind namen we graag op de koop toe. Deze week hebben we onze zwaarweerpakken en donsslaapzakken bij het vuil gezet. En daarmee is de beslissing genomen: wij gaan terug naar de Carieb.

Er komt een berichtje binnen uit Nederland van Bert: "Marjolein wil dolgraag een keer door het Panamakanaal en biedt zich aan als line-handler. Ik kom wel mee voor de gezelligheid". En zo zijn we opeens spontaan verzekerd van de eerste 2 line-handlers. We krijgen er zin in. Via www.pancanlinehandler.com vinden we Alejandro, een Venezulaan die in Panama woont en werkt en dit avontuur ook wel eens wil beleven. Dat geen van allen ervaring heeft deert ons niet. Twee jaar geleden deden we immers 40 sluizen, waaronder het grote Wellandkanaal, gewoon met ons tweeen en ook nog eens met een lange mast op het dek.

Het organiseren van de kanaaldoorvaart is een peuleschil. Je hebt echt geen agent nodig waardoor je als snel $350 bespaard. Je vult het aanvraagformulier van de kanaalauthoriteiten in, geeft aan wanneer je gemeten wilt worden en wat je voorkeursdatum is. De hele procedure staat uitgebreid beschreven op internet en de inspecteur licht het ook nog eens uitgebreid toe. Je kunt zelfs je voorkeur aangeven over hoe je door het kanaal wilt: mid-chamber, side-wall of raften. Wij willen liever geen side-wall. Daarna ga je naar de City Bank met de clearance en het nummer dat de inspecteur je gegeven heeft om de doorvaart te betalen (cash). Jachten kleiner dan 50ft betalen $1800 waarvan $800 borg. Vervolgens bel je de "scheduler" om te zeggen dat alles geregeld is en deze bevestigt nog eens de datum en de procedure. Via de Balboa Yacht club huren we voor $60 4x 40m dikke landvasten die Alejandro later weer keurig inlevert. Je kunt deze lijnen ook voor $25 per stuk kopen op de zgn "dievenmarkt" in Panama City. 24 uur van te voren bel je de scheduler nog eens voor de laatste details en dan moet je gewoon zorgen dat je op tijd op de afgesproken tijd en plaats bent, om de "advisor ,een soort loods, op te pikken. Iedereen spreekt Engels en iedereen begrijpt dat het voor jou spannend is en herhaalt geduldig en vriendelijk de procedure. Het komt helemaal goed dus.
Of toch niet? Drie dagen voor ons vertrek houdt de buitenboordmotor er weer mee op. Zojuist gerepareerd voor $220, valt onder de garantie vinden we. De Mercury dealer denkt daar anders over. De monteur is opeens niet meer bereikbaar. De genoemde redenen varieren van "wij kennen geen Manuel"en "Manuel is met vakantie" tot "Manuel werkt hier niet meer". Het geld is binnen, ze laten ons dus gewoon barsten. Marjolein en Bert zullen in de San Blas dus moeten peddelen. Vervelender is de Yanmar dealer. Onze nieuwe motor is geleverd zonder sensoren voor de oliedruk en watertemperatuur. Onbegrijpelijk. 5 weken hebben we dagelijks met yanmar gecorrespondeerd, ze zijn aan boord geweest, hebben alles bekeken en gefotografeerd. No problem, manana, kregen we tekens te horen. Op de dag dat we onze gasten van het vliegtuig gaan halen zit er nog een monteur te sleutelen en krijgen we te horen dat deze sensoren "optioneel" zijn en dat er van hogerhand toestemming nodig is om ze uit het magazijn te krijgen. Na een spaanse scheldkannonade van de schipperse met "hogerhand" is het opeens letterlijk te elfder ure kostenloos geregeld. Snel naar de markt voor het laatste versvoer en dan in het spitsuur naar het vliegveld. We waren al niet zo gecharmeerd van Panama City maar nu staat de stad dus met stip bovenaan onze "fuck'it list".
En dan is de grote dag aangebroken. Vrijdag 26 augustus om 6.15 moeten we bij rode boei nr 14 zijn om onze "advisor" op te pikken. Harry heeft z'n personeel al vanaf 5.00 uur gemobiliseerd. Die zijn druk doende met koffiezetten, broodsmeren en 40 meter dikke trossen ontkluwen. Tegen half zeven roepen we Balboa Traffic center maar eens op waar onze man blijft. Die is onderweg, gewoon wachten bij rode boei nr 12. "Twaalf?" herhaal ik, "uno dos?" "Si, correcto, uno dos". Te oordelen aan het drukke marifoonverkeer en de 30 schepen die buiten op de rede liggen te wachten, zijn wij niet de enige ongeduldigen. We zetten vraagtekens bij de efficientie van het kanaalmanagement. Zou dat zijn afgenomen na de overname door de Panamezen? Of is dat een koloniale gedachte? Bert maakt een notitie in z'n dagboek om het uit te zoeken. Ondertussen draaien we nog maar weer een rondje en wordt een tweede pot koffie gezet. Om 7.45 uur, captain Harry's geduld is dan al ruimschoots op, worden we opgeroepen door de pilot. "Where are you? I'm waiting for you at buoy nr 16".
