British Columbia & Alaska Oct'14 - Sept'15

 

Terug op zout water

Zo ziet een gestripte Zwerver eruit: als veel werk. Het lijkt erger dan het is. Het opbouwen is een stuk motiverender en gaat dubbel zo snel als het strippen. En als Bert en Sheila ons niet schaamteloos vermaakt hadden in Seattle, waren we zelfs binnen een weekje zeilklaar geweest. Maar dan hadden we Pike Market gemist, geen rondleiding gehad op het hoofdkantoor van Starbucks, de zalmen niet zien springen in "de salmon ladder" en nooit geweten hoe een Concorde of de Airforce One van President Kennedy er van binnen uit ziet.

Nu we terug zijn op zout water merken we pas goed wat we gemist hebben op de meren: het dierenleven. Dat wordt dubbel en dwars goed gemaakt op onze proefvaart naar Port Townsend. Dit is de score na een dagje zeilen: tientallen springende dolfijntjes, even zoveel nieuwsgierige zeehondjes, een bultrugwalvis die minstens een half uur met ons meezwemt en afwisselend z'n rugvin en zwaaiende staart laat zien en als toetje een grommende zee-otterfamilie op de steiger. Dit belooft wat!

Overwinteren

Bij het woord "overwinteren" denk je waarschijnlijk aan de onfortuinlijke Willem Barentsz die tot 3 keer toe meezeilde naar het onbekende hoge noorden in de hoop een nieuwe handelsroute te vinden naar China, maar op Nova Zembla schipbreuk leed en aan scheurbuik stierf. Of aan nationale zeeheld Henk de Velde die de Noord-Oost passage jaren later ook probeerde maar door de Russen uit het ijs bevrijd werd. In Zuid-Amerika zagen we de "Northern Light" en de "Parati", twee van de zeven jachten die bewust maanden vastgevroren hebben gezeten in het pakijs van Antarctica. Dat is een andere categorie zeilers wiens boeken we graag en met respect lezen, het liefst voor de kachel met een warme kop chocomelk en een joelende wind door de verstaging voor de sfeer. Voor ons betekent "overwinteren" gewoon dat wij het te koud en te winderig vinden om nu door te zeilen naar Alaska. Tijdens de eerste de beste najaarsstorm hebben we onze ankerplek dan ook heel dapper ingeruild voor een steiger in het karakteristieke jachthaventje van Port Townsend. Iets minder origineel, maar wel een stuk comfortabeler!

We ontmoeten hier een frans jacht dat vorig jaar door de Noord-West passage is gezeild. Ook dat alternatief hebben we tijdens een ankerborrel wel eens overwogen. Het had op z'n minst een flink paar duiten en 38 sluizen gescheeld. "Ach, jullie hebben niets gemist", zeg Jean-Pierre geruststellend, "Patagonie was tien keer interessanter. En als je het deze zomer had gedaan, had je bovendien, net als die 8 andere jachten, je schip moeten verlaten omdat de doorgang dichtgevroren was". Kijk, wat zijn we toch weer verstandige zeilers...... En toch knaagt er iets..... Zijn we niet gewoon stinkend jalours?......al 8 jachten?!

Stinken als...

Wij hebben bijzondere buren. Ze blijken niet zo aardig als we aanvankelijk dachten en eerlijk gezegd is het wel een beetje een aso-familie. 's Avonds maken ze ons aan het schrikken als we in het donker over de steiger lopen en 's ochtends struikelen we over de etensresten. We zouden er nog mee kunnen leven als ze gewoon hun onderwatertoilet zouden gebruiken. Maar ja, dat is hier verboden.....

Echtpaar Otter en hun drie baldadige tieners glippen moeiteloos en vliegensvlug de steiger op waar ze als gekken over elkaar heen buitelen en lekker op hun rug over de ruwe planken liggen te rollen. Het is vreselijk grappig om te zien. Onze lol vergaat als vader otter besluit z'n territorium af te bakenen, pal voor onze boot. De rest van de familie doet er nog eens een schepje bovenop en wij zitten opeens met een stinkende derrie voor onze deur. Harry's dierenliefde kent grenzen. Als hij een emmer water over de steiger gooit draait vader otter zich nog even om, klaar voor de aanval, maar bedenkt zich dan gelukkig. Verontwaardigd huppelen ze er vandoor en kruipen met z'n allen in de dinghy. Ook heel grappig, vooral als het de dinghy van de buurman betreft.

Klusje van de dag week

"Vervelen jullie je niet?", wordt ons nogal eens gevraagd. Ons antwoord is dan altijd iets in de trant van "koop een boot en werk je dood". Vorig jaar, in de Carieb hadden we het meestal te druk met vakantievieren waardoor we alleen het meest noodzakelijke onderhoud hebben gedaan. Het gevolg is dat de klussen met een lagere prioriteit zich nu ergens onderaan de lijst opgestapeld hebben. Om te voorkomen dat ze er definitief af vallen, hebben we het "klusje-van-de-dag" aan boord geintroduceerd. Even voor de duidelijkheid: afwassen of boodschappen halen vallen niet onder deze categorie. De naaimachine wordt tevoorschijn gehaald en er komen weer fatsoenlijke sluitingen aan de zeilhoes. En omdat ie er toch nog staat worden de zwaarweerpakken meteen ook maar opnieuw gestikt. Het toilet wordt uit elkaar gehaald, van binnen gereinigd en van buiten geschilderd en nu dat apparaat even buiten op de steiger staat (wat ons overigens prompt een waarschuwing van de havenmeester opleverde) kunnen we de ruimte achter het toilet ook eens grondig onder handen nemen. Het verlengde bed (waar de schipperse met haar dikke kont doorheen is gezakt) krijgt (dankzij Kees) een nieuwe plank zodat we ons na een harde dag werken weer lekker kunnen uitstrekken. De verzakking in het vloertje in het vooronder wordt verholpen, het fornuis wordt beter in kadans gehangen, de drempel onder de deur krijgt een ventilatierooster, de betimmering achter het fornuis wordt in de epoxy gezet om delaminering tegen te gaan. Harry haalt alle slangen in de bilge en het motorruim eruit. Ze worden gechecked, schoongemaakt en waar nodig vervangen. De motorruimte zelf wordt op roest geinspecteerd, schoongemaakt en opnieuw in de epoxy en vet gezet. Als het weer het toelaat klussen we buiten verder. De oude navigatielichten, die al twee jaar op hun plaats werden gehouden met duct-tape, worden vervangen, evenals het toplicht dat het transport over de snelweg niet heeft overleefd. Verder werken we nog een aantal kleine beschadigingen van het antislipdek weg en worden de roestige doorade-pijpjes op het dek vervangen door kunstof. Onze buurman wordt al moe als ie naar ons kijkt: "Is there anything you don't touch on your boat?"
Er zijn ook "klusjes" bij waarop we ons verkijken. Als we bv onze kachel na 10 jaar weer eens aansteken zijn we blij dat ie het doet. Maar... dat de vlammen er aan de onderkant uitkomen konden we ons toch niet herinneren. Onze heatpol die van buiten nog zo mooi glimt, blijkt van binnen helemaal doorgeroest! Laten we nou de mazzel hebben een 2e hands Dickenson op de kop te tikken voor $100, compleet met pijpen en bochtjes. Past precies. Nou ja.... er moet "even" een nieuw gat in de stalen bulkhead gezaagd worden. En achter onze handgebakken delftsblauwe tegeltjes, waarvan er een aantal sneuvelen tijdens deze operatie, blijkt asbest te zitten. En de oude doorvoer naar het dek moet eraf geslepen worden. Oh ja, de dieselaanvoer moet ook een beetje verplaatst worden. En zo wordt een "klusje-van-de-dag" al snel een "klusje-van-de-week". En dan heb ik nog niet eens vermeld dat de drinkwatertank een haarscheurtje had en gelast moest worden.....

Thanks Giving: kill the turkey!

"The turkeys are here" staat op een groot spandoek boven de supermarket. 27 November is Thanks Giving oftewel national Turkey Day in de USA. Voor de Amerikanen is dit HET feest van het jaar, groter nog dan Kerst. Wij zijn uitgenodigd bij Bob en Peppe thuis om samen met hun familie en vrienden een 20 pond kalkoen soldaat te maken.

De gedachte achter Thanks Giving stamt uit de tijd van de eerste Europese immigranten, voor wie het leven een ware overlevingsstrijd was. Sommigen kregen het beloofde land nooit te zien omdat ze tijdens de barre overtocht al stierven. Bij aankomst bleek Amerika niet het land van melk en honing te zijn maar van droogte, stormen en overstromingen, hitte en kou, malaria en honger. De ene ramp volgde op de andere. Van de eerste 120 engelsen die zich in Jamestown vestigden waren er 9 maanden later nog maar 38 over. Soms verdwenen er zelfs hele kolonies, zoals die in Roanoke in de Chesapeak Bay. Ironisch genoeg waren het de indianen die de kolonisten leerden hoe te overleven. Naar aanleiding van recent DNA-onderzoek vermoedt men overigens nu dat de zgn "lost colony" in Roanoke niet uitgestorven is, maar zich vermengd heeft met de indianen.

Thanks Giving is geen religieus feest en ook geen feest van kadootjes geven. Maar er wordt gewoon even stilgestaan bij al het goede dat het afgelopen jaar gebracht heeft. De gastvrouw of heer zorgt voor de kalkoen en alle gasten brengen iets lekkers te eten of te drinken mee. Sommige gerechten zijn typische ouderwetse indianengerechten zoals zoete aardappelen, mais en pompoentaart waarvan de recepten van moeders op dochters zijn overgedragen. Lekker, maar ook erg machtig met veel boter en suiker. Wat de betekenis achter de kalkoen is weten we niet, maar die van Peppe was in ieder geval een groot succes!
In de grote steden vinden parades plaats. De grootste is de "Macy's Thanks Giving Parade" in New York, gesponsord door grote merken en warenhuizen. Hoewel Thanks Giving zelf geen commercieel feest is, is het wel de aftrap van het "Holiday season" naar Kerstmis toe. De dag na Thanks Giving wordt "Black Friday" genoemd. Als je dat wilt overleven kun je beter thuis blijven. De middenstand houdt een super uitverkoop, een soort "Bijenkorf dolle dwazen dagen" maar dan in het groot. Totale waanzin. Mensen staan uren van te voren al in lange rijen te wachten tot de deuren opengaan en rennen dan als dwazen naar binnen om de beste koopjes te bemachtigen. Bij de ingang staan kerstmannen met hun bel te klingelen en reclamefolders uit te delen. Op de terugreis naar Port Townsend moeten we ergens een uurtje wachten op de bus en om de tijd te doden stappen we een sportzaak binnen. We kopen er een Columbia winterjas voor $19.90 en krijgen nog eens 20% Black Friday korting. "Made in Indonesia" staat op het etiket. Ik durf te wedden dat de naaister nog nooit van d'r leven een gevulde kalkoen heeft gegeten.

De world famous San Juan & Gulf Islands

Na een maandje Nederland en nog eens een maandje 'house sitting" in Californie is het weer heerlijk om aan boord te zijn. Zonder verwarming, zonder 220 volt, al helemaal geen wifi, zonder auto of zelfs maar een fiets, zonder warm water, ja zelfs zonder douche of toilet. We hebben tijdens ons "verlof" weer een paar nieuwe woorden geleerd (daarover elders meer), maar "consuminderen" is iets wat de doorsnee landrot van ons zou kunnen leren. Oh jazeker hebben wij ook lekker meegedaan; met onze trendy smartphone en waterdichte tablet zijn we weer helemaal bij en zelfs te volgen op Facebook. Maar of we daar blijer van worden? Nog meer kabeltjes, opladers, dure abonnementen en vooral ergernis als die k-dingen net weer niet doen wat jij vindt dat ze moeten doen. En zijn we nu beter bereikbaar? Dat moet nog blijken.

Het is nog wel erg fris, maar ongebruikelijk zonnig en droog voor de tijd van het jaar. Zou de winter al voorbij zijn? Wat doet dat er eigenlijk toe? Het is prima weer om langzaam richting noorden te zeilen. "Gaan jullie er nu al weer vandoor?", zegt onze buurman. "Please send me a post card". De landvasten en de steiger zijn bedekt met een laagje rijp. Maar de motor start moeiteloos en een schraal winterzonnetje maakt het aangenaam. Het is leeg op het water. In ons kielzog zwemt een zeehondje. Gekrijs van meeuwen, kabbelend water tegen de romp, een thermoskan koffie in de kuip. Met de stroom mee steken we de Juan de Fuca-straat over. Het is rustig weer en daarom ondervinden we geen hinder van lastige draaikolken of kruiszeeen die hier nog wel eens willen staan als je het verkeerd geplanned hebt. Achter ons verdwijnt Port Townsend tegen het decor van de sneeuwbetopte Olympias. Voor ons zien we de grijze contouren van de San Juan eilanden. World famous, volgens onze pilot. We hadden er nog nooit van gehoord. Onze bestemming voor vandaag is Friday Harbour, een goed beschutte baai op het hoofdeiland, ongeveer 30 mijl varen. Het is ogenschijnlijk simpel navigeren, maar de stroming in de nauwe passen tussen de eilanden moet je niet onderschatten en goed plannen. We hebben zowel in de Cattle-pas als in het resterende stuk water naar Friday Harbour een knoop stroom mee. Het fijne van winterzeilen is dat het heerlijk rustig is op de ankerplekken. Er liggen slechts 2 andere jachtjes. De bodem loopt hier vrij steil af en daarom besluiten we een meerboei op te pikken. De marina's zijn nog tot 1 mei gesloten, de meerboei en het grandioze uitzicht op Mount Baker zijn gratis.

Volgens de weergoeroes blijft het milde winterweer aanhouden. We nemen daarom de tijd en scharrelen op ons gemak door de mooie eilandengroep. De San Juan-eilanden horen nog bij de Verenigde Staten. Ze gaan naadloos over in de Gulf-eilanden en die horen bij Canada. Officieel moeten we nu ergens inklaren, maar de vraag is waar. In een kleine marina die er erg gesloten uit ziet, vinden we een zgn Customs telefoon. Dat is een centraal meldpunt waar je je kunt aanmelden met een zgn canpass nr. Zo'n nummer hadden we nog van vorig jaar. We brengen de dienstdoende douaneambtenaar in verwarring. "Waar bent u nu? En wat was uw registratienummer? Bent u hier nu met dezelfde boot?". Hij heeft nu waarschijnlijk in z'n scherm staan dat onze laatste "port of call" Niagra-on-the-lake is. Dit is erg grappig, maar de man laat zich niet van de wijs brengen en geeft ons onverstoorbaar groen licht om Canada in te gaan. De Gulf-islands zijn net zo mooi als de San Juan-island. Mooier nog, want het is ruimer en veel minder bebouwd. Ook zijn de huizen veel beschaafder als in de USA, gewoon Europees formaat. Het doet zelfs een beetje Zwitsers aan met al die kerstbomen en houten chalets. Hier hebben we echt alle ankerplekken voor ons zelf. We zien veel watervliegtuigjes die met veel lawaai landen en opstijgen pal naast onze boot. Via de Gabriola-pas, de meest noordelijke pas in de Gulf Islands, worden met een uitgaande stroom van 4 knopen in de Strait of Georgia gespugd. Aan de overkant, omringd door hoge bergen, ligt Vancouver. Die bergen zijn van verre al te zien, maar de stad blijft verscholen tot het laatste moment. Er liggen een tiental grote vrachtschepen op de rede. Vlak voor het strand en de hoge wolkenkrabbers draaien we stuurboord uit onder de brug door, False Creek in. Bij het douane-dock leggen we braaf aan om officieel in te klaren. Er is geen kip en ze luisteren ook geen marifoon uit. Je moet ze bellen of online contact opnemen. Ons amerikaanse telefoonabonnement doet het hier niet en wifi hebben we hier ook niet. Daar sta je dan met je gloednieuwe smartphone en waterdichte tabletje. Kanaaltje 16 dan maar?

