Madagascar

Dooie piraten op Ile St Marie

De Somalische piraten houden op dit moment de gemoederen van zeevarende naties en wereldzeilers bezig. Maar piraterij is niets nieuws en eigenlijk zo oud als de scheepvaart zelf. In geschriften van de Grieken en Romeinen wordt melding gemaakt van overvallen op de Phoeniciers in de Middellandse zee, in Noord-Afrika langs de "Barbaarse kust" waren de georganiseerde aanvallen van de Mooren op Christenen berucht. Die zelfde gevangen genomen Christenen, waaronder veel Nederlanders en Engelsen, terroriseerden rond 1600 op hun beurt weer de handelsroutes door de Middellandse zee naar Venetie. Met de ontdekking door de Europeanen van de "nieuwe wereld" en het openen van exotische rijkdommen voor westerlingen, floreerde ook de piraterij. De winsten waren hoog en de risicos klein. Dat is overigens nog niet veranderd. Uitermate lucratief waren overvallen door bucaneers vanuit piratennesten als New York en Jamaica op de suikerboten die onderweg waren van Brasilie naar Europa, de zgn "Rumline". Ook de Spaanse goud- en zilvervloten uit Zuid-Amerika waren een geliefd doelwit. Dit gebeurde vaak met medeweten van of zelfs in opdracht van regeringen. De meest bekende "privateer" was Francis Drake, die (in het geheim) van Koninging Elisabeth een vrijgeleide kreeg om handelsschepen van vijandige mogendheden te overvallen en voor zijn daden geridderd werd. Of Piet Hein ook een vrijgeleide had weet ik niet, maar "zijn daden benne groot" en hij was in ieder geval wel een volksheld. Piraterij beperkte zich overigens niet tot europese of door europese gedomineerde wateren. In de latere Ming dynastie, toen het gezag van de chinese keizer tanende was, werden schepen met koelies en opium uit India in de Chinese zee overvallen door bendes die zich verenigd hadden met de chinese maffia. Zelfs nu wordt daar nog wel eens sporadisch een schip overvallen.

De piraten langs de oost Afrikaanse kust hadden het gemund op de engelse en nederlandse Oost Indievaarders die rijk beladen met specerijen, zijde en porcelijn onderweg waren uit het verre oosten naar Kaap de Goede Hoop. Hun uitvalsbasis bevond zich op Ile St Marie, een klein eiland aan de oostkust van Madagascar, ongeveer 3 dagen zeilen vanaf Reunion of Mauritius waar de VOC schepen stopten om proviand in te slaan. Opmerkelijk was het grote aantal negers onder de piraten (ongeveer 30%), slaven die de keus kregen piraat te worden of zich dood te werken op de rietsuikerplantages. Het schijnt dat piraten niet deden aan discriminatie. De zwarte piraten deelden gewoon mee in de winst en een aantal schopten het zelfs tot kapitein. De meest bekende en kleurrijkste piraat van Ile St Marie was William Kid, een schot, die van de Earl v. Bellamont de opdracht had gekregen piratenschepen te overvallen. Een "privateer" dus, wiens carriere echter iets anders verliep dan die van Drake. William Kid begon zijn eigen lucratieve business, als piraat. Toen hij na verloop van tijd hoorde dat er een prijs op z'n hoofd stond, kreeg hij het benauwd en zocht hij steun bij z'n opdrachtgever. Deze was echter inmiddels gouverneur van Boston en leverde hem uit aan de engelsen. William Kid eindigde op het schavot in Londen en zijn lichaam werd ter afschrikking met een ketting opgehangen boven de Thames.

Vanaf het pitoreske piratenkerkhof op Ile St Marie kijken we uit op het eilandje Ile Forban, waarvan het gerucht gaat dat daar een gedeelte van Kid's schatten begraven ligt. Volgens onze gids Gregory trekt het nog steeds schatgravers uit de hele wereld en is er inderdaad wel eens "iets" gevonden.

Voor William Kid dus geen Jolly Roger op het piratenkerkhof maar als schrale troost is er een restaurant naar hem vernoemd. Het is gesloten, dus trekken we aan boord een blikje "canned courage" open.