Een uur later gaan we door de eerste set sluizen, de Miraflores locks. Hier gaan we 2x9m omhoog. Vanwege het grote getijdeverschil in de Pacific, zijn dit de grootste sluizen. Een makkie voor onze linehandlers, maar wij zijn lichtelijk geirriteerd. Dat heeft te maken met de "advisor" die het commando overneemt (of met ons, beiden van nature moeite met het accepteren van authoriteit). We moeten langzij een rondvaartboot vastmaken. Op zich fijn. Maar met 40 meter lange lijnen is dat onhandig. Bovendien trekt de "advisor" de landvast uit mijn handen en trekt deze zo snoeihard aan dat de scepters onder de stootrand van de rondvaartboot komen. Ik maak de lijn tot zijn ergernis weer losser en verplaats een stootkussen. Waarom niet gewoon onze eigen kortere landvasten plus een spring? Nee, mag niet. Weer irritatie bij het uitvaren van de sluis. De "advisor" sommeert ons achteruit te varen om de rondvaartboot meer ruimte te geven. Dat gaat met een langkieler al niet zo geweldig, bovendien komen we in de draaikolken bij de sluisdeuren waardoor we over dwars komen te liggen. Uiteindelijk gaat allemaal goed, maar wel met wat onderdrukte ergernis. Kwestie van diep ademhalen en loslaten. 100m verder herhalen we het tafereel in de 2e sluiskamer, nu zonder irritatie, we leren snel. Na anderhalf mijl komen we bij de volgende set sluizen, de Pedro Miguel locks. Weer 9m omhoog. Ook hier weer langzij de rondvaartboot. Weinig spectaculaire actie tot nu toe. Zet die go-pro maar af Marjolein. Wel een beetje saai hoor. Wanneer gaan ze nou met die aapjes gooien?
Het volgende traject is een 7.5 mijl smalle, bochtige vaarweg, de Culebra cut, die helemaal uitgehakt is uit de rotsen en waarvoor ze een hele berg voor hebben moeten opblazen. In het Panamakanaal museum vertonen ze spectaculaire films waarop de ene explosie na de andere te zien is. Dit gedeelte van het kanaal was en is nog steeds onderhevig aan aardverschuivingen. In 1915 is het kanaal daarom zelfs een tijdje gesloten geweest. Oorspronkelijk was de Culebra-cut (Culebra betekent slang) slechts 92 meter breed. Door de jaren heen werd het steeds verbreed om steeds grotere schepen door te laten. Onlangs is dit deel verbreed van 152 naar 192 meter op de rechte stukken en naar 222 meter in de bochten, zodat het nu mogelijk is om 2 schepen uit tegengestelde richtingen tegelijk te laten passeren. Een aanzienlijke toename van de capaciteit en verkorting van doorvaarttijden. Het hele stuk is goed beboeid. Alejandro stuurt terwijl de rest ligt te luieren.
Het grootste deel van het Panamakanaal, 22 mijl, lijkt helemaal niet op een kanaal. Toen het kanaal werd aangelegd is er eerst een grote dam gebouwd in de Chagresrivier. Daardoor is er een kunstmatig meer ontstaan, het Gatun lake, met een oppervlakte van 423 vierkante km. Het meer heeft allerlei vertakkingen en eilandjes en is een uniek natuurgebied. Er leven brulapen, luiaards, crocodillen en zelfs jaguars. Volgens het boekje dan, want wij zien uiteraard weer niets. En natuurlijk een grote varieteit aan vogels en insecten. Aan de overkant van het Gatun Lake meren we af aan een giga grote boei. Hier gaat onze "advisor" van boord en blijven wij overnachten. Het is warm en klef weer en het water ziet er zeer uitnodigend uit. Maar ja, die crocodillen he. Onze linehandlers zijn moediger dan wij en springen er als eerste in.
De volgende ochtend, terwijl de voltallige Zwerverbemanning nog in het water ligt te dollen, worden we verrast door een loodsbootje dat onze nieuwe "advisor" komt brengen. De beste man is maar liefst 2 uur te vroeg! Opeens is het aktie geblazen. Motor starten, trossen los en hup daar gaan we weer. Deze keer gaan we als eerste de sluis in. Aan beide zijden lopen twee mannetje mee. Als we bijna voor de sluisdeur liggen wordt het eerste aapje gegooid. Nou dacht ik altijd dat het een rubberballetje was dat je moest vangen. Maar dit is een zwaar stuk lood die met een harde klap op de kuipbankjes terecht komt. Je zult het ding maar op de zonnepanelen, of erger, op je kop krijgen. Dan ben je pas echt in de aap gelogeerd! Aan het aapje zit een dunne lijn bevestigd die we met een paalsteek aan de lus van onze landvast bevestigen. Als alle 4 aapjes bevestigd zijn, trekken de mannetjes de lijnen strak zodat wij tijdens het schutten perfect in het midden van de sluis blijven liggen. Achter ons vaart een oud US Navy schip de sluis binnen. Zij krijgen geen aapjes toegeworpen maar worden perfect in het midden gehouden door 4 electrische treintjes. Het schip past er nog maar net in en heeft aan weerszijden nog geen 30cm speling. Langzaam komt het steeds dichter achterop varen. Het ziet er onheilspellend uit. Als de remmen van het treintje het nu begeven worden we verpletterd. We gaan nu 3x 9m naar beneden en kijken de diepte in. Indrukwekkend hoor! Binnen 10 minuten zijn we geschut. Als de sluisdeuren opengaan laten de mannetje de lijnen vieren en lopen met ons aan hun hand de volgende sluiskamer in. Het gaat allemaal op z'n elvendertigst, zelfs zo traag dat we de motor af en toe in de neutrale stand zetten. Maar we kunnen ons voorstellen dat dit nu ook weer niet de meest interessante baan is. Na 3 schuttingen zijn we weer op zeeniveau en ligt de Carieb voor ons. We zetten Alejandro aan land in Colon en vieren met Bert en Marjolein een geslaagde kanaaldoorvaart op het terras van Shelterbay Marina.