 

Veelzijdig Vancouver

 

Het klikt meteen tussen ons en de stad, die vernoemd is naar/door? door onze landgenoot Van Coevorden. We ankeren op False Creek, een doodlopende kreek in het centrum van de stad. Aan beide oevers een groen park met daarachter glazen woontorens en daarachter de sneeuwbetopte bergen van de Coastal Mountains. De natuurlijke ligging van de stad is perfect. De Vancouvenaren lopen niet voor niets op te scheppen dat je hier in het voorjaar voor de lunch kunt gaan skien, vervolgens de hele namiddag lekker kunt zeilen in English Bay en dan op tijd terug bent voor happy hour in een van de gezellige tentjes in de multiculturele binnenstad. En die sfeer straalt het ook exact uit.

 

Een van onze favoriete plekken is Granville Island, vroeger een maritiem industriegebied, nu een uitgaansgebied met een gezellig markt, goede eettentjes, een brouwerij met proeflokaal, leuke snuisterijen winkeltjes, heel veel kleine ateliertjes waar je kunstenaars aan het werk ziet, alternatieve theaters en straatartiesten. Het leuke is dat het er niet zo opgedirkt uitziet. Zo staat er bv nog een werkende oude cementfabriek die door Braziliaanse kunstenaars in vrolijke kleuren is geschilderd. Bovendien is het maritieme karakter niet verdwenen. Het ligt er vol met jachten, er is een werf met kleine workshops en in de oude visserijhaven leggen nog steeds de viskotters uit Alaska aan. Je kunt er verse kabeljauw, zalm en halibut kopen. Of beter nog, gewoon op houten bankjes met je vingers heerlijke fish & chips eten.

Het commerciele centrum ligt op de andere oever van de rivier, ook op loopafstand. Net zoals in Toronto, zijn hier veel Aziaten naar toe getrokken. Ook hier hebben ze een levendig Chinatown. Niet specifiek voor touristen, maar vooral voor de bewoners zelf, met winkels zoals je die in Hongkong ook ziet, chinese drogisterijen met bizarre gedroogde beesten en misterieuze poedertjes, een chinees cultureel centrum, een tempel en een park.

De leverancier van onze defecte autopilot zit ook in Vancouver. In de fabriek worden alle onderdelen doorgemeten en waar nodig gerepareerd. Ook de oude onderdelen die we als reserve hadden bewaard. Het fluxcompas moet vervangen worden en er moet een stabilisator bij komen. Au, dat doet zeer, een rekening van $1300,-. Gelukkig staat de Canadeze dollar laag. Als het hele zootje weer ingebouwd is moeten we testrondjes varen om de autopilot opnieuw te calibreren. Het ziet er naar uit dat alles werkt zodat we ook weer lange afstanden kunnen varen zonder verkleumd te raken.

 

He, wat is dat nou? Dat lijkt wel een nederlandse vlag daar op die blauwe boot. Even later gaan we op "kraamvisite" bij de "Pinta" die er onlangs in Victoria een bemanningslid, Matias, bij gekregen heeft. Het eerste kindje van Maarten en Marianne, Daniel is ook onderweg aan boord geboren, in Valdivia in het koude Patagonie. Volle bak dus. De Pinta, een stalen Van-der-Stadt, is qua grootte en inrichting vergelijkbaar met de Zwerver. Voor ons dus een raadsel hoe dat allemaal reilt en zeilt, maar we vinden het wel heel erg leuk. Daniel kent al een paar belangrijke woorden en wijst met z'n vingertje als er weer zo'n grappige watertaxi voorbij komt. Verrukt zegt ie telkens weer: "boot". Zij zijn vorig jaar uit Alaska gekomen en willen nu (of later) op een af andere manier richting de oostkust van Noord Amerika. Behalve een gezellige middag, wordt het dus ook nog een nuttige uitwisseling van informatie.

 

Museumweer

De water- en dieseltanks zijn gevuld, we hebben voldoende voedsel voor een hongerwinter ingeslagen en de weersvoorspelling ziet er goed uit. We staan vroeg op, zetten een pot koffie, doen de afwas, nog een laatste controle of alles klemvast staat. Maar als Harry z'n hoofd uit het luik steekt zegt ie heel resoluut: "we gaan niet, het regent, ik duik m'n nest weer in". We hebben allebei slecht geslapen vanacht. Er stond een stevige stroom en het was buiig weer waardoor een grote stalen schooner aan de haal ging. Nadat ie eerst een klein motorjachtje geramd had, kwam het schip op enkele meters van onze boot tot stilstand. De bewoners waren niet aan boord. Uit voorzorg hebben we wat extra ketting gegeven maar je slaapt dan toch niet rustig. Als we ons slaaptekort hebben ingehaald concluderen we dat het mooi weer is voor een bezoekje aan het maritieme museum. Nu hebben we op deze reis ondertussen wel de nodige maritime musea gezien, maar deze is toch weer bijzonder want daar staat de St. Roche. Zegt je niets? Dan zullen we je even bijpraten.

De St Roche is een ruim 30m (105 ft) houten schooner, in 1928 gebouwd in Vancouver als patrouille- en bevoorradingsschip voor de Innuitdorpen in het Arctisch gebied. Met hondesleden (er staat een opgezette husky op het dek!) werden de meest afgelegen gehuchten bereikt. In 1940 kreeg kapitein Larsen de opdracht van de Canadese regering, om via de Noordwest Passage naar Halifax aan de oostkust te zeilen, met als doel om in deze onstabiele oorlogstijd voor de zekerheid nog maar eens de Canadese souvereiniteit in het Arctisch gebied vast te leggen. De barre tocht duurde 28 maanden waarvan 2 winters vastgevroren in het ijs werden doorgebracht. Onderweg pikten ze een Innuit-gids op die met z'n vrouw, 5 kinderen en 17 sledehonden in een tent op het dek sliepen! Nadat ze in Halifax een aantal reparaties hadden uitgevoerd, zeilde de St Roche via een iets noordelijke route in de zomer van 1944 terug naar Vancouver. Deze keer in slechts 86 dagen. En daarmee is de St Roche niet alleen het eerste schip dat de Noordwest Passage bedwong in een enkel seizoen, maar ook het eerste schip dat de Noordwest Passage in beide richtingen gezeild heeft. Vijf jaar later zeilde de St Roche via het Pannamakanaal nog een keer naar Halifax en daarmee werd het ook nog eens het eerste schip dat Noord Amerika gerond heeft.

We zijn onder de indruk. Niet alleen van deze prestaties, maar vooral van het schip zelf. Alles aan de St Roche is superzwaar en oerdegelijk uitgevoerd. Maar door de juiste lengte/breedte verhouding en de mooie zeeg maakt het schip geen lompe indruk. Toch heeft het een waterverplaatsing van maar liefst 323 ton! Ook binnen is alles fraai afgewerkt met warm hout, ruime vertrekken voor slechts 8 bemanningsleden en een gezellige eetruimte. Even ter vergelijking: de Beagle was kleiner, 90ft en had 75 bemanningsleden aan boord. De romp is gebouwd van 7cm dik sparrehout met daaromheen nog eens een extra harde laag 4cm Ironwood uit Australie. De boeg is beschermd door een stalen plaat. Op het dek ligt een reserve propeller van ruim een meter doorsnee. We vragen ons af hoe ze die in godsnaam hadden willen monteren in dat koude water. Ze hadden zelfs een reserve roer bij zich.

 

Hoezo Sunshine coast?

In daghopjes zeilen we door de Strait of Georgia verder naar het noorden. Dit gedeelte van de westkust word de Sunshine coast genoemd, omdat het in vergelijking met de rest van Canada de meeste uren zon krijgt. Ook buiten het zomerseizoen, in de maanden mei/juni en september/october kun je het treffen met het weer. Maar, zo lezen we in de pilot, "in the winter months the "raincoast" is best left to hardened commercial skippers while recreational boaters snuggle up next to the fire". We komen inderdaad geen enkele andere zeiler tegen. Wel een sleepboot die een enorm eiland van boomstammen achter zich aan sleept. Er is veel commerciele houtkap in dit gebied. Met enige regelmaat moeten we grote boomstammen ontwijken die door de hevige regenval van de laatste tijd van de berghellingen gesleurd worden. De laaghangende regenwolken boven Vancouver Island zien er dreigend uit, en aan het vele mos op de rotsen kunnen we zien dat het meestal niet bij een dreiging blijft. Maar wij houden het droog. Het water is hier erg diep zodat je dicht langs de rotseilandjes kunt varen waarop zeehonden liggen te "zonnebaden". De ankerplekken zijn allemaal even mooi en heerlijk rustig.

Indianenverhalen

Het merendeel van de waterwegen, fjorden en eilanden langs deze kust zijn in kaart gebracht door kapitein George Vancouver die hier in 1792 twee jaar rond voer met de Discovery en de Chatham, op zoek naar de Noord-Westpassage. Maar het is te gek voor woorden dat het land ook door hem "ontdekt" zou zijn want er woonden nl al lang mensen. Bovendien was Vancouver ook niet de eerste europeaan die hier zeilde. Het grappige is nou juist dat we dankzij de logboeken van Vancouver en zijn botanist Menzies veel te weten zijn gekomen over de oorspronkelijke bewoners van dit land.

De westkust indianen verschilden niet alleen in uiterlijk van de oostkust indianen, maar hadden ook een hele andere cultuur en gewoonten. Zo werd bv niet de dapperste krijger gekozen als opperhoofd, maar kenden de westkustindianen een star klassensysteem met aan het hoofd een kleine, door erfrecht bepaalde elite, een grote middenklasse en een onderklasse van slaven, gevangengenomen indianen van rivaliserende stammen. Mede om die reden waren er antropologen die suggereerden dat de westkustindianen, afstamden van de Polynesiers. Maar andere wetenschappers ontkennen dat en beweren dat er tijdens het onderzoek interpretatiefouten zijn gemaakt veroorzaakt door taalproblemen. Ook Thor Heyerdahl dacht dat er verwantschap bestond met de Polynesiers. Maar ook zijn opvatting, dat de Polynesiers uit Zuid-oost Azie eerst naar Alaska zijn gezeild, wordt tegenwoordig naar het rijk der fabelen verwezen.

Het schiereiland Sechelt, "The land between two waters" werd ooit bevolkt door de Tuwanek-group, die verdreven werden door de commerciele houtkappers en viskwekerijen. Niet alle indianenstammen zijn echter verdwenen. De Sechelt-groep (Shishahl-nation) heeft na een lange en harde strijd in 1988 eindelijk politieke autonomy gekregen en waren daarmee de eersten in Canada. Deze stam staat bekend om z'n mooie houtsnijkunst. Hun totempalen vind je overal in deze regio.

Wat precies de functie van een totempaal is is ons niet helemaal duidelijk. Ze beelden een soort mythologisch verhaal uit met afbeeldingen van belangrijke dieren, zoals de beer, de wolf, de arend, de orka en de raaf. De raaf (hier met uitgestrekte vleugels) wordt gezien als een soort opperwezen die de mens gemaakt heeft. Deze Kwatamus totempaal is door een Sechelt indiaan gemaakt in 1997 ter nagedachtenis aan de Kwatamus-groep die hier vroeger leefden.

 

De Skookumchuk narrows

We zijn onderweg naar de Louisa-inlet, een zij-arm van de Jervis inlet, een fjord ten noorden van Vancouver dat maar liefst 40 mijl landinwaarts gaat. Maar om daar te komen moet je eerst door de Malibu-rapids waar een stroom kan staan van 9 knopen. Om vast in de stemming te komen besluiten we een kijkje te nemen bij de Sechelt rapids in de Skookumchuk narrows. We parkeren de boot aan een openbare steiger in het gehucht Egmont, genoemd naar de plaatselijke postbode die hoogstwaarschijnlijk uit Nederland kwam. Via een mooie wandeling door een erg donker en drassig dennebos komen we op het juiste moment bij de Skookumchuk stroomversnellingen. Skookumchuk betekent "wild zout water" op z'n indiaans en doet z'n naam eer aan. Van verre kunnen we het water al horen. Volgens de stroomtabellen staat er nu een uitgaande ebstroom van 12 knopen. Ik krijg er buikpijn van. Weet niet of dit uitje zo'n goed idee was......

 

Beer aan boord

Die nacht worden we opgeschrikt door gestommel aan dek. Er valt iets met een harde bonk op de kuipbankjes. Oh nee toch, dit is "bear country" en wij hebben een tupperware bakje met een gehaktschotel buiten laten staan. Wat dom! Als we voorzichtig het schuifluik openen, zien we overal etensresten liggen. Het "beest" trekt zich niets van ons handgeklap en getjsss aan en eet ongestoord verder. Pas als het bakje helemaal schoongelikt is kijkt ie nog een keer met z'n kraalogen brutaal in het schijnsel van de zaklantaarn en gaat er dan op z'n dooie akkertje van door. Gelukkig was het een kleine beer ........ een wasbeertje.

 

Een bijzondere aanlegplaats

Van Egmont naar de Malibu-rapids is een afstandje van ongeveer 30 mijl. Maar omdat we er exact met doodtij moeten zijn en hier niet in het donker willen varen, moeten we ergens in de Jervis-inlet een overnachting inlassen. Als we de kaart bestuderen zien we wel een paar inhammetjes maar die zijn te diep. Ook de pilot geeft geen aanwijzingen. Een visser adviseert de Vancouverbay. Als we daar aankomen blijkt er nergens goede ankergrond of een diepte minder dan 30m te zijn. We proberen het een paar keer maar trekken het anker steeds weer los. Wat nu? De oplossing ligt aan de overkant van de baai: een enorm veld van boomstammen, in bundels bij elkaar gehouden door dikke kabels. Voorzichting leggen we de boot langzij. Maar om een landvast door de kabels te halen moet een van ons overboord stappen op die glibberige boomstammen. Zijn de kabels strak genoeg? Gaan de boomstammen niet rollen? Harry offert zich op en klaart het klusje binnen een minuut zonder natte voeten te krijgen. En nu maar hopen dat ze het veld niet wegslepen.