 

Pas de recu, tout a bon confiance!

De piraterij in Madagascar heeft inmiddels plaats gemaakt voor een andere lucratieve business: corruptie. We liggen nog maar net goed en wel voor anker in de kleine havenkom van Ambifototra of we worden "overvallen" door de kustwacht. In een oude zodiac die in zichtbaar beroerdere staat verkeerd dan onze 20 jaar oude opgelapte Avon, komen een zestal "mariniers" aangepeddeld. Een buitenboordmotor hebben ze niet, of die moet net als de onze, onderdeks opgeborgen zijn ter voorkoming van diefstal. Zonder legitimatie of uniform maar stinkend naar een mengsel van rook en oud zweet, gekleed in gescheurde korte broeken en gore T-shirts vol gaten, stappen ze onzeker aan boord "pour une inspection de la drogue". Ik schat de gemiddelde leeftijd op nog geen 18 jaar. "Een glaasje koude jus d'orange voor de heren?" Bedeesd nemen ze plaats in de kuip. Eentje tovert een kladblokje tevoorschijn en schrijft met een afgekloven stompje potlood een rekening uit: dat is dan 300.000 francs, oftewel 60.000 ariari. "Uh, enne hoeveel euro is dat ongeveer?" 25 euro. Zo, dat is niet mis! "En waar betalen we nu eigenlijk voor?" Havenbelasting, tenminste dat denken we. Voor hoelang is niet duidelijk. En of dat gebaseerd is op tonnage of op scheepslengte ook niet. En of de wisselkoers klopt, daar hebben we ook geen flauw benul van. En moeten we dat straks in Helville ook weer betalen? "Helville c'est un autre cose, madame". Ach, dat hoort er ook bij, de eerste dag wordt je toch altijd genaaid en we willen in dit wetteloze land geen gedonder met de autoriteiten, dus betalen we maar braaf. Achteraf gezien hadden we natuurlijk eerst in het dorp geld moeten wisselen, en achteraf hoorden we ook dat havenbelasting 15 euro per maand is, te betalen in Nosy Be, niet op Ile St Marie. Maar achteraf is een koe z'n kont. Als de mannen weer terugpeddelen is het een en al vrolijkheid in de zodiac. Hun buit is binnen.

De volgende die geld ruikt is de douane. De hele ochtend staat er al iemand op de kade te zwaaien. En als we eindelijk 'smiddags aan land gaan springt hij snel op een brommertje om ons maar vooral niet mis te lopen. Het is nog geen 20 meter lopen, en aan z'n postuur te zien zou een beetje beweging hem wel goed doen. Oh wat spijt het me dat we de camera niet bij ons hebben. Hijgend en puffend gaat het "Michelin-mannetje" ons voor in z'n kantoortje, een bedomd kaal betonnen hok met in het midden een tafel bedolven onder de paperassen. Normaal zie je bij havenautoriteiten kasten vol ordners, maar daar is hier blijkbaar geen geld voor. Het "Michelin-mannetje" trekt ergens een kasboek onder vandaan en een hele stapel papieren valt op de grond. Hetzelfde gebeurt nog een paar keer als ie z'n stempeldoosje of potloodje zoekt. Hij vraagt niet om bootpapieren of uitklaringsbewijzen maar schrijft slechts 1 regel in het kasboek met daarachter onze namen en paspoortnummers. "Dat is dan 350.000 francs oftewel, eh, eh......". Met z'n vette handjes graait hij in een stapel papier en op de achterkant van een officieel document maakt hij een staartdeling. "...... oftewel 70.000 ariari" concludeert hij triomfantelijk. "Kunnen we daar misschien een ontvangstbewijs voor krijgen?" vraagt Harry. De man kijkt ons aan alsof hij het in Keulen hoort donderen en zegt dan met een grijnzend gezicht: "pas de recu, tout en bon confiance!" Zijn charmante maar onverbloemde inhaligheid werkt op onze lachspieren en gedrieen bulderen we van het lachen. "O.K. dan: 50.000 ariari is ook goed, ha, ha". En weer betalen we braaf.