 

Portobello, relekwie van vervlogen tijden

Het slaperige vissersdorpje Portobello ligt in een goed beschutte baai op een halve dag varen vanaf Colon. We laten ons anker vallen tussen een stuk of 30 andere jachten, met voor, achter en naast ons, tussen de weelderig groene heuvels, de ruines van maar liefst drie forten. Op 2 november 1502, tijdens z'n 4e trip werd de baai "ontdekt" door Columbus. Twee eeuwen lang was het vanwege zijn strategische ligging het Caribisch overslagcentrum van de Spanjaarden. Vanuit deze haven werden tonnen goud en silver verscheept naar Sevilla, de toenmalige commerciele hoofdstad van het Spaanse rijk. Dat trok natuurlijk de onnodig aandacht van piraten. Niet van onze Piet Hein, want die lag dezelfde vloot op te wachten bij Cuba. Maar wel van Henry Morgan, die heel slim de op zee gerichte kanonnen ontweek en met een kleine troepenmacht van slechts 460 man het stadje aanviel vanaf land. En Frances Drake, met officiele kapersbrief van zijn beschermengel de Engelse koningin, was hier ook. Is hier nog steeds, als we de verhalen mogen geloven. Het schijnt dat ze hem in een loden kist op 60m diepte net buiten de baai hebben afgezonken. Om een of andere reden gaat dat verhaal er bij de Zwerverbemanning niet in. Heeft er dan niemand een poging gedaan die kist op te duiken? Volgens ons heeft een locale visser het lood op de zwarte markt te gelde gemaakt en het lijk aan de haaien gevoerd. Of zoiets.