 

Nattigheid in de Princess Louisa inlet

We hadden geen slechter weer kunnen treffen. Regen en wind op de neus. De bergtoppen verdwijnen in een laaghangend wolkendek. Niet erg uitnodigend, maar indrukwekkend is het wel. Als verzopen katten komen we een uur te vroeg bij de Malibu-rapids. Voorzichtig varen we er zo dicht mogelijk langs. Het ziet er kalm uit, we wagen het erop. Een eitje, waar hebben we ons in godsnaam druk over gemaakt? Op het moment dat we er doorheen varen klaart het op en even laat de zon zich zien. Er opent zich een spectaculaire baai voor ons. Het water is spiegelglad, voor achter en naast ons ploppen tientallen zeehondekopjes uit het water. Aan beide zijden rijzen 2000m hoge granieten wanden steil omhoog. De dieptemeter geeft 180m aan en daarna niets meer. Het smeltwater komt in honderden watervallen naar beneden. Aan het einde van de baai naast een grote waterval, meren we af aan een drijvende steiger. Daar liggen we dan. Moederziel alleen. Maar wat is dit vreselijk mooi!

 

In stroomversnelling door Desolation Sound

Na een paar dagen "niks-doen" in de Louisa-inlet, varen we verder noordwaarts in het kielzogvan een gefrustreerde capitein Vancouver, die dit doolhof van verraderlijke waterwegen, met honderden rotseilandjes, inhammetjes en verlaten indianendorpen, omdoopte tot Desolation Sound. Tegenwoordig is dit beschutte vaarwater het grootste marine-park van Canada, in de zomer zeer populair onder motorbootjes en kayakkers. Maar het lijkt er op dat wij weer de enigen zijn die voor de lol onderweg zijn. Er is bijna geen wind en omdat we toch niet kunnen zeilen, kiezen we voor de "scenic-route" door de kleinere kanalen. Dat heeft echter als nadeel dat we door een aantal stroomversnellingen moeten en die moet je met behulp van de getijdetabellen goed plannen. Het is even een gepuzzel omdat er zoveel bijkomende factoren zijn die de stroomrichting bepalen. Als je ze rond doodtij neemt is het over het algemeen heel goed te doen. Maar soms kun je dat niet exact plannen. De Yaculta-rapids nemen we een uur voor doodtij omdat we anders de volgende stroomversnellingen niet meer halen. Voorzichtig naderen we de stroomrafeling. Om ons heen borrelen bellen op die zelfs een zwaar schip als de onze gewichtloos lijken te maken. De grip op het roer verslapt. En hoewel de motor vol bij staat, loopt onze snelheid terug naar 2 knopen. Af en toe gaan we door metersbrede draaikolken die ons abrupt 90 graden van koers slingeren. Overal drijft debris, soms hele bomen met wortels en al. Ik ga op de punt staan om aanwijzingen te geven en Harry stuurt ons er met vaste hand door heen.

 

Ontmoetingen aan de steiger

Het is niet zoals in Patagonie waar je in de kanalen echt helemaal niets meer tegenkomt. Wij meren tegen het eind van de middag meestal af aan een openbare steiger van een buurtgemeenschap. En dat is leuk. Je moet je daar overigens niet een echt dorp of zo bij voorstellen. Meestal is het gehucht niet meer dan een pompstation, winkel en postkantoor en dan vaak ook nog drie-in-een. Je kunt er diepgevroren kip kopen maar ook cirkelzagen. De naaste buren wonen minimaal een mijl verder weg, op een ander eiland of in een andere baai. Omdat hier geen wegen meer zijn, gaat alle transport over water. De steiger is behalve een handelspost ook meteen een sociale ontmoetingsplaats waar de laatste nieuwtjes uitgewisseld worden. Een buitenlands jacht trekt onmiddellijk de aandacht en wij hebben dan ook geen gebrek aan aanspraak. Het soort mensen wat we ontmoeten zijn allemaal "buiten"-mensen zoals vissers en houthakkers, gespierd, blozende wangen, gekleed in spijkerbroek, fleece-jack en rubberlaarzen. In Neville worden we welkom geheten door Chad, een missionaris die met z'n "mission-boat" de afgelegen families bezoekt. We kunnen ons goed voorstellen dat er in dit gebied behoefte is aan een soort sociaal-werker omdat je wel haast gek moet worden van eenzaamheid.

Chad vertelt dat de eerste zwarte beren al gesignaleerd zijn. Normaal komen die pas tegen het einde van april uit hun winterslaap, maar de lente is vroeg dit jaar. Vorig jaar kreeg hij bezoek van een dolgedraaide Grizzly beer die hij uit verdedeling heeft moeten neerschieten. Dit tot grote ergernis van de natuurbeweging. Deze aktie kostte hem een boete van $350 en daarvoor mocht hij de huid niet eens houden. Hij heeft de beer moeten afzinken!

Even later ontmoeten we ook z'n buurman, Steve Hanson, een nazaat van de oorspronkelijke Noorse immigranten, die hier eind 19e eeuw een handelspost en postkantoor begonnen. We hadden tijdens een wandeling het graf van z'n overgrootouders al gezien. Het huis staat er nog, maar de winkel en het oudste postkantoor van Canada zijn 3 jaar geleden gesloten.

Storm en een indiaan op ons dak

Er trekt een hoog druk gebied over ons heen en dat brengt heerlijk zonnig weer maar wel met een frisse noordenwind. Meestal vertrekken we 's ochtends vroeg tegen een uur of zeven en ontbijten we onderweg. Dit is het mooiste moment van de dag, als de zon door de ochtendnevel breekt en de witte bergtoppen te voorschijn komen. Met enige regelmaat zien we dolfijntjes, en vrijwel iedere dag zeehonden, zeearenden en grappige zwart-witte eendjes. Ook de ganzen zijn weer onderweg naar het noorden en vliegen in V-formatie voorbij. Met Pasen zijn we in Alert Bay, een indianendorp met gekleurde houten huizen op palen. 's Zomers is dit een touristische trekpleister. Vanaf een afstandje zien de fel gekleurde paalwoningen er fleurig uit, maar als we eenmaal afgemeerd hebben blijkt het dorp nog in diepe winterslaap te zijn. Veel woningen zijn onbewoond en een aantal zelfs dichtgespijkerd. Groen uitgeslagen motorbootjes met half afgescheurde dekzeilen liggen vol regenwater te verrotten langs de al even verrotte steigers. Voor sommigen is geen redding meer mogelijk. Bij een donkere, dubieuze liquorstore met tralies voor de deur, kopen we een sixpack belgisch bier en gaan lekker in onze kuip zitten. We hebben uitzicht op de "burial grounds" waar tientallen totempalen staan. Sommigen oud en verweerd, anderen nieuw met moderne felle kleuren. Eentje heeft er het loodje gelegd en heel symbolisch plaatsgemaakt voor een kruisbeeld.

Maar in dit gebied blijft het mooie weer nooit lang aanhouden. Er zit ons een serieuze storm op de hielen en die willen we uitzingen in Port Hardy, het meest noordelijke plaatsje op Vancouver Island en voorlopig de laatste plek waar we onze tanks kunnen vullen en kunnen bevoorraden. We meren af aan een openbare steiger voor het centrum van de stad. 's Nachts worden we opgeschrikt door gebonk en gestommel op het dek. Deze keer is het geen beer maar een indiaan, zo dronken als een maleier! Erg dapper zijn ze tegenwoordig ook niet meer, want na een flinke gil van ons rent Kluk-Kluk er als een bange haas vandoor.

De storm baart ons meer zorgen. Het is een flinke depressie met windsnelheden tussen de 57 en 63 knopen en een heus oog in het midden. We liggen weliswaar in een goed beschutte baai maar aan lager wal aan een drijvende steiger met nog maar 30 cm water onder de kiel. Het water zakt iedere dag een beetje verder en als deze storm te lang aan houdt raken we een keer aan de grond. Ons volgende traject is een lastig stukje open oceaan met gevaarlijke ondiepten en verraderlijke stromingen. Naast ons ligt de reddingsboot van de kustwacht. Dat is uiteraard een prettige gedachte voor het geval er iets mis gaat, maar het aardige is dat de kuswachtjongens zelf ook zeilers zijn en dit gebied natuurlijk op hun duimpje kennen. We volgen hun advies op en vinden beschutting in een veilige ankerplek op een van de eilandjes voor de kust. De oversteek wordt hierdoor korter en bovendien kunnen we hier veel beter de condities buitengaats inschatten. Zodra de storm over is en de zee weer gekalmeerd is steken we zonder problemen de Queen Charlotte Sound over.

 

Orkas!

Op een druilerige dag varen we op de motor richting Klemtu. Het is een saaie tocht, de lucht en het water hebben dezelfde grijze kleur. Met de verrekijker speuren we naar de ingang van het smalle kanaal als we opeens afgeleid worden door fonteinen. Walvissen? "Ik zie drie hele grote vinnen uit het water komen", zegt Harry. "Het zijn vast orkas". De vinnen komen met grote snelheid recht op ons af, zodat we ze al snel met het blote oog kunnen zien. Orkas tuimelen niet zoals dolfijnen en duiken ook niet zoals walvissen. De staart krijgen we niet te zien. Het lijken net onderzeeboten die vlak onder het wateroppervlakte zwemmen. Eerst zie je een klein zwart topje en dan komt er wel een meterlange zwaardvin omhoog. Die vin is veel groter en slanker dan we ons voorgesteld hadden. Twee van de drie ontwijken ons maar de derde is nieuwsgierig. Op een paar meter van de boot komt hij met een diepe zucht boven, kijkt ons even aan en gaat er dan weer snel vandoor. Wow, dat was indrukwekkend!

 

Een Spirit Bear in Butedale

Onze volgende stop na Klemtu, een van de meest deprimerende indianendorpen die we tot nu toe gezien hebben, is Butedale. We meren af aan een lange gammele steiger waarvan een flink aantal planken ontbreken. Er zijn geen bolders om de landvasten op te beleggen dus die gaten komen wel van pas. Op een bordje staat "betreden op eigen risico". Het drijvende vlot boomstammen van een aantal weken geleden zag er stabieler uit, maar we hebben niet echt een keus. Op de kant staan de skeletten van een oude visconservenfabriek met roestige machines, overwoekerd door varens en mos. Het ziet eruit alsof hier recentelijk een aardbeving is geweest en bij de volgende regenbui het hele zootje in het water zal verdwijnen. En dan opeens worden we welkom geheten door een man en een hond, beide door het dolle heen dat ze na maanden eenzaamheid weer eens mensen zien. Cory is de opzichter en heeft als taak het terrein op te ruimen, de steiger te repareren en een aantal gebouwen en machines te restaureren. Een bijna onbegonnen job, lijkt ons, maar dat vertellen we hem natuurlijk niet. Of we zin hebben in een rondleiding? Ja natuurlijk. Butedale is gebouwd in 1911 en in de hoogtijdagen woonden en werkten hier maar liefst 500 mensen. Er was een grote werf met een dok waar stoomschepen aanlegden, er waren winkels, werkplaatsen en zelfs een kliniek. Trots laat Cory ons de oude electriciteitscentrale zien met enorme generatoren die aangedreven worden door water uit het nabijgelegen bergmeer.

Tijdens de rondleiding begint Bud, de hond, opeens nerveus te blaffen en te grommen in de richting van het kiezelstrandje. En daar zien we opeens zomaar een beer lopen. En ook nog eens een hele bijzondere: hij is namelijk wit! De Spirit Bear, oftewel Kermode Bear voor niet-indianen, is geen albino maar een zwarte beer met een gendefect. Hij is niet zo wit als een ijsbeer maar beige met lichtbruine vegen. Ongeveer 10% van de zwarte beren in dit gebied heeft dit gendefect. Vanuit het perspectief van een vis, is een witte beer minder opvallend en volgens biologen is dat de reden dat deze beren 30% effectiever zijn in het vangen van vis. Onderzoekers en touristen komen van heinde en verre naar dit gebied in de hoop een glimp op te vangen van deze bijzondere beer. Cory woont hier al 3 jaar en heeft de Spirit Bear slechts 1x gezien. Wat hebben wij toch weer een mazzel!

De legende van de Spirit Bear gaat duizenden jaren terug, toen de wereld nog bedekt was met gletchers. Toen de Creator (de Raaf) klaar was met z'n schepping (z'n laatste creatie was de vrouw, een hoogst onbetrouwbaar schepsel) had ie het een beetje verbruid. Om het weer goed te maken wilde hij een blijvende positieve impressie nalaten. Daarvoor ging hij te rade bij de Grote Beer, bewaarder van dromen geheimen, altijd zichtbaar aan de hemel. En deze kwam dus met de Spirit Bear op de proppen. Als herinnering aan de ijstijd en de grote Creator.

Vloog daar een kayak voorbij?

We zijn ondertussen aangekomen in Prince Rupert en het is (nog) stralend weer. Waarom de locals dit Rainy Rupert noemen, komen we snel achter. De Canadese Hydrografische dienst kondigt voor morgen een stormwaarschuwing met orkaankracht windvlagen aan. We zien op de gribfiles inderdaad 50 knopen staan, maar denken dat het hier in de beschutte marina op een binnenwater wel mee zal vallen. Tegen de avond voelen we de depressie naderen. Het begint altijd met gekraak van de landvasten als de deining komt binnenrollen. Daarna hoor je de gedempte lage bromtoon van de naderende wind en beginnen de vallen hinderlijk tegen de mast te klappen. Als het brommen overgaat in loeien, gaat het beginnen, maar zover is het nog niet. Voordat we gaan slapen checken we de landvasten nog even, sjorren we het bijbootje voor de zekerheid stevig vasten zetten we de windgenerator uit. Om vijf uur 's ochtends (waarom is dat altijd om 5 uur?) zijn we opeens klaarwakker. Beng, klaboem! Met een smak vallen de boeken van tafel en de wijnfles gaat er achteraan. De boot helt sterk over en opeens lig ik klemvast tussen Harry en de beschieting. Met tegenzin ga ik eruit om polshoogte te nemen. De loeifase van de wind hebben we gemist. We zitten nu in de gierfase. Wat blijkt? Bij een zuid-ooster krijg je hier valwinden van de bergen. Die zijn kort maar heel erg krachtig. Telkens als zo'n willywaw met het valse gesis van een tijger op ons afkomt, worden we met een smak opzij gedrukt met de stootrand en scepters tegen de steiger. Alle vijf stootwillen zijn zo plat als een dubbeltje.

We halen ze van de reling af en bevestigen ze aan de steiger zodat de stootrand er niet meer onder kan raken. Als de boot overhelt slaat de wind onder de bimini waardoor deze afscheurt op de naden. Vliegensvlug hallen we het doek eraf en binden het buizenframe vast. De zeilhoes van het grootzeil is losgeraakt en het zeil is er half onderuit gevallen. Snel binden we het op met een landvast. Onze buurman van een Amerikaanse kustwachtkotter die net voor de storm is binnengelopen, is ook druk in de weer met het beleggen van extra landvasten. "Everything o.k.?" vraagt ie. Ja, hoor, alles onder controle. Harry gaat weer naar bed. Ik pak m'n camera en probeer het natuurgeweld vast te leggen.