Voor ons is Portobello de laatste mogelijkheid om nog wat versvoer in te slaan. Dat doen we bij de Chinees op de hoek. Er moet een hakbijl en hamer aan te pas komen om een stuk ondefinieerbaar vlees af te bikken. Daarna gaat het stelletje ongelovingen naar de kerk. Daar hebben ze namelijk een zwarte Christus die heilig is verklaard en wonderen kan verrichten. Voor Marjolein is dat niet meer nodig want die heeft net een nieuwe knie en loopt weer als een kiviet. Maar misschien kan ie wat aan die oren van Bert doen? Dat doet ie uiteraard niet als wij er zijn, maar ieder jaar op 21 october is het hier groot feest en komen bedevaartgangers van heinde en verre, soms op hun knieen helemaal vanuit Costa Rica.

In Portobello moeten we ook uitklaren want dat kan sinds kort niet meer in de San Blas nadat de Kuna indianen ruzie hebben gekregen met de Panamese authoriteiten omdat ze passerende jachten $5 per vierkante ft ($2400 voor onze boot!) wilden laten betalen. En dan krijg je dus een hele vreemde situatie. Een uitgeklaard schip en bemanning dat nog een tijdje in Panamese wateren rondvaart met gasten die nog wel ingeklaard zijn. Het lijkt ons niet helemaal zuiver. Het is niet de eerste keer dat Panama ons verbaasd en hoofdschuddend achter laat.

Bij de Guna Yala

De kreeften zitten al in de pan en de koude biertjes smaken prima. Toch voelt "happy hour" op onze eerste ankerplek in de San Blas niet zo "happy". Ongemakkelijk kijken we om ons heen en proberen de afstand tot het rif in te schatten. Met dit bewolkte weer zijn de kleuren van het water niet goed te zien. Op de kaart leek de ankerplek tussen Porvenir en Sailrock redelijk beschut maar naar onze smaak is het te open en liggen we te dicht bij het rif. Het is regenseizoen en als er een stevige onweersbui losbreekt met rukwinden uit het zuiden liggen we hier niet goed. Terwijl we met behulp van de Eric Bauhaus Cruising guide onze opties overwegen, komt er een Kuna indiaan naar ons toegepeddeld. Hij is klein van stuk en met een ontwapende glimlach stelt ie zich voor als Nestor. Met z'n hoofd knikt ie naar de lucht en vertelt ons wat wij al weten, nl dat het mooie weer van de afgelopen niet meer lang aan zal houden en wij hier niet goed liggen als het omslaat. "Come to my village, Nalunega, very near, very easy". Op de kaart wijst ie een kronkelige route dwars door de riffen aan. Hij ziet onze bedenkelijke gezichten. "Come, I show you". Nestor maakt z'n boomstamkano (ulu) vast en neemt het roer over. Over z'n schouder kijken we mee naar de dieptemeter. Die daalt, en daalt verder. Nog maar 1m onder de kiel. "Eh Nestor, our draft is 2m". "I know, I know, trust me". En het idiote is dat we dat dus doen. Een volslagen onbekende eilandbewoner in een boomstamkano die we ook nog zojuist een biertje hebben gegeven! Wat weet hij nou van kieljachten? Als we eenmaal veilig achter zijn eiland voor anker liggen en "happy hour" nog eens over doen, vertelt Nestor dat ie "delivery schipper" is.

De volgende dag staat een bezoek aan het dorp op het programma. Nalunega is maar een klein eilandje (je loopt er in een kwartiertje omheen) maar volgens Nestor wonen er ongeveer 500 mensen. De Guna Yala wonen letterlijk hutje-mudje op elkaar. De eenkamerhutjes hebben wanden van riet en een dak van palmbladen. De vloer is gewoon zand. Er is geen stromend water. Ook geen riolering. Het toilet is een klein hutje aan het einde van een steigertje met een gat in de vloer. Je kunt er met z'n tweeen gezellig zitten. In het natte seizoen wordt regenwater opgevangen in grote tonnen. In het droge seizoen halen ze water uit de rivieren op het vaste land. Electriciteit wordt opgewekt via zonnepanelen, een geschenk van de Panamese regering. De Guna Yala, er zijn er nog zo'n 55.000 (10% van voor de tijd van de Spaanse conquistadores) wonen verspreid over 340 eilandjes. Het gebied hoort officieel bij Panama, maar wordt autonoom bestuurd door een stricte stamhierarchie. Ieder dorp heeft minstens 3 stamhoofden, de Sailas, waarvan eentje de gekozen leider is. Ze vergaderen dagelijks in de "congreso", de grootste hut op het eiland. Als we door de deuropening naar binnen gluren, zien we in het midden een paar mannen in hangmatten met elkaar praten. Er zijn een paar "winkeltjes" die op hun schappen minder blikjes hebben staan dan wij in onze bilge. In het midden van het eiland staat een basisschool met een groot speelplein. Blijkbaar is het vakantie want de kinderen spelen allemaal buiten. Ze willen graag op de foto maar houden daarna meteen hun hand op: "dolar, dolar". De vrouwen (de meesten in kleurrijke traditionele klederdracht) zitten met de kleinste kindertjes bij elkaar en maken molas. Dit zijn kunstige naaiwerkjes met ingewikkelde patronen van diverse laagjes stof die ze verwerken in hun blouses. Tegenwoordig worden molas aan touristen verkocht en zijn ze een belangrijke bron van inkomsten. De vrouwen zijn gereserveerd. Ze beantwoorden onze groet maar lijken geen zin te hebben in een praatje. De Guna Yala leven van de visvangst. Crab en kreeft wordt verkocht aan touristen en geexporteerd naar het vast land van Panama en Colombia. Daar moet ook het versvoer vandaan komen want op de eilanden groeit behalve cocos, helemaal niets. We slenteren over zandpaadjes door de nauwe steegjes tussen de hutjes. Regelmatig lopen we over iemand's binnenplaats en begint er een hond agressief te blaffen. We voelen ons ongemakkelijk omdat je telkens ongewild de privacy van iemand lijkt te schenden. Het blijft toch een beetje "aapjes-kijken".

340 Eilanden. Marjolein en Bert hebben nog een week vakantie. Wat kun je doen in een week? Nou, eigenlijk nog verrassend veel. Je praat nl over Mickey Mouse-afstandjes in de San Blas. Soms vaar je niet meer dan 5 mijl. We maken een keus uit de buitenste onbewoonde eilandengroepen omdat daar het water niet vertroebeld wordt door modderige rivieren. Het snorkelen is er beter en de kans dat we op een rif lopen aanzienlijk minder.

 

 

 