Je kunt de valwinden zien aankomen als rookpluimen over het water. Het zeiljacht achter ons gaat telkens een paar seconden eerder onder helling dan wij. De drijvende middensteiger met daaraan een twintigtal visserskotters, zwiepert van links naar rechts, maar de steiger is blijkbaar stevig verankerd. Dat kan niet gezegd worden van de stalen bodemplaten. Later blijkt dat er vijf afgerukt zijn. Er drijft een kayak richting open water. Een andere kayak vliegt door de lucht en komt naast onze boot tot stilstand. Ik bind het snel vast. En dan valt de regen met bakken uit de lucht. Gelukkig, dat betekent dat het ergste voorbij is.

 

Met de wind mee naar Alaska

Als je van zuid naar noord vaart zoals wij, en je wilt zeilen, moet je niet wachten op mooi weer, want dat betekent noordenwind op je neus. In de beschutte Inside Passage is dat niet erg, maar tussen Prince Rupert en Ketchikan ligt een stuk open water van 85 mijl, de Dixon strait, en dat willen we beslist niet op de motor doen. Leuk of niet, we zullen dus met een zuid-ooster, oftwel in het staartje van de depressie moeten vertrekken. Wij wachten een dagje tot de zee weer een beetje bedaard is en trekken dan de stoute schoenen aan. De lucht is massief grijs en tussen de buien door wordt het niet droog. Het waait nog steeds een knoop of 30 en de zee is een beetje onstuimig met golven van een meter of 3. Omdat we een meelopende wind hebben, besluiten we alleen op gereefd voorzeil te varen. We lopen een knoop of acht maar niet echt relaxed. Als de wind in buien aantrekt is het moeilijk de boot op koers te houden. Zeilminderen dus. Maar als Harry de fok een stukje verder wil inrollen, blijkt de reeflijn vastgedraaid te zitten in de trommel. Dat is ons wel eens eerder overkomen en we weten dus hoe we het moeten oplossen, maar dat betekent dat alle zeil eerst afgerold moet worden. Shit, uitgerekend in deze wind varen wij met een volle 120% genoa! Terwijl Harry met schroevedraaier op een stampend voordek de furler ontmanteld, probeer ik de boot onder controle te houden. Niet te veel aan de wind want dan gaan we slingeren. Ook niet te veel voor de wind en vooral de fol niet als een theedoek laten knallen. Wat haat ik dit! Na een half uurtje gestress is het euvel weer verholpen en varen we gereefd verder. Nog steeds met een respectabele 7 knopen maar nu wel met het gevoel dat we de touwtjes weer zelf in handen hebben. We zijn ijskoud en nat tot op de draad als we halverwege de Dixon Strait een veilige ankerplek hebben gevonden.

De volgende ochtend hijsen we ons weer in de koude natte zeilpakken en terwijl we het anker ophalen krijgen we een hagelbui over ons heen. Dat belooft niet veel soeps vandaag. Tot onze verrassing is het heerlijk weer op open water. Halve wind, 5 Bft, blauwe stukken tussen de wolken en meelopende golven. Als het zonnetje doorbreekt wordt het een ouderwets zeilfeest. Wat hebben we dit een lange tijd moeten missen! Veel eerder dan geplanned lopen we Ketchikan binnen. We krijgen weer een nieuwe stempel voor 6 maanden in ons paspoort en deze keer zonder gezeur, ook de felbegeerde cruising-permit.

In onze euforie hebben we niet in de gaten dat er ondertussen een joekel van een cruiseschip van de kade vertrokken is. Opeens ligt ie pal voor ons. Helemaal niet gezien! De boze kapitein toetert dat we moeten uitwijken, maar daar is het te laat voor. We leggen de boot stil en laten het schip langzaam passeren. De passagiers vinden het fantastisch. Iedereen staat buiten langs de reling te zwaaien en te roepen, Zwerver, Zwerver! Eigenlijk genant, maar wij zien de lol er ook wel van in en zwaaien maar gewoon terug.

 

Beregoed

Ketchikan is een typisch grensplaatsje. Het wordt ook wel Alaska's first town genoemd. Het heeft een leuke historische binnenstad met fleurige houten paalwoningen. Pal achter de haven ligt het oude zeemanskwartier waar de dames van plezier woonden. Dolly's House is al jaren gesloten, maar trekt nog veel touristen. In het hoogseizoen leggen hier dagelijks 4 cruise-schepen aan. Nu is het heerlijk rustig. We slenteren door de historische wijken en bezoeken het Totem-centrum waar we niet alleen wijzer worden maar ook een paar originele totempalen te zien krijgen. Er zijn slechts weinig originele totems bewaard gebleven omdat ze volgens indianentraditie gewoon vergingen en aan de natuur teruggegeven werden.

Via een tussenstop in Meyers Chuck, een klein gehucht met een hele smalle doorgang die de volgende ochtend met laag water nog smaller lijkt, varen we richting Anan Bay. Het is een stralende windstille dag. De witte sneeuwtoppen steken fel af tegen de blauwe hemel. In de dennetoppen zitten visarenden en een paar keer krijgen we bezoek van een groepje zwart-witte dolfijnen. Ze zijn razendsnel, te snel voor onze fotocamera. Er zit hier waarschijnlijk veel vis, want we zien veel zeehonden en meeuwen. Een zeehond heeft een vis gevangen. In plaats van hem snel op te eten, slaat ie ermee op het water. Meteen komt er een groepje krijzende meeuwen op af. Ze zijn zo brutaal dat ze op z'n kop gaan zitten en eentje pikt er zelfs in z'n bek.

In Anan Bay is een berenobservatiecentrum. Maar als wij er aankomen is het rangerstation gesloten. Het is nog een beetje te vroeg voor beren. De grote zalmtrek is nog niet begonnen. We hadden gedacht onder begeleiding van een ranger met een geweer een boswandeling te maken. Maar nu er niemand is, moeten we dus op eigen houtje op berenjacht. Eigenlijk wel net zo leuk. In onze zeilgids staan een paar nuttige aanwijzingen. Zo is het verstandig een fluitje mee te nemen en vooral veel lawaai te maken. Dat lijkt ons nou niet bepaald de beste manier om beren te zien, maar van de andere kant wil je ook niet verrast worden (en die beren ook niet!). De beren zijn nog maar pas uit hun winterslaap en omdat er nog geen zalm is, eten ze wortels, zaden en jonge grassprieten. Het is wel een beetje griezelig in dat donkere bos. Achter iedere boom kan er zomaar eentje zitten. Harry spot de beer als eerste. Het beest loopt op een grasveldje langs het water en zit in de grond te wroeten. Hij heeft ons al lang gezien, of waarschijnlijker, geroken, en kijkt nerveus onze richting uit, recht in de camera. Als we voorzichtig dichterbij komen verdwijnt ie in het hoge gras. Het fluitje zit nog in m'n zak. De volgende dag gaan we nog een keer het bos in. Er ritselt en springt van alles voor onze voeten, eekhoorntjes en een groot knaagdier dat crabben eet (we denken dat het een rivierotter is). Maar helaas geen beren meer.

 

Een Nederlands onderonsje

Onbewust vergelijken we Alaska met Patagonie. Beide ruige fjordenlandschappen met sneeuwbetopte bergen, gletchers en watervallen. Het grote verschil met Patagonie is dat hier mensen wonen. Er zijn plaatsjes met winkels waar je kunt bevoorraden, de water- en dieseltanks kunt vullen en de was kunt doen. Ook is het weer veel milder dan in Patagonie. Gelukkig maar. Als je dan toch moet motoren, dan maar net zo goed over spiegelglad water. Op ons dooie gemak tuffen we richting Wrangell, een van oorsprong Russisch fort en handelspost uit 1834, prachtig gelegen aan de voet van een indrukwekkende bergketen.
Na de aankoop van Alaska richtten de Amerikanen hier in 1867 een militaire post op en doopten het gehucht om tot Fort Wrangell. Omdat Wrangell niet door cruise-schepen wordt aangelopen maar een echte werkhaven is voor vissers en sleepboten, heeft het een eerlijk ruig karakter weten te behouden. Tussen de beroepsvaart zien we opeens een blauw zeiljacht liggen met daarvoor nog precies een plekje vrij voor ons. Als we dichterbij komen zien we ook de rood-wit-blauwe vlag. Verrek, dat is de Bannister! Meer dan 10 jaar geleden waren wij tegelijk met de Bannister in Patagonie. We hebben elkaar nooit in levende lijve ontmoet, maar wel een paar keer via de radio gesproken. De Bannister was zo aardig om ons dagelijks te voorzien van de laatste weersberichten toen wij op Stateneiland lagen te wachten om op het juiste moment Street le Maire in te gaan naar Ushuaia. Even later zitten we bij Hannie en Hendrik-Jan aan boord gezellig te borrelen en bij te kletsen. Zij varen al een paar seizoenen in dit gebied en hun enthousiasme is aanstekelijk. Aan de hand van de cruising-guide vertellen ze wat de leuke plekjes zijn, maar vooral ook wanneer je waar wel en niet moet zijn. Een beetje te vroeg voor zalmen en beren, maar ruimschoots voordat de touristengekte begint, op tijd voor de walvissen, misschien nog niet te laat om naar Kodiak te zeilen. Hmmmm, zoveel opties. We buigen ons nog maar eens een keer over de planning.

 

Little Norway

Een ander leuk plaatsje is Petersburg. De naam suggereert misschien dat dit ook iets met Rusland te maken heeft, maar Petersburg is genoemd naar de Noor Peter Buschmann, die hier ergens eind 19e eeuw de eerste visconservenfabriek en houtzagerij bouwde. Als je niet beter wist, zou je je in Noorwegen wanen. Oude houten huisjes beschilderd met noorse motieven, noorse straatnamen, winkels met noorse producten en zelfs noorse dennebomen in de tuinen. Op de kop van de oude haven staat een kitcherige replica van een vikingschip. We verbazen ons erover hoe klein en spartaans zo'n schip was. Er vindt een trouwerij plaats in de buitenlucht op het pleintje voor "the friends of Norway hall". Harold en Sigrid geven elkaar het ja-woord. We zijn een weekje te vroeg voor het jaarlijkse Noorse festival maar ik weet niet of we het leuk vinden om naar een optocht te kijken van Alaskanen die als Viking verkleed gaan.

 

Ook hier komen geen grote cruise-schepen, en ook hier treffen we een heerlijk relaxte sfeer aan. Petersburg is een echt vissersdorp en staat bekend als de "halibut capital" van Alaska. Het leuke van dit soort havens is dat de plezierjachten gewoon tussen de vissersschepen liggen. Een typisch Alaskaanse visserskotter is van hout en heeft een hoge voorsteven die voorzien is van een extra beschermlaag tegen ijs. Onze buurman is z'n dek aan het voorzien van een nieuwe anti-sliplaag. "Vroeger viste ik op heilbot", vertelt ie trots. "Maar daar ben ik nu te oud voor. Ik houd me nu lekker bij de zalm, dat is een stuk relaxter". Heilbotvissers zijn de meest stoere vissers. Je haalt ze er zo uit: jonge gespierde kereld met tatoes, gekleed in rubberlaarzen, een smerige spijkerbroek en een mouwloos hemd, zelfs als wij het nog frisjes vinden met een trui aan. Heilbot wordt gevangen op grote dieptes in de meer open, ruigere wateren zoals in de Golf van Alaska en in de Beringzee. De heilbotstand is de laatste jaren drastisch teruggelopen en de gezamenlijke Alaskaanse vissers hebben hun quota al teruggeschroefd met meer dan 50% maar zijn het nu zat want de Russen, die de grootste heibotvloot hebben, willen niet meewerken en dreigen de Beringzee leeg te vissen. In de zalmvisserij werken ze niet met quota maar met openingen. Als er geconstateerd wordt dat een bepaalde zalmsoort in grote aantallen terug is gekeerd naar z'n geboortegrond om daar eitjes te leggen, dan wordt voor dat gebied de vangst geopend. Afhankelijk van hoe groot de zwerm is, wordt bepaald hoe lang de opening is. Onze buurman vist op dog-salmon. Dat is een soort die, zoals trouwens de meeste zalmsoorten, eerst gekweekt en vervolgens uitgezet wordt. Hij vist in beschut water, in een relatief kleine boot die van hem zelf is en die hij zelf of met 1 bemanningslid kan besturen en is 's avonds gewoon thuis. Eigenlijk is hij al gepensioneerd, maar op deze manier verdient hij er toch nog mooi wat bij. "I can't let it go". Mooi toch. En dan zou je denken dat je overal lekker verse vis kunt kopen. Valt dat even vies tegen! De kwalitatief betere vis als heilbot, sockeye- en king salmon wordt direct afgeleverd bij de groothandel. De mindere soorten gaan rechtstreeks naar de conservenfabriek. In de supermarkt betaal je voor heilbot of wilde zalm het dubbele als voor een biefstukje.

 

Woehaa.... pfffffff!

Vanaf Petersburg varen we verder noordwaarts door Stephens Passage. Dit is een relatief groot water waar het met slecht weer waarschijnlijk wel kan spoken. Het is al dagen zonnig weer en het water is spiegelglad. We worden gepasseerd door een groot cruiseschip en twee vissers, verder gebeurt er helemaal niets noemenswaardigs. Totdat we bijna bij onze ankerplek zijn. Als we de baai in varen zien we fonteinen. Walvissen! En ze komen onze richting uit. We zetten de motor in de neutrale stand en wachten af. Woehaa pfffff! Je hoort ze eerst en dan zie je ze pas. Het zijn er vier en ze trekken zich niets van ons aan. Ze komen redelijk dicht bij. Eentje duikt er zelfs onder onze boot door. Het zijn bultruggen die zich in de visrijke wateren van Alaska te goed doen aan kleine haring. Als ze volgevreten zijn vertrekken ze in het najaar richting Hawai om daar hun jongen ter wereld te brengen. Stel je voor, 2500 mijl zwemmen voor Hollandse nieuwe! Meestal zie je alleen het vinnetje en die typische bultrug. Maar soms komt eerst de grote kop boven, dan langzaam kromt ie z'n rug en dan als laatste z'n staart. Iedere walvis heeft een unieke print op z'n staart waaraan je hem herkennen kunt. Een grote en een kleine walvis (moeder met kalf) blijven bij onze boot. Het jong is speels en slaat af en toe met z'n vinnen op het water. Ze volgen ons tot bij de ankerplek. Vanuit onze kuip kunnen we ze nog steeds zien. De volgende ochtend worden we wakker met woehaa..... pffffff. Ze zijn ze er weer, of nog steeds.