Wachten op een orkaan

De voorlopig laatste etappe van onze wereldreis gaat van de San Blas via Colombia naar de ABC-eilanden. 600 Mijl tegen de stroom en heersende noord-oost passaat in. Voeg daar nog eens de nachtelijke onweersbuien aan toe en je weet dat dit nou niet bepaald een relaxed sunshine toertje wordt. De cruising guide noemt onze geplande route zelfs "difficult, if not impossible". We laten ons er niet door ontmoedigen. Na verdere bestudering van de wind- en stroom pilots leren wij nl dat de passaatwinden in de maand october ten westen van de ABC-eilanden op z'n zwakst zijn en het soms zelfs helemaal af laten weten. Bovendien kun je in dit jaargetijde gebruik maken van de depressies die vanuit de Kleine Antillen westwaards richting Cuba trekken. De staart van zo'n lage druksysteem zorgt een paar daagjes voor westelijke winden. Onze theorie wordt bevestigd door het advies van bevriende zeilers die ons vorig jaar zijn voorgegaan: "Gewoon wachten op een orkaan".
We breken het stuk op in hapklare brokken zodat we telkens een korte termijn (en hopelijk betrouwbare) weervoorspelling hebben. Na twee rustige dagen motorzeilen, arriveren we, begeleid door een groepje dolfijnen, in het prachtige Cartagena. We kennen de stad al van een eerder bezoek maar zijn voor de tweede keer onder de indruk. Aan weerszijden van de havenhoofden ligt een antiek ford met uitkijktorentjes en vestigingsmuren met kanonnen. We laten een uitgaand vrachtschip en onderzeeer voorgaan en melden ons keurig op kanaal 16. Maar als er niemand reageert varen we rechtstreeks door naar de ankerplek. Daar liggen we dan, op loopafstand van het oude centrum, met voor ons de pastelkleurige kerkkoepels, naast ons een oude vestingwal met kanonnen en achter ons de kranen van de vrachtterminal. Het voordeel van een tweede bezoek is dat we de touristische bezienswaardigheden zonder schuldgevoel voor gezien kunnen houden waardoor er meer tijd over blijft om ontspannen van pleintje naar terras en restaurant te cruisen. Als we zo'n beetje alle gerechten van de menukaart van dat ene leuke bistrootje geprobeerd hebben, is het weer tijd voor de volgende etappe naar Santa Marta. Makkie, slechts 110 mijl.
Het ging goed tot aan Baranquilla. Daar moeten we nog "even" het hoekje om. De wind trekt aan, er komen witte kopjes op het water en er staan vervelende kruiszeeen. 's Nachts trekt de wind verder aan tot 30 knopen. We kruisen hard aan de wind en maken weinig voortgaan. Met enige regelmaat duikt de Zwerver met z'n neus een golf in waardoor we voor een paar seconden helemaal stil worden gelegd. Opeens horen we boven het gejoel van de wind het geratel van de ankerketting. Harry rent meteen het voordek op, maar komt net te laat. Door de klappen op de golven en de kracht van het water, is de borgpin gebroken en het anker, inclusief 50 meter ketting, over boord gevallen. We halen de zeilen in en proberen de boot stil te leggen. Vrijwel onmogelijk. We hebben gelukkig een hele sterke ankerlier, maar door de rare bokkesprongen die we maken komen er extra krachten op de ketting te staan. We zijn bang dat ie breekt. Met een extra touw om de lier en dubbele spierkracht lukt het ons stukje bij beetje de ketting in te halen. Het is zwaar en gevaarlijk werk. Na iedere meter die we binnen halen, slipt er weer een halve terug waarbij we allebei onze handen open halen. Maar uiteindelijk na een uurtje zwoegen, ligt het anker weer in de rol. Nu dubbel geborgd met touwen op de kikker. Tegen het ochtendgloren neemt de wind af naar 20 knopen. Als de zon doorbreekt en we weer opgewarmd zijn, ziet de wereld er weer een stuk vrolijker uit. Toch duurt het nog een volle dag voordat we in Santa Marta aankomen. De eerst en gemakkelijkste helf zit erop. Nog slechts 340 mijltjes naar Curacao, naar Aruba nog maar 270.

Santa Marta mist de grandeur van Cartagena, is een stuk minder opgepoetst maar daardoor doet het "echter" aan. Het is er zeker niet minder plezierig om. Er zijn gezellige pleinen waar muziekanten, grafiti-kunstenaars en andere artiesten hun kunsten vertonen. Onder de bomen langs de boulevard staan kraampjes waar je zelfgemaakte ijsjes en vers vruchtensap kunt kopen. 's Ochtends liggen er zwervers te slapen en ruikt het naar Amsterdam, dwz pis en marihuana. Langs de drukke winkelstraten zijn aan beide zijden kraampjes opgesteld die allemaal dezelfde "made-in-China" prularia verkopen. Rond een uur of vier breekt er steevast een onweersbui los en verandert de straat in een tentenkamp met wapperende plasticzeiltjes. De verkopers laten hun koopwaar dan voor wat het is en zoeken beschutting in de portieks van de winkels. Het wordt extra gezellig in Santa Marta omdat we er tot onze verrassing naast een andere Nederlandse boot komen te liggen, de NOK, een prachtige Noordkaper. Anneke en Heinze tracteren ons op koffie met echte speculaasjes en Grolsch bier. Een paar keer gaan we samen lekker uit eten.