 

Sailing on the rocks

"We zijn niet de eerste. Er liggen al twee boten op de ankerplek", zegt Harry. Als ik inzoom met de verrekijker blijken het geen boten maar ijsbergen te zijn. En ze liggen gelukkig ook niet op de ankerplek maar zijn aan de grond geraakt op de zandbank ervoor. Ook deze ankerplek is prachtig en wederom hebben we al het moois voor ons zelf. We liggen voor een kabbelend stroompje met daarnaast een drassig grasveld vol weidevogels. Daarachter ligt een donker bos. Ideaal berengebied volgens ons, maar bruintje denkt daar anders over. De volgende ochtend halen we om 6 uur het anker op en varen we de 25 mijl lange Tracy arm in. Langs steile granieten wanden komen watervallen naar beneden. Het is zonnig en windstil. De sneeuwpieken weerspiegelen in het water. Af en toe komt er een koude windvlaag de helling af. In de bochten hebben zich ijsschotsen verzameld. We nemen de binnenbochten, dat is niet alleen korter maar in het algemeen ligt daar ook minder ijs. Aan het einde splitst het fjord zich in twee armen met aan ieder uiteinde een imposante gletcher.

We proberen eerst de zuidelijke arm, maar raken vast in het ijs. Kloink, kloink, grrrrrrrr klinkt het. Het is maar goed dat we de romp nog niet geschilderd hebben. Van een afstandje maken we fotos en varen vervolgens richting noordelijke arm. Ook hier komen we in een ijsveld terecht. Door de verrekijker lijkt ook deze gletcher geblokkeerd maar als we langzaam dichterbij komen, vinden we toch telkens weer een opening. Het is wel een beetje stressen. Harry stuurt en ik sta met de skybril op voor op de punt aanwijzingen te geven. Af en toe raken we er eentje. Kloink, kloink, grrrrrrr klinkt het opnieuw. Op dit soort momenten zijn we erg blij met een stalen boot. Het laatste stuk naar de gletcher is helemaal ijsvrij. We laten de dinghy te water aan een heel lang touw en Harry gaat erin om fotos te maken. Er staat een sterke stroom en een ijzige wind. Het is oppassen geblazen om niet op de rotsen gezet te worden. Ik vaar zo ver als ik durf naar voren. Af en toe horen we een luide knal en valt er een brok ijs naar beneden. Het zijn relatief kleine stukken die geen vloedgolf veroorzaken. Wat een geweldige plek. En wat jammer nou dat het hier zo diep is. Nergens kun je ankeren. Wat zouden we hier graag overnacht hebben! Na de lunch draaien we om en varen weer 25 mijl terug naar dezelfde ankerplek. In het voorjaarszonnetje genieten we nog na met een wijntje in de kuip. Nog steeds geen andere boot. Nog steeds geen beer.

 

Een Grizzly!

We liggen aan een openbare steiger in Taku Harbor, een mooie beschutte baai waar vroeger een visconservenfabriek heeft gestaan. Via een drassig pad lopen we door de oude funderingen langs roestige machines. Een medezeiler is op zoek naar hittebestendige bakstenen voor z'n open-haard. Wij zijn op zoek naar beren. Geen succes. Terwijl de aardappels staan te koken speur ik vanuit de kuip nog eens het strand af. "Er staat een grizzly beer op de kant!' roep ik. "Eentje met een hengel zeker", zegt Harry, zonder in beweging te komen. Pas als onze buurman bevestigd dat er inderdaad een grizzly beer op het strand loopt, komt Harry ook naar buiten en ben ik de verrekijker kwijt. Hij is te ver weg voor onze cameralens. We overwegen even om er naartoe te varen met de dinghy, maar de beer verdwijnt al weer snel het bos in. Later op de avond zien we hem nog een keer. "Ik ben blij dat ik aan het einde van de steiger ligt", zegt onze buurman. "Als hij honger heeft komt hij eerst bij jullie langs".

Juneau

Juneau is de hoofdstad van Alaska en een aanfluiting voor deze prachtige staat. Eigenlijk is het helemaal geen stad maar een lange winkelstraat parallel aan de cruise-schepen terminal met de ene touristische prulwinkel na de andere. Er zijn bont-winkels waar alpaca-truien uit Chili verkocht worden en "dream-catchers" met duivenveren waar op staat "handcrafted in Bali". In een afgezette straat zien we een groepje indianen gekleed in rode gewaden, zonder veel animo een dans uitvoeren. Onder witte zonnetentjes zitten de veel te dikke bejaarde touristen op plastic stoeltjes. Aan de kade ligt de "Volendam" van de Holland-Amerika-lijn afgemeerd naast nog twee grote cruise-schepen. We horen iemand zeggen dat er op dit moment 8500 touristen in het stadje zijn. En dat is nog maar het begin. In de zomer leggen hier dagelijks 7 cruise-schepen aan. Hier worden we helemaal depri van. Snel wegwezen.

We hebben de boot afgemeerd in Oak-harbour, net buiten Juneau. De ligging is grandioos met uitzicht op de Mendenhall-glecher. In de haven zwemmen zeehonden en zee-arenden strijken neer op de masten van de boten. We mogen de auto lenen van Brian en Bethany, zeilers die we ontmoet hebben in British Columbia die hier op hun boot wonen. De Mendenhall-gletcher is nog geen 10 min rijden. We gaan aan het einde van de middag als de touristen weer vertrokken zijn. Het is een leuke wandeling en behalve een mooie gletcher is er ook een waterval die de moeite waard is.

 

Sit Eeti Gheeyi: "Bay in Place of the Glacier"

Via Icy-strait, een brede vaarweg waar we met enige regelmaat walvissen spotten, varen we in twee dagetappes naar Glacier Bay. Deze beroemde baai maakt deel uit van Glacier Bay National Park, 'swerelds grootste World Heritage site, met een oppervlakte van 3.3 miljoen acres. Voordat het in 1925 tot een beschermd natuurgebied werd uitgeroepen, werd het bewoond door de Tlingit-indianen, die deze keer eens niet verdreven werden door de Europeanen maar door oprukkende gletchers. Tijdens de "kleine ijstijd" rond 1750, werden hele dorpen door het ijs verzwolgen en de Tlingit-indianen vluchtten naar Hoonah, aan de overkant van Icy-street, waar hunnazaten nu nog steeds wonen.

Volgens indianentraditie keren de Tlingit met enige regelmaat terug naar hun thuisland om te communiceren met de geesten van hun voorouders en om bepaalde rituelen uit te voeren. Maar nu Glacier Bay een nationaal park is, botsen sommige activiteiten zoals bv vissen en jagen, met de vele parkregelementen en dat leidde op z'n zachts gezegd, tot verstoorde relaties. Pas recentelijk is men gaan inzien dat natuurbeheer, toerisme en historische tradities eigenlijk best goed samen kunnen gaan. Zo mogen de indianen op beperkte schaal vissen, bessenplukken en meeuweneitjes verzamelen. Ook worden er gezamenlijk door de parkrangers en de stamleden culturele programma's voor scholen opgezet, archeologisch onderzoek gedaan en natuurwandelingen met toeristen georganiseerd.

Hoewel de Tlingit indianen nu dus niet meer permanent in Glacier Bay wonen, vind je nog wel tastbare herinneringen van hun vroegere aanwezigheid in dit gebied, zoals een traditionele kano die voor de otterjacht werd gebruikt en in-kervingen in bomen die als wegwijzers werden gebruikt. Dit jaar gaat een lang verwachte wens van de indianen in vervulling. De eerste paal is geslagen voor de Xunaa Shuka Hit, ruwweg vertaald als "huis van onze voorouders". Een eigen permanente plek voor ceremonies, vergaderingen, tentoonstellingen en culturele programmas. Open voor touristen. 500.000 per jaar. Hopelijk maken ze er niet zo'n commercieel circus van als in Juneau.....

 

Doet U maar een paar wolven en beren, alstublieft

Ook wij ontkomen niet aan de strenge regelgeving van het park. Zodra we de baai invaren melden we ons op de marifoon. Een aardige juffrouw heet ons welkom en begint vervolgens in razend temp een goed geoefend verhaal af te steken over hoe we moeten navigeren in walvisgebied. In het midden van de vaarweg blijven, minimaal 1 mijl van de oevers vandaan, niet harder varen dan 20 (!) knopen per uur en op een afstand van 500m van een walvis blijven. Komt ie toch per ongeluk dichterbij dan moet je hem afschrikken door op de romp van je boot te kloppen. He? Nou, zo krijg je er nooit een te zien. We laten het gelaten over ons heen komen, evenals de voorlichtingsfilm op het rangerstation. "Wat is de beste plek om dieren in het wild te zien", vraagt Harry aan Ko de Boswachter. "Dat ligt eraan wat u wilt zien. We hebben moose, klipgeiten, beren, vossen, wolven, stekelvarkens, eekhoorntjes, zeehonden en zeeleeuwen, otters, walvissen, vogels....." Het is net of we in een delicatessenzaak chocolaatjes staan uit te kiezen. "Doet u maar een paar wolven en beren, alstublieft".

Laten we die nu net niet te zien krijgen, maar de rest is er in overvloed. Ons favoriete beest is de zee-otter. Sinds er niet meer op ze gejaagd mag worden, is hun aantal gegroeid van bijna nul naar 10.000. We zien ze werkelijk overal. Op hun dooie gemak, meestal met z'n tweeen of in kleine groepjes, drijven ze op hun rug voorbij. Met de voorpoten slaan ze schelpen tegen elkaar zodat het net lijkt op ze in hun handen klappen. Ondertussen houden ze ons scherp in de gaten en als we te dichtbij komen duiken ze vliegensvlug onder. Er is er eentje bij die niet onderduikt, maar wel steeds schichtig omkijkt. Wat heeft ie toch in godsnaam op z'n buik? Als we dichterbij komen zien we dat het een vrouwtje is met een pasgeboren jong. Vandaar dat ze niet onderdook! We laten het arme beest gauw met rust en varen verder. In de verte zien we een paar wit uitgeslagen rotsen. Een scherpe amoniakgeur komt ons tegemoet. Daarna horen we het schorse geblaf van zeeleeuwen. Er zitten wel honderden en ze hebben jongen. Helemaal bovenop staan twee macho-mannetjes hoog op hun voorste vinnen een wedstrijdje te houden wie het stoerste is. In het water buitelen de jongere dieren over elkaar heen. Het lijkt net alsof die beesten niks beters te doen hebben dan een beetje te ravotten in het water. Van walvissen kijken we niet eens meer op, die komen op de meest onwaarschijnlijke plekken, als we bv net een baai in willen varen, vlak naast ons boven water. En in iedere boom lijkt wel een visarend te zitten. Volgens onze gids zouden er daarvan in Alask een stuk of 50.000 moeten zijn. We geloven het direct.

 

Smeltende Gletchers

We vinden het geweldig al die beesten. Vooral als we ergens op een mooie ankerplek liggen en ze rusitg vanuit de kuip kunnen bestuderen. Maar we zijn hier naar toe gekomen voor de gletchers. Toen George Vancouver hier in 1794 kwam trof hij een ondiepe inham aan waar hij na een paar mijl al op een massief ijsveld stootte. "The bay is a mere 5 mile indentation in the coastline, with a compact sheet of ice as far as the eye could distinguish". Ontdekkingsreiziger John Murier volgde hem nog geen 100 jaar later en ontdekte toen dat er twee armen waren die hij in kon varen met aan ieder uiteinde een gletcher. De gletcher had zich toen al 40 mijl teruggetrokken! Nu is Glacier Bay een 60 mijl lange baai met verschillende zijarmen die uitmonden in gletchers. Er zijn meer dan 1000 gletchers. De meeste "hangen" in de bergen maar een stuk of tien zijn zgn "tidal-glaciers" die in het water uitkomen. Door de opwarming van het zeewater trekken 95% van alle gletchers in Alaska zich ieder jaar gemiddeld 400 meter terug. De snelst terugtrekkende gletcher zelfs 2000 meter. Dat heeft gevolgen voor de zuurgraad van het water, wat een negatief effect heeft op de groei van plankton en schelpdieren. De populaties zeehonden, zeeleeuwen en walvissen zijn sinds de jaren '70 hier in Glacier Bay al met 70% gereduceerd.

Uitzondering is de John Hopkins gletcher, die ieder jaar 1000m groeit. We mogen niet tot aan de mond van de Hopkins gletcher varen omdat een colonie van 2000 zeehonden hier op dit moment hun jongen op de ijsschotsen ter wereld brengt. De kleintjes hebben nog onvoldoende isolatielaag opgebouwd en als ze in paniek hun ouders achterna springen in het koude water omdat er een boot te dichtbij komt, dan kunnen ze verdrinken. Maar al zou het wel gemogen hebben, de Hopkins inlet is zo dicht bezaaid met ijsschotsen, dat we er bijna in vast raken. Maar er zijn genoeg andere mooie gletchers en ze zijn allemaal verschillend. Niet alle gletchers zijn mooi wit. De Reid-gletcher is "smerig" van het morenepuin en lijkt net een ijstaart met vanille- en chocoladetoefjes. We gaan er voor anker en blijven er twee nachten. Als we aan land gaan blijken die toefjes gigantische sneeuwballen die drie keer zo hoog zijn als wij zelf. Van dichtbij zie je ook dat die scheuren in het ijs enorme brede en diepe kloven zijn waar je onderdoor kunt lopen en kletsnat wordt van het druppende smeltwater. De Margerie gletcher daarentegen, is van een klassieke schoonheid. Maagdelijk wit met ijsschotsen ervoor. Het is er te diep en te gevaarlijk om te ankeren. Het ijs kraakt onheilspellend en af en toe breken er stukken met een knal vanaf. Voorzichtig varen we er met de boot en Harry in de dinghy een paar keer langs. Deze gletcher wordt iedere dag door minimaal 2 cruiseschepen bezocht. Om die voor te zijn, beginnen we 's ochtends al om 6 uur te varen. Het is schitterend zonnig weer en 's ochtends is er nog geen rimpeltje op het water zodat de bergen en ijsschotsen weerspiegelen in het water. Het doet onwerkelijk, bijna sprookjesachtig aan.

Ook de ankerplekken zijn prachtig. De ene keer liggen we tussen groene heuvels met kabbelende kreekjes en de andere keer kijken we tegen kale granieten rotswanden aan. In de drukke periode, juni t/m augustus, wordt het aantal boten in Glacier Bay beperkt en moet je een permit aanvragen. Als je geluk hebt vaar je dan met z'n twintigen bij zo'n gletcher en als je pech hebt kom je er helemaal niet in. Wij zijn er de laatste week van mei. Het is heerlijk rustig, slechts drie andere jachten gezien. We mogen een week blijven en maken daar maximaal gebruik van. Een absoluut hoogtepunt van deze reis!

 

Noord of zuid?

Er moet weer eens een keus gemaakt geworden. Gaan we noord of zuid? Ons oorspronkelijke idee was om vanaf hier naar Kodiak te zeilen, dan nog iets noordelijker naar Prince William Sound en dan in grote stappen buitenom terug naar Vancouver island. Maar de wind blijft alsmaar uit de noordwestelijke hoek komen. De afstanden zijn lang, een seizoen is eigenlijk te kort. We hebben geen zin om lange stukken te motoren en al helemaal geen zin om ons te haasten. We besluiten ons te concentreren op zuid-oost Alaska en dat op ons dooie gemak te doen. Onze noordelijkste positie (net geen 60 graden) wordt vastgelegd voor het logboek en met een beetje dubieus gevoel varen we een zuidwestelijke koers. Heerlijk, dit is bezeild!

Dorpstraat ons dorp

We leggen aan in Elvin Cove, een kleine gemeenschap waar in de winter 10 mensen wonen en in de zomer het vijfvoudige. Het gehucht is op de rotsen rond een miniscuul inhammetje gebouwd. Straten zijn er niet. De huizen staan op palen en zijn met elkaar verbonden door houten steigers. Je loopt gewoon bij de bewoners over het terras en door de tuin, die vol staan met kabouters. En als je niet telkens een praatje blijft maken, heb je in 10 minuten het hele dorp gezien. Er is een winkel-van-sinkel die in de winter 2 uur per week open is. We zijn nog net op tijd voor het laatste pakje bevroren gehakt en een bevroren brood, samen goed voor $17.50. Werkelijk alles moet ingevlogen worden met kleine watervliegtuigjes. Op de steiger staat de postbode met een grote tas. Zijn dienst voor deze week zit erop en gaat verder in het volgende gehucht. Als het vliegtuigje arriveert moeten we onze boot verplaatsen anders kan hij de draai niet maken met z'n lange vleugels. Nergens kunnen we ons afval kwijt. De vuilniszakken worden weer open gemaakt en alles behalve voedselresten, blik en glas, gaat op de brandstapel. Een bewoner is al uren bezig met het slopen van meubels. Metaal en glas wordt een keer per maand afgevoerd per boot naar de stad. Dat soort dingen realiseer je je helemaal niet als je in Nederland woont.

Het volgende gehucht is Pelican. Op het eerste gezicht lijkt het nog wel een klein dorp, met een heuze marina. Maar ook hier zijn geen straten en slechts 1 hele lange houten steiger. Sinds de visverwerkingsfabriek een aantal jaren geleden over de kop gegaan is, is de "general store" gesloten. De handgeschreven aanbiedingen van de week hangen nog op de deur. Maar we hoeven niet bang te zijn dat we verhongeren want van onze buurman krijgen we 3 grote moten verse zalm. Even later komt een oud mannetje nog eens een grote heilbotfilet brengen. De mensen zijn ontzetten vriendelijk. Of we onze boot niet liever aan de binnenkant willen leggen. "Als de wind opsteekt lig je waar je nu ligt precies verkeerd" zegt het mannetje. We krijgen een fantastische plek toegewezen naast een kommetje waar otters zitten te spelen. Later komt ie nog eens terug om te vragen of we een waterslang nodig hebben. Tot onze verrassing is er wel een kleine bibliotheek met snelle internetverbinding. De bieb is alleen 's avonds een uurtje open. De bibliothecaresse is tevens de juffrouw van het stadhuis en de wasserette. Maar in plaats van rustig onze email bij te werken gaat het uur voorbij aan een sociaal praatje. Echt geweldig dit soort unieke plekjes, maar je moet er toch niet aan denken om hier te wonen!

 

Een spannende route buitenom

Via de Lisianski straat verlaten we de beschutte wateren en zakken langs de ruige westkust van Chichagof island af richting Sitka. We zigzaggen door een doolhof van honderden eilandjes door smalle, onbebakende doorgangen die bezaaid liggen met rotsen. Dat zouden we vroeger met onze papieren kaarten nooit gedurfd hebben. Nu hebben we binnen op onze navigatie-laptop van te voren de route met eventuele ankerplekken uitgezet. Buiten onder de buiskap staat een tablet met ingebouwde GPS, zodat we ieder moment exact weten waar we ons bevinden. Ondanks dat het rustig weer is, blijft het toch griezelig met die lange trage oceaandeining die angstwekkende brekers veroorzaakt op de rotskust. Hoe moet het hier wel niet te keer gaan als er een front doorkomt? Het grootzeil is wel gehezen, maar er staat te weinig wind om te zeilen. Gelukkig heeft onze motor ons nog nooit in de steek gelaten.......

Op een ochtend verlaten we in alle vroegte onze ankerplek bij een verlaten goudmijn om met het juiste tij door de nauwe pas naar buiten te gaan. Goud hebben we overigens niet gevonden, wel weer een beer gezien. Als we bijna bij de stroomversnelling zijn, begint de motor opeens onregelmatig te lopen en binnen een paar tellen geeft ie de geest. Snel gooien we het anker uit. We vermoeden dat een vervuild filter de boosdoener is. En als Harry het voorfilter verwisseld heeft, start de motor inderdaad gelukkig weer. Fluitje van een cent. Zonder problemen komen we de stroomversnelling door, maar we zijn nog niet buitengaats of hetzelfde gebeurd weer! Nu is het veel te diep om te ankeren. Er staat een nare deinig en er zijn rotsen om ons heen. Snel zetten we de bijboot overboord en maken deze met twee touwen aan de zijkant vast. Terwijl Harry het motortje start, rol ik de genua uit. Het houdt niet over, maar met 4 knoopjes lukt het ons om weg te komen van die gevaarlijke kust. En voor dit soort McMurphy-situaties slepen we dus altijd die stinkende reserve jerrycans mee. We passeren het filter en hangen de dieseltoevoerslang direct in een jerrycan die we stevig vastsjorren aan het motorblok . De motor loopt weer normaal en in de volgende ankerbaai kunnen we op ons gemak alle filters verwisselen en het systeem ontluchten. De boosdoener bleek een gescheurde o-ring. Als we later in Sitka aan de tanksteiger liggen, zijn we stom verbaasd dat er bijna 300 liter in gaat. Practisch leeg! Achterdochtig inspecteren we de bilges en kijken zelfs onder de boot in het water of we niet ergens een lek hebben. Hoe kan dat nou? Nou gewoon, al die maanden telkens een beetje minder diesel erin gegooid dan eruit is gegaan. Tja, en dan houdt ie er natuurlijk een keer mee op.

 

De ontdekking van Alaxsxaq, the Great Land

Tsaar Peter de Grote, die eigenlijk liever zeeman wilde worden dan Tsaar, gaf in 1724 aan de Deense kapitein Vitus Bering, de opdracht om vanaf st Petersburg overland naar het uiterste oostpuntje van Siberie te trekken, daar een vloot te bouwen en vervolgens over het gevaarlijke stuk water dat Rusland van Amerika scheidt verder oost te zeilen. Tsaar Peter wilde weten of er zover noord aan de Amerikaanse westkust al Europese vestigingen waren of dat het land nog geclaimed kon worden door Rusland. Na een eerste mislukte poging vertrok Bering voor de tweede keer in 1933. Het kostte hem alleen al 7 jaar om de oostkust van Siberie te bereiken. Er waren geen wegen. In de winter kon er niet gereisd worden vanwege sneeuw, ijs en kou en moesten ze onder barre omstandigheden overwinteren op de winderige toendras. 's Zomers kwamen ze vast te zitten in dikke modder en werden ze opgevreten door de muggen. Toen ze dan eindelijk de kust bereikt hadden en konden beginnen met het bouwen van de schepen, bleek dat cruciale materialen verloren waren gegaan.

Met veel improvisatie en doorzettingsvermogen lukte het Bering en zijn team uiteindelijk toch twee boten te lanceren. De St Peter werd geschipperd door Bering zelf, en het commando van de St Paul gaf hij aan een jonge Russische officier. Tijdens een storm raakten de twee schepen elkaar kwijt. Bering kwam in het noorden van de Golf van Alaska terecht, net iets ten oosten van Cordova, bij het eiland Kayak. Bezorgd om de veiligheid van z'n schip besloot hij na een paar uur terug te zeilen naar Rusland. Vanwege slecht weer en een bemanning die geveld is door scheurbuik, is hij genoodzaakt te overwinteren op een van de Aleuten-eilanden, waar hij zelf ook sterft aan scheurbuik. De St Paul ziet een dag later land, 500 mijl verder naar het zuid-oosten. Ze zeilen voorbij de vulkaan en de beschutte baai bij Sitka en proberen aan de ruige westkust van Baranof eiland aan land te gaan. Dat mislukt. Beide bijboten met 15 man verdwijnen in de branding. Zowel de St Paul als de St Peter komen in 1742 weer terug in Siberie.

Het oorspronkelijke budget van 10.000 roebel werd met 2 miljoen overschreden, 58 zeelieden, waaronder Vitus Bering, verloren hun leven, er is geen land in kaart gebracht en men was nog geen steek wijzer over Europese vestigingen. Tsaar Peter heeft het allemaal niet meer mogen meemaken; hij overleed al voor het vertrek van Bering. Maar de helfhaftige Deense zeeman , evenals het ijzige stukje water dat naar hem genoemd is, dwongen respect af. Bering werd een inspiratie voor volgende generaties Russen die aangetrokken werden door de rijkdommen van de zee. Alaska was ontdekt, de grote plundering kon beginnen. Geen otter of Aleut was z'n leven nog veilig.

 

Sheet'ka, plaats aan de zee

Nadat de Russen de zachtaardige bevolking van de Aleuten hadden uitgehongerd, vermoord en de rest tot slaaf hadden gemaakt om alle otters uit te roeien, vestigden ze zich permanent in Sitka. Onder leiding van de toenmalige gouverneur, de zakenman Baranof, kwam het stadje tot bloei. Er kwamen werkplaatsen, winkels, een ziekenhuis, een school en een Russisch Orthodoxe kerk met de typische ui-vormige koepel die door Baranof zelf ontworpen was. De St Michaels Cathedral staat er nog steeds en is nog steeds een actieve kerk. We worden verwelkomd door een jonge stevig gebouwde blonde priester met blozende wangen en een volle baard. "Ivan" komt van de Aleuten en vertelt ons het een en ander over de geschiedenis van Sitka en de Russisch Orthodoxe kerk. "Het pure geloof" vertelt hij trots, waarin vrouwen de echte heiligen waren. De Katholieken sloegen volgens hem na de 11e eeuw de verkeerde weg in met hun heilige drie-eenheid. Harry probeert iets meer te weten te komen over het verschil tussen zgn witte en zwarte priesters in de Orthodoxe kerk, maar "Ivan" begrijpt niet dat Harry doelt op priesters die wel of niet de celibataire gelofte afgelegd hebben, en antwoordt dat ze niet aan discriminatie doen. Ik weet niet precies wat we verwacht hadden, maar zeker niet zo'n prachtige kerk vol met vergulde ornamenten, kostbare ikonen, kronen en met juwelen bestikte gewaden.

 

Stille getuigen van een roerige geschiedenis

We beklimmen de honderd treden van "Castlle Hill" waar vroeger het fort en de residentie van Baranof stonden. Hier vond in 1867 de overdracht aan de Amerikanen plaats, die Alaska kochten voor $7.2 miljoen. Een schijntje, ook voor die tijd. Maar de Russen wilden er vanaf en de Amerikanen wilden na de kostbare burgeroorlog niet zo veel geven voor dit waardeloze stuk land. Op een van de informatieborden lezen we een leuke annecdote over het debacle van de russiche vlag tijdens de ceremonieele plechtigheid. De russische vlag wilde niet naar beneden komen. Een amerikaanse soldaat klom in de vlaggemast om de vlag los te snijden waarbij de wimpel scheurde. Het doek viel toen letterlijk op de hoofden van de russische hoogwaardigheidsbekleders.

Voordat de Russen hier kwamen, werd Sitka bevolkt door de Tlingit indianen. In tegenstelling to de Aleuten waren dit krijgers die zich niet zomaar lieten onderwerpen. Een pikant aspect is dat de Tlingits tijdens de russische overheersing, handel dreven met Amerikaanse schepen. Otterpelzen werden geruild tegen rum en wapens. En met die wapens hebben ze het leven van de Russen behoorlijk zuur weten te maken. Uiteindelijk hebben ze de strijd tegen de superieure Russen moeten staken en vonden ze een vorm van gescheiden samenleven waarin de indianen als tweederangs burger net buiten de stad, afgeschermd door pallisaden, leefden. Een beetje zoals de Palestijnen in Jeruzalem.... Indian Town bestaat nu nog steeds, maar de muur is gelukkig verdwenen. Uiteraard heeft er destijds niemand aan gedacht om de indianen te betrekken bij de verkoop van Alaska aan de Amerikanen. Ze raakten in een klap al hun grond en rechten kwijt. En dat doet nu nog erg zeer.

Sitka is een prettige plaats, mooi gelegen tegen een groene achtergrond van denneheuvels met daarachter sneeuwbedekte bergen. Er zijn diverse wandelroutes uitgezet vanwaar je een mooi uitzicht hebt over de stad, de omliggende eilanden en de markante vulkaan mt Edgecombe. Aan de rand van de stad is een totembos met tientallen totempalen uit Sitka en omgeving. Vroeger stonden ze tussen de huizen in de indianendorpen en markeerden ze belangrijke gebeurtenissen in het dagelijkse leven van de indianen. Nu staan ze als stille getuigen van een roerige geschiedenis te poseren voor de cameras van touristen, die de houtsnijkunst bewonderen maar nog steeds niet goed raad weten met de makers ervan.

 

Jagende orkas en een wildwaterbaan

 

Vanaf Sitka varen we weer een stukje noordwaarts, nu binnendoor via de Peril Strait, om aan de oostkant van Baranoff island weer naar het zuiden af te zakken. Als we bijna bij de Sergius stroomversnellingen zijn, bevinden we ons opeens midden in een school jagende orkas. Het zijn er wel een stuk of vijftien en er is een kleintje bij. Overal om ons zien we die prachtige vinnen als een peroscoop van een onderzeeer uit het water rijzen. Als ze boven komen hoor je eerst een plof en dan zie je een korte, krachtige fontein omhoog spuiten alsof het ventiel van de hogedrukpan open gaat. Het is een en al energie om ons heen. Razendsnel en schijnbaar moeiteloos bewegen de glanzende lichamen door het water. We zijn telkens te laat met de camera en het resultaat is tientallen bewogen fotos met halve vinnen.