Ook de jachthaven is een positieve verrassing. Het is een zgn IGY-marina waar we met een golfkarretje van de tanksteiger naar het kantoor worden gereden, en in de receptie ontvangen worden met een flesje koude frisdrank. We hadden ons al neergelegd bij een pittige rekening maar een prijs van $0.50 per ft/dag valt reuze mee. Santa Marta is voor jachten van en naar de Carieb een gunstige stop. Het marina-personeel is professioneel en vriendelijk en de verplichte agent die je in Colombia moet hebben om de papierwinkel te regelen is hier gratis. Daarom is het des te jammer dat de Port Captain niet meewerkt. We spreken jachten die tot 3 weken moesten wachten op hun cruising-permit terwijl dat in Cartagena binnen een dag geregeld is.

Terwijl wij dagelijks de gribfiles en Atlantic outlook van NOA bestuderen in de hoop op een passerende depressie, maken we een stukje geschiedenis mee. Het vredesverdrag tussen de Colombiaanse regering en linkse guerilla beweging FARQ werd getekend. Deze week kan het gewone volk er ook nog hun zegje over doen in het referendum. Helaas voor de president, de opkomst is minimaal en de bevolking stemt tegen. Niet dat ze geen vrede willen, maar ze vinden dat terroristen gestraft moeten worden en niet beloond met een zetel in het parlement. Hmm, kunnen we ons iets bij voorstellen, maar toch was het voor de vooruitgang van het land beter geweest om de FARQ om te turnen tot een effectieve oppositiepartij. Wat merken wij ervan? Niet zo veel. Her en der verzamelen zich kleine protestgroepen op de trappen van een kathedraal. Er is opvallend veel gewapende politie op straat maar die zien we alleen maar op hun smartphone turen. Hopelijk blijft Colombia stabiel en wordt het in het binnenland nu ook wat veiliger. Men vreesde voor het aftreden van de president maar gelukkig heeft deze als verdere aanmoediging om vooral door te gaan op de goede weg, de Nobelprijs voor de vrede gekregen. Het is hem, en de hele Colombiaanse bevolking, van harte gegund.
Yoepie, "onze" depressie komt eraan! In de grafieken van NOA verschijnt een zgn tropical wave, een onrustig gebied met onweersbuien en regen, met (in eerste instantie) slechts 20% kans op ontwikkeling tot een tropische storm. Deze "wave" trekt met een snelheid van 20 knopen via Trinidad richting ABC eilanden en buigt dan af naar Cuba. Goh, wat een mazzel, kunnen we volgende week al verder. Het loopt echter iets anders dan verwacht. Tegen de tijd dat de Tropical Wave in de Carieb aankomt, is het ding al uitgegroeid tot Tropische Storm "Matthew". Bovendien komt de depressie een stuk lager door dan gepland en dreigen wij er opeens een staartje van mee te krijgen. Nog voordat ie afbuigt richting Haita en Cuba is het al een klasse 4 orkaan geworden. Ile a Vache, een favoriete bestemming voor cruisers, waar wij ook met plezier zijn geweest, ligt midden op z'n pad. Dat was nou ook weer niet de bedoeling! Terwijl Quantanama Bay uit voorzorg ontruimd wordt en op Haiti de opvangcentra al vast in gereedheid gebracht worden, maken wij onze boot zeilklaar. Wij willen meteen na "Matthew" vertrekken om te profiteren van de, voor ons, gunstige wind die daarop volgt. Maar het loopt alweer anders dan geplanned. De Port Captain sluit de haven voor een aantal dagen. Niemand mag vertrekken. Ook de grote vrachtschepen buiten op de rede niet. In eerste instantie balen we als een stekker. Maar als we twee dagen na Matthew zien met welke kracht de golven op de kust beuken en de deinig in de havenuitgang voor gevaarlijke brekers zorgt, zijn we blij dat wij hier veilig liggen en niet op Ila a Vache wonen waar ze als ratten gevangen zitten en geen kant uitkunnen. Na nog eens twee dagen wachten zijn de golven en de wind aanzienlijk afgenomen en vertrekken we alsnog richting ABC. Niet met een gewenste westenwind, maar op de motor zonder wind. Iets later dan geplanned komen we na een zeer voorspoedige tocht, veilig en uitgerust op Aruba aan. Op Ila a Vache (Haiti) zijn honderden mensen die al niet veel hadden, dakloos geworden. Ook daar kunnen de schepen niet uitvaren vanwege de ruwe zee of omdat hun boot verloren is gegaan. Het eiland leeft van de visvangst en leidt nu honger......

wordt vervolgd

 

terug naar logboek