De volgende attractie na het "dolfinarium" is "Walibi". De Sergius-stroomversnellingen hadden we niet op een slechter moment kunnen nemen. We dachten dat we het allemaal goed uitgezocht hadden. De cruisingguide adviseert om er exact met hoogwater doorheen te gaan en dat klinkt erg logisch. Voor alle zekerheid checken we de getijden die onze electronische kaarten aangeven nog even met de Alaska getijdenatlas. Het klopt als een bus, 11.00 uur moeten we er doorheen. We zijn er nu eens exact met hoog water, en niet zoals gewoonlijk een uur te vroeg. In eerste instantie lijkt het rustig, maar als we de eerste nauwe bocht door de rotseilandjes nemen, pakt een stroom van 6.5 knopen ons op en sleurt ons er met een rotgang doorheen. Dit is spannender dan de wildwaterbaan in Walibi! Overal draaikolken en borrelend water. De GPS geeft 12 knopen aan. Harry kan de boot nog net op koers houden. Voordat onze hartslag weer gekalmeerd is, zijn we gelukkig weer in kalm water. Daar kwamen we weer goed weg. Wat blijkt? De stroom keert 2 uur voor hoog water! En dat detail werd nu juist niet genoemd in de cruisingguide. Op onze navionicskaarten werd dit overigens wel correct aangegeven met zowel een waarschuwing als de exacte stroomgegevens. Maar ja, de cruising guide, geschreven door ervaren Alaska-gangers, zegt dat je niet af moet gaan op electronische kaarten. Grrrrr!

 

Relaxen in de warm-waterbronnen en een walvis onder de boot

Na al die commotie gunnen we ons een paar relaxte dagen bij de warmwaterbronnen. Als we Warm Springs Bay binnenlopen, worden we begroet door een vijftigtal blaffende zeehonden op het rotseilandje voor de ingang. Aan het einde van de perfect beschutte baai dondert met veel geraas een 30m hoge waterval naar beneden. We hebben geluk. Aan de kleine openbare steiger is nog precies een plekje voor ons vrij. Zodra we afgemeerd hebben lopen we naar de badhuisjes aan het einde van de steiger. Vanaf de berghelling wordt heet bronwater via een pijplijn naar een grote badkuip gevoerd. We passen er met gemak met z'n tweeen in. Het houten huisje is open naar de waterkant zodat we uitzicht hebben op zowel onze boot als op de waterval. Dit is dus genieten van de bovenste plank!

De volgende ochtend maken we een leuke wandeling door het bos. Parallel aan de rivier liggen een drietal natuurlijke warmwaterbaden. De eerste is te heet, de tweede is goed warm en de derde is perfect. Er is nog niemand, we hebben ieder ons eigen bad. De zon schijnt door het bladerdak en achter ons raast een wild stromende ijskoude rivier. Pas als onze huid verrimpeld is en de rotte eiergeur onze porien uitkomt lopen we terug naar de boot.

Terwijl we binnen zitten te lunchen worden we opgeschrikt door gespetter, gepuf en een stevige golfslag tegen de romp. Dat zal toch niet waar zijn? Ja hoor, net zoals een koe altijd met z'n kop aan de andere kant van het prikkeldraad moet grazen, heeft een grote bultrug heeft het voorzien op een school vissen ONDER onze boot! Als ie nou maar het benul heeft dat ie naast de boot omhoog moet komen. Dat doet ie gelukkig wel, maar het blijft griezelig zo'n monster zo dichtbij. Telkens als het beest met veel gehoest en geproest boven komt, kunnen we recht in z'n bek kijken. Hij mag wel eens een mondwatertje gebruiken.....

 

Een beresterk avontuur

We liggen voor anker in Red Bluff Bay, een mooie ankerplek op Baranoff island, ten zuiden van Warm water bay. De baai heeft een lange smalle ingang en mondt uit in een beschutte kom die omzoomd is met grasland en daarachter een donker berebos. Met laag water valt de helft van de kom droog. Op de mudflats zien we herten, visarenden, raven en ganzen die zich te goed doen aan zeewier, krabbethes en schelpdiertjes. Op dit soort ankerplekken hebben we al een paar keer beren gezien. Meestal komen ze rond een uur of zes tevoorschijn Je kunt de klok er bijna gelijk op zetten. En jawel hoor, tegen het einde van de dag zien we een grizzly op het strand. Als we er met de dinghy naar toe varen, komt er een tweede het bos uit en even later een derde. Drie beren! We zetten het motortje uit en peddelen in stilte verder in de hoop dat ze ons niet horen. Beren hebben een slecht zicht maar dat wordt gecompenseerd door een uitstekend reukvermogen. Er staat een aflandige wind zodat we onopgemerkt redelijk dichtbij kunnen komen om fotos te maken. Pas op het laatste moment krijgen ze ons in de gaten en dreigen de beren langzaam in het hoge gras te verdwijnen. Maar dan draait de achterste beer zich plotseling om en begint resoluut onze kant uit te rennen, op de voet gevolgd door de andere twee. Wat blijkt? Achter ons staat nog een vierde beer, een kleintje! Opeens bevinden we ons in een gevaarlijke situatie. Ondertussen zijn met ons bootje afgedreven naar enkeldiep water. Snel stap ik uit om ons naar dieper water te trekken zodat we de motor kunnen starten om ons als de wieder weerga uit de voeten te kunnen maken. En wat denk je? Doet dat K-ding het niet!! Volgens chief Sam Big Ear zijn er in zo'n situatie slechts 3 dingen die je kunt doen: 1) Hard wegrennen. Dat loopt zeker desastreus af want een beer is sneller. 2) In een boom klimmen. Als je lenig genoeg bent is er een kans dat je het overleeft. De bosrand is te ver weg, dus dat wordt niets. 3) Staan blijven en rustig met hem praten. Omdat hij je niet goed kan zien, denkt ie dat jij groter dan hem bent, en loopt ie weg. Maar ja, wat zeg je dan? "Hallo meneer beer, wij zijn vrienden uit Nederland"? We hebben er geen vertrouwen in dat die beer nederlands verstaat, dus kiezen we voor optie 4: Peddelen!!!

 

Pech onderweg

De dag begon zo mooi. Blauwe lucht, zonnetje, tjilpende vogeltjes. Bij het uitvaren van de baai zien we langs de waterkant een kleine grizzly beer. Als een hondje zit ie een beetje suffig voor zich uit te staren. We varen er langzaam naar toe. Het beertje heeft nog steeds niets in de gaten. Maar moederbeer is niet ver weg. Boos komt ze uit de bosjes tevoorschijn en leidt haar jong het veilige bos in. We draaien Frederick Sound in en zetten koers richting Kake. Onze rustige motortocht wordt ruw onderbroken door vreselijke geluiden die ergens uit het binnenste van de boot lijken te komen. Ons vermoeden wordt bevestigd als we ook geen voortstuwing meer hebben. Oh oh, de schroefas. Waarschijnlijk toch een ijsblokje te veel geraakt. Niet iets wat we al drijvend eventjes op kunnen lossen. Er staat geen zuchtje wind, dus aan onze zeilen hebben we ook niet veel.

Wederom brengt de dinghy uitkomst en het k-motortje dat gisteren niet wilde starten, doet het nu gelukkig probleemloos. Het aluminium bootje is te licht en maakt rare bokkesprongen. Harry moet er letterlijk zijn gewicht in gooien. Met Harry langzij varen we ieder in onze eigen boot verder richting Kake. Nog tien mijl te gaan. Eigenlijk weten we niet precies wat het verbruik van onze buitenboordmotor is, maar het wordt al snel duidelijk dat we het niet gaan halen. Het vaarwater dat naar Kake leidt, ligt bezaaid met zandplaten en riffen en straks gaat de stroom tegen lopen. Er zijn een aantal sportvissers op het water, maar de enige die reageert op onze marifoonoproep is de kustwacht in Juneau. Deze begint op z'n Amerikaans een heel protocol af te steken en wil behalve de kleuren en maten van de boot, weten hoeveel vrouwen en kinderen er in gevaar zijn. Tot twee keer toe onderbreek ik de beste man en leg uit dat we (nog) niet in gevaar verkeren maar voor de laatste 5 mijl simpelweg een sleepje nodig hebben. En vanwege allerlei "liability" wetten gaat dat hier in de USA niet spontaan zoals in Nederland, maar wordt alles geregeld en afgedekt door tussenkomst van de kustwacht. Na een uur worden we "gered" door een motorboot die ons heel vakkundig de veilige haven van Kake binnensleept. Kake is een indianendorp met 700 inwoners. Ze hebben er de grootste totempaal van Alaska, maar evenveel voorzieningen voor boten als in Overdinkel.

 

Ruwe bolster, blanke pit

De bewoners van Alaska zijn uit een bepaald type taai hout gesneden. Het zijn harde werkers, doorzetters, vindingrijk en creatief. Eigenschappen die je hard nodig hebt wil je hier overleven. Ze voelen zich in de eerste plaats Alaskaan en daarna pas Amerikaan, en hebben ook niet veel op met de rest van Amerika. Alles beneden de 48e breedtegraad noemen ze geringschattend "the lower 48s". Ook van politiek moeten ze niets hebben. Toen Alaska door Amerika werd gekocht, zat de regering in Washington er eigenlijk mee in de maag. Er zouden te weinig mensen wonen. Indianen telden niet mee en waren zo wie zo niet capabel genoeg om zichzelf te besturen. Er was onvoldoende economisch draagvlak, alleen houthandel. Goud en olie was nog niet ontdekt. Het kon maar het beste een militair gebied blijven ivm de grens met Rusland. Het heeft tot 1959 geduurd voordat Alaska als staat erkend werd. Al die tijd was het land letterlijk wetteloos en moesten de Alaskanen noodgedwongen het recht naar eigen goeddunken in handen nemen. Eskimos en Indianen, maar ook immigranten uit Finland en Noorwegen werden daar het slachtoffer van. Even vergaten de Alaskanen dat ze zelf ook immigranten waren...

Je zou denken dat Alaska, een smeltpot van culturen, samen sterk tegen Washington, democratisch was. Niets is minder waar. Alaska is republikeins. In Kake krijgen we zelfs de indruk dat Alaska nog republikeinser is dan Texas. We hebben onze "redders" uitgenodigd voor een hapje en een borrel aan boord. De een bracht een setje bouten en moeren mee voor de schroefas en de ander een gigantische moot heilbotfilet en een pond gekookte crabbepoten. We hebben gesmuld van hun verhalen.

Roy is een ex-politieagent uit San Francisco die uit het corps is gestapt (of gezet?) omdat hij het niet eens was met het slappe beleid en na diensttijd op eigen houtje de ongedisciplineerde jeugd in de binnenstad een lesje ging leren. "Dit land is aan het verloederen. Homofielen moeten niet trouwen. God geeft alleen z'n zegen aan een verbintenis tussen een man en een vrouw. Homos zijn ziek en moeten behandeld worden, of stellen zich gewoon maar een beetje aan. En wat doet Obama? Die deelt smartphones uit aan de zwarten. Staat daar weer z'n hysterisch wijf met zo'n dikke kont voor de camera te gillen "Obama gave me a phone". Zwarten ja. Eerst mogen we ze geen negers meer noemen en nu zijn het "Afro-Americans". Het zijn toch gewoon zwarte Amerikanen? Dus zeg ik zwarten. Tegenwoordig moet verdorie alles ook politiek correct zijn. Die Amerikanen aan de oostkust zijn allemaal een beetje "uppedy". De doodstraf moet weer ingevoerd worden. Dat is het enige waar de zwarten respect voor hebben. Nee, doe mij maar Ronald Reagan, dat was nog eens een president". We krijgen de indruk dat hij erg eenzaam is met z'n hondje op z'n boot en dat Alaska een soort toevluchtsoord voor hem is waar hij in de zomermaanden kan ontsnappen aan de doorgedraaide wereld. Maar ook waar hij zichzelf kan zijn.

Rolly is geboren en getogen in Alaska. Een "self-made" man. Dat kun je zien. Geeft geen moer om uiterlijk vertoon. Komt gewoon in z'n werkbroek met bretels en opgerolde mouwen. Een aantrekkelijke bruine kop en grote handen die weten van aanpakken. Doet me denken aan Charles Ingles van het "kleine huis op de prairie". Z'n ouders waren goudzoekers uit de mid-west en de familie woonde op het terrein van de goudmijn in Chitchakoff. Het huisje staat er nog, we hebben er geankerd. Rolly heeft technisch inzicht en is erg handig met boten en motoren. Hij kent werkelijk iedereen en iedereen kent hem. Dat komt ook doordat hij meegedaan heeft in "The Axe-man" een TV reality show over het leven van houthakkers en sleepbootschippers in Alaska. In het begin is hij een beetje terughoudend, maar hoe rijker de wijn vloeit, hoe meer smakelijke dorpsroddels er over de tafel vliegen. We leren wie er met wie vreemdgaat, wie er allemaal corrupt zijn en wie de crabpotten leegrooft. Vreemdgangers worden door dorpsgenoten in elkaar geramd en met foto op facebook gezet. Er komen ook serieuze onderwerpen aan de orde. "Een euthanasiewet hebben wij in Alaska niet nodig" zegt Rolly droog. "We schieten ons gewoon zelf met een pistool door de kop". Hij doelt daarmee op het hoge aantal zelfmoorden onder de indiaanse bevolking die nog steeds moeite schijnt te hebben met z'n culturele identiteit, of beter gezegd, met de nieuwe wereld waarin hij niet past. De Alaskaanse culturele smeltpot blijkt overigens een wassen neus. Waarom verbaasd ons dat niet?

Rocky pass: "an explorer's dream and a marginal navigator's nightmare"

Het probleem met de schroefas blijkt minder erg dan we in eerste instantie dachten. De veroorzaker blijkt een verroeste gebroken spanbus te zijn en daarvan hadden we reserve bij ons. Na een testvaartje naar de tanksteiger waar we voor apothekersprijzen "tribal fuel" tanken en daarbij een lelijke kras op de romp oplopen omdat er roestige bouten uit de halfverrotte steiger staken, zetten we koers richting Rocky Pass. Deze smalle en ondiepe vaargeul ligt bezaaid met rotsen die net boven of onder het wateroppervlakte liggen en nauwelijks zichtbaar zijn. Midden in de vaarweg liggen velden kelp met taaie stengels die we niet in onze propeller willen hebben. Om het extra spannend te maken, moet je door twee "narrows" met een minimale diepte van 1.50m waar een behoorlijke stroom kan staan. Volgens onze Amerikaanse cruising guide is deze pas niet geschikt voor grote boten en ondanks de navigatiebakens alleen voor schippers met "superior piloting skills". Alles is relatief. In de Carieb waren wij "dat kleine blauwe bootje" en hier worden boten groter dan 30 ft aangeraden om de lastige passages eerst te verkennen met de dinghy. Onze "piloting skills" zijn misschien een beetje dubieus maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door het zelfvertrouwen van de schipper en de computer skills van de navigator. Vooral als die het met elkaar eens zijn. Gewoon goed plannen. D.w.z er met een rijzend tij in varen en zorgen dat je met hoogwater door de kritische passages gaat. Zo gezegd, zo gedaan. Met onze electronische hulpmiddelen blijkt het prima te doen. Het is veel leuker dan die grote kanalen, bovendien snijden we hier een behoorlijk stuk mee af.

Prince of Wales Island

Het is fascinerend hoe ieder vaargebied in Alaska zijn eigen identiteit heeft. We hebben de brede Sumner Strait met z'n witte koppen verlaten en banen ons nu een weg over rimpelloos water door een doolhof van honderden kleine eilanden en smalle vaargeulen. De westkust van Prince of Wales Island is een van de mooiste en ook een van de minst bezochte regios in zuid-oost Alaska. Het eiland is 135 mijl lang maar heeft een kustlijn van maar liefst 1000 mijl. Een groot deel is verklaard tot "Wilderness area". We zien honderden zee-otters, visarenden, reigers en tot onze verbazing krijgen we op een ankerplek in een piepklein inhammetje weer bezoek van een eenzame walvis. Dit is het leefgebied van de zwarte beer. Omdat ze hun territorium niet hoeven te delen met de bruine beer en er hier niet op ze gejaagd mag worden, zijn ze veel groter dan hun soortgenoten elders in Alaska. Ze lijken ook minder schuw. Op een van de ankerplekken zien we er maar liefst 6 stuks, gewoon vanuit het raam terwijl we staan te koken.

Na het ronden van de noordwestpunt van Prince of Wales island, komen we via de Dry-pass, die niet droogvalt zoals de naam suggereert, maar wel heel erg smal is, in El Capitan Passage. Deze spectaculaire vaarweg langs hoge granieten bergwanden met ronde koepels doet denken aan Yosimite Valley. In dit limestone karstengebergte zijn vrij recentelijk, in de jaren 90, een aantal grotten ontdekt met in een daarvan de perfect geconserveerde resten van een grote bruine beer die hier 45.000 jaar geleden geleefd heeft. Ook is er bewijs gevonden dat hier 10.000 jaar geleden mensen hebben gewoond. Volgens onze cruising guide kun je De El Capitan-grot bezoeken. We parkeren onze bijboot aan een drijvend steigertje en beklimmen de 370 treden die naar de opening van de grot leiden. De boswachtershuisje is gesloten en het ziet er ook niet uit dat het recentelijk open is geweest. Geen probleem, dan maar op eigen houtje. Als we bij de donkere ingang van de grot aangekomen zijn, realiseren we ons opeens dat we vergeten zijn zaklantaarns mee te nemen. Wat dom! We gaan een klein stukje naar binnen maar het is niet verantwoord om verder te gaan. We zitten ver van de bewoonde wereld, niemand weet dat we hier zijn en de grot is wel heel erg donker. Jammer, toch een leuke wandeling gemaakt en het uitzicht was in ieder geval mooi.

 

Over Raven en Arenden, drugs en alcohol

Na een weekje "wilderness" komen we aan in Graig, een redelijke plaats met een tankstation, bieb, wasserette, douches en een supermarkt. Als de boot en wijzelf weer "ship shape" zijn, varen we verder richting Hydaburg, onze laatste nederzetting in Alaska. Voor de verandering hebben we een heerlijke wind mee en kunnen we eindelijk weer eens stukjes zeilen. Omdat Hydaburg een "native" village is, verwachten we (helaas maar waar) de gebruikelijke rommel en neerslachtigheid. Maar in plaats van een miniscuul klein plekje tussen half vergane roestbakken aan een dubieuze verrotte steiger, treffen we hier een gloednieuwe marina aan met water en electriciteit. Naast ons is een indianenfamilie druk bezig een grote vistrawler van een nieuwe verflaag te voorzien. "Hallo, welkom in Hydaburg". Een weggetje met aan weerszijden wilde bloemen en roze salmon berries leidt naar het dorpscentrum. Die salmon berries lijken op een kruising tussen aardbeien, frambozen en bramen. Niet alleen wij vinden ze lekker, maar beren en kolibrietjes zijn er ook dol op. We passeren keurig onderhouden houten huisjes zonder de gebruikelijke autokarkassen of slingerend speelgoed. Een aantal huizen heeft een zgn "watchman" in de voortuin staan. Dit is een soort kleine familie-totempaal met in de piek een of meerdere figuurtjes die op uitkijk staan. Midden in het dorp is een totempaalpark met een stuk of twintig totempalen. In een werkplaats zijn twee kunstenaars uit een gigantische stam blank cederhout een arend en een raaf aan het beitelen. Een indiaan met lang grijs haar en een verrimpeld gezicht duwt me de beitel in de hand: "hier, probeer zelf maar even". Terwijl ik de beitel in het oog van de raaf zet en voorzichtig de overtollige stukjes hout wegschraap, verteld Hakum iets over de geschiedenis en tradities van zijn stam.

De Haidas kwamen rond 1700 overgestoken vanaf Haida Gwaii (de Queen Charlotte islands) en verspreiden zich over kleine nederzettinkjes in het zuiden van Prince of Wales island. Hydaburg is met 370 inwoners het grootste Haida dorp. Met het ondertekenen van de "Native land act" in 1970 kregen de indianen en Eskimos in Alaska 12% van hun gestolen land terug plus een geldbedrag van 1 miljard dollar. Dat land en geld werden in beheer gegeven aan een 12-tal regionale "native" corporaties en een groter aantal sub-corporaties met de bedoeling dat ze 20 jaar de tijd kregen om hun zelfbestuur en economie op te zetten. De intentie van de Amerikaanse regering was goed, maar de wet was veel te ingewikkeld. Het geld is grotendeels opgegaan aan zgn adviseurs en juristen. Meer dan de helft van de corporaties is failliet en gevallen voor de verleiding om het land te verkopen aan handige ondernemers uit Seatlle die nu nog steeds de dienst uitmaken.

Hydaburg lijkt een van de positieve uitzonderingen, maar heeft het erg moeilijk om z'n hoofd boven water te houden. Hun verhaal is hetzelfde als dat van Kake. Het land hebben ze jarenlang geleased aan commerciele houtkapbedrijven. Door dit zgn "clear cutting van native land is in Alaska al ruim 1.7 miljoen acres oerbos verloren gegaan. Wat natuurlijk gevolgen heeft voor de wildstand. Er zijn wel weer nieuwe bomen aangeplant, maar het duurt tientallen jaren voordat dit weer geld en werkgelegenheid op kan leveren. Het ironische is dat de USA op grote schaal hout importeert vanuit Canada. Dat is veel goedkoper. De visverwerkingsfabriek is vorig jaar gesloten. Vissers wijken uit naar andere havens of verkopen hun quota. Van het geld wordt een durn 4 wheel drive gekocht die naar 2 jaar langs de kant weg staat te rotten. Er is 1 klein kruidenierswinkeltje maar zolang wij er zijn is die gesloten wegens computerproblemen. Alle levensmiddelen, benzine en stookolie moeten uit Graig komen.

Hydaburg probeert nu toeristen te trekken door ieder jaar in juli een cultureel festival te organiseren. Tijdens een ceremonie wordt er een nieuwe totempaal in het park bijgezet. Dat wordt gevierd met zang, dans en allerlei tentoonstellingen van houtsnij- en mandenvlechtkunst. Het lijkt ons dat dit misschien wel goed is voor de eigenwaarde van de Haida gemeenschap, maar economisch zet het geen zoden aan de dijk. We vragen ons af of ze wel voldoende ondernemersgeest, kennis en kapitaal hebben om zoiets op te zetten. Bovendien is deze totempaal nog lang niet af.

Ook het persoonlijke levensverhaal van Hakum klinkt ons bekend in de oren. Als jongetje van 9 jaar door jeugdzorg bij zijn ouders weggehaald en in een internaat geplaatst. Het idee achter dit staatsprogramma was dat indianenkinderen op die manier "main stream Americans" zouden worden. In Australie heeft men iets soortgelijks gedaan met de Aboriginals, met dezelfde desastreuze gevolgen. De kerken schijnen hier overigens ook een niet onbelangrijke rol in gespeeld te hebben. Als volwassen jongeman aan de drugs en alcohol geraakt. Nu is Hakum "clean" maar nog steeds boos op de wereld en aan het worstelen met z'n identiteit. "Miljarden hectares land hebben ze van ons gestolen. Onze tradities waren taboe en zelfs onze taal mochten we niet meer spreken. Als kind wist ik niet beter dan dat ik me moest schamen voor mijn afkomst". Hakum vertelt over de twee clans, die van de raaf en van de arend. Er mag niet getrouwd worden met een partner vandezelfde clan. De Haidas kennen een matriarchie. Als een man van de raaf-clan trouwt met een vrouw van de arend-clan dan worden de man en de kinderen automatisch "arend". Als we afscheid nemen pakt Hakum een handgemaakte trommel bespannen met otterhuid en zingt voor ons een lied over de zee. Het is ontroerend. We worden er stil van en vragen ons af hoe het verder moet met deze indianen.

 

Startmotor naar de filistijnen

Het zeilen in dit gebied is drie keer niks. Er is vaker te weinig wind dan te veel en 's nachts valt de wind helemaal weg. Vanaf het meest zuidelijke puntje van Prince of Wales eiland hadden we eigenlijk naar Haida Gwaii willen oversteken, maar om dat hele stuk te motoren zien we niet zitten. Dan maar weer via Prince Rupert. Net zoals op de heenweg overnachten we op Dundas eiland. Maar wat een verschil met een paar maanden geleden! Het is warm maar je kunt niet buiten zitten omdat je lekgestoken wordt door de muggen. Bovendien delen we de ankerplek met maar liefst 5 luidruchtige motorjachten. We verlaten de ankerplek om 4.00 uur met zonsopgang om de stroom mee te hebben in de Venn-passage. Als er een klein briesje komt hijsen we optimistisch de zeilen maar na een uurtje dobberen gaat de motor weer aan. Althans, dat was de bedoeling, maar het enige wat de startmotor doet is roken. Harry probeert nog iets intelligents te doen met losse electriciteitskabels, maar dat haalt helaas ook niets uit. Voor de derde keer deze reis gaat de dinghy weer langzij en moet ons kleine buitenboordmotortje ons weer redden. Nog tien mijl en een pas met 3 knopen stroom te gaan. Halen we het nog voordat het tij kentert? Op de valreep! Met het laatste restje stroom mee gaan we door de pas en exact met doodtij komen we aan in de Prince Rupert Yacht club waar twee paar handen onze landvasten aannemen. We hebben het even helemaal gehad.
Het is gezellig druk in Prince Rupert. Het is een komen en gaan van professionele en sportvissersboten. Naast ons op de steiger is een visschoonmaakplaats waar tientallen visarenden en een dikke zeehong zitten te vechten om de afvalresten. Eentje gaat er in onze mast zitten en schijt lekker het dek onder. De terrasjes zitten vol en een nederlandse tourist zendt ons vanaf het terras een foto van de Zwerver. Onze amerikaanse zeilvrienden Tom en Jean waarmee we in Alaska een paar dagen samen hebben opgezeild, en diens zeilvrienden lopen de volgende dag ook binnen en met z'n allen gaan we heerlijk uit eten in een van de beste visrestaurants van British Columbia. Op de steiger ontmoeten we Rick en Johanna die 20 jaar geleden vanuit Nederland naar Canada geemigreerd zijn en daar nooit spijt van gehad hebben. In dit land zijn er voor mensen met een degelijke beroepsopleiding nog voldoende mogelijkheden. Er is ruimte voor het bouwen van een betaalbaar eigen huis op een riant stuk grond. De lucht en het water zijn schoon en je kunt hier naar hartelust vissen en jagen. Rick en Johanna zijn fervente sportvissers en als afscheid krijgen we een heerlijke zalm kado. Tussen al die gezelligheid door wordt er ook nog gewerkt. De nieuwe startmotor wordt binnen twee dagen geleverd en is zo weer ingebouwd. De tanks en de koelkast zitten vol. We kunnen weer verder.

De westkust van Vancouver Island

Hopend op een paar mooie etappes onder zeil, kiezen we niet voor de "inside passage" maar nemen we het iets minder beschutte vaarwater langs de buitenkant van Princess Royal en Calvert island en zetten van daaruit koers richting de westkust van Vancouver Island. Ook dit is een hele mooie route en je hoeft er gelukkig niet zoveel rekening te houden met stroom. De cruising pilot (geschreven door een motorbooteigenaar!) heeft het over "splendid downwind sailing", maar wij vinden het nogal tegenvallen. 's Ochtends vertrekken we doorgaans zonder een zuchtje wind en na 12 uur staat er al snel een frisse NW bries van 25 tot 30 knopen. Omdat de afstanden tussen de ankerplekken toch gauw 7 uur varen is, wil je niet te laat vertrekken. Het gevolg is dat je 's ochtends motort en op het moment dat je er bijna bent en een kritieke aanloop tussen de rotsen moet maken, je spijt hebt dat je geen 2e rif hebt gestoken. De westkust van Vancouver Island is een stuk ruiger dan de oostkust met verradelijke rotsen die soms ver uit de kust liggen.

De aanloop naar onze eerste ankerplek, Sea otter cove, is smal en erg ondiep. Als we het moeilijkste deel gehad hebben raken we toch nog tot twee keer toe heel even de rotsbodem. Oei, hier moet je dus geen bochtjes afsnijden! In Winter harbour, een gehucht waar ook in de zomer niets te doen is, liggen we twee dagen verwaaid aan een openbare steiger tussen de kabeljauw- en tonijnvissers. De kabeljauwvisserij wordt ernstig gereguleerd door de canadese overheid. De vissersboten hebben verplicht camera's aan boord die de vangst vastleggen. Maar gelukkig slipt er nog wel eens wat tussen de mazen door, en die krijgen wij dan weer. Je kunt er mooi wandelen. Maar we worden gewaarschuwd. Er is een cougar (een soort puma) gesignaleerd. Die krijgen we helaas niet te zien. Wel twee herten die zich bij laag water te goed doen aan het kelp op het strand.

Er lopen een vijftal diepe fjorden landinwaards, waarvan we er twee aan een nader onderzoek onderwerpen. De fjorden zijn 200m diep en sommigen wel 30 mijl lang. De wind is van het soort dat je krijgt als je in de kroeg naast de tochtdeur zit. Het ene moment varen we nog rechtop met uitgeboomd voorzeil en zodra je de hoek om gaat hellen we opeens als een gek over. Ook hier barst het van de otters en zee-arenden. Bij een voormalige missiepost leggen we even aan om te tanken. Het is nu een zomerkamp voor kinderen uit de omgeving. De opbrengst van de diesel gaat naar het goede doel.

In de monding van de Nootka Sound ankeren we in de baai waar kapitein Vancouver en kapitein Quadra elkaar in 1792 ontmoetten. Hier werd de zgn Nootka Conventie ten uitvoer gebracht, waarin Spanje afzag van al z'n claims in de Pacific North West en deze overdroeg aan Engeland. Er staat een klein wit katholiek kerkje met prachtige glas-in-lood ramen die dit historische moment afbeelden. Een geschenk van de spaanse regering.

Het sobere interieur van de kerk wordt opgevrolijkt door bonte indianen houtsnijkunst van de Mowachaht-stam die dit land in eigendom hebben en van iedereen die aan land wil gaan, een landingfee van $12.50 vragen. Er is in geen velden of wegen iemand te bespeuren die ons lastig zou kunnen vallen over landingfees.

 

 

 

Wordt vervolgd...

 

 

terug naar logboek