Typisch Afrika?

Eigenlijk is het helemaal niet om te lachen, want Madagascar, een van de armste landen ter wereld, verkeert in een uiterst kwetsbare staat. Hoewel de geschiedenis van Madagascar zekere paralellen kent met die van het vaste land van Afrika (slavernij, colonialisatie en diktatuur), had het land een veel betere uitgangspositie dan de meeste andere Afrikaanse landen toen die na de 2e wereldoorlog het koloniale juk van zich afworpen. Voordat de engelsen en fransen een deal sloten met als gevolg waarvan Madagascar in 1896 tot frans protectoraat werd uitgeroepen, was het een redelijk welvarend koninkrijk. Er waren medische voorzieningen, er waren boeken en kranten en er bestond een leerplicht voor kinderen boven de 7 jaar. En omdat Madagascar een eiland is, kampen ze niet met het probleem van onnatuurlijke grenzen die in onwetendheid door de koloniale mogendheden getrokken zijn dwars door stammen heen. Hoewel de fransen met brute hand de scepter zwaaiden, investeerden ze veel in industrie en infrastructuur en de overgang naar de onafhankelijkheid gebeurde geleidelijk, op democratische en vreedzame wijze zodat er geen kapitaals- en kennisvlucht ontstond. De fransen, veelal gehuwd met locale vrouwen, bleven en Madagascar kende aanvankelijk een stabiele periode met betrekkelijke welvaart. En dan, na een jaar of tien gaat het toch opeens mis. De gekozen president blijkt niet echt tegen z'n taak opgewassen, er heerst ontevredenheid onder een groot deel van de bevolking, de oppositie wil socialisme en begint te flirten met de russen. De fransen verbreken alle verbindingen en verlaten het land. Geld en kennis verdwijnt. De ene militaire coupe volgt op de andere en tijdens een 17 jaar durend dictatorschap van ene Ratsiraka, die nu met gestolen geld in luxe ballingschap in Frankrijk leeft, wordt het land uiteindelijk naar de verdoemenis geholpen. Ter vergelijking, om aan te geven op welk niveau het land had kunnen zijn:: in die periode groeien veel armere landen in Azie uit tot "Asian Tigers".

Op dit moment wordt Madagascar helemaal niet bestuurd. "Wel zo rustig", vindt de immigratie agent die bij ons aan boord komt om de paspoorten te stempelen. Hij ziet bevreesd de komende verkiezingen tegemoet. Vorig jaar woede er overal onlusten en stond het land aan de vooravond van een heuze burgeroorlog. Rudy, een oostenrijker die 20 jaar geleden in Nosy Be een charterbedrijf begon (en nog steeds op touristen wacht), schetst een aardig beeld van de angstige sfeer en chaos die er toen heerste. Vrouwen en kinderen waren voor de zekerheid het land al uit. Een groupje gestrande touristen heeft hij met zijn catamarans veilig naar Mayotte kunnen zeilen. Met nog een paar buitenlanders bleef hij achter om z'n bezittingen te bewaken. Bewust maakten ze hun eigen jeeps onklaar opdat ze niet door zwaar bewapende dronken militairen geconfisceerd werden, die midden in de nacht met helicopters op hun terrein landden. De blanken durfden ze met geen vinger aan te raken, maar hun eigen landgenoten werden om het minste of geringste op wrede wijze afgeslacht. 6 Maanden geleden vond de zoveelste militaire coupe plaats en prompt werden alle geldkranen uit het westen en van de Afrikaanse Unie gesloten. Touristen met hun harde euros blijven weg. Het loon van overheidspersoneel wordt bevroren en vaak niet eens uitbetaald, terwijl het dagelijkse leven steeds duurder wordt.

Die jongens van de kustwacht krijgen per maand 8 euro salaris plus gratis cigaretten. Geld voor schoenen of een uniform is er niet. Ze kunnen hun werk niet eens naar behoren uitvoeren want geld voor benzine of onderhoud voor hun boten is er ook niet. Als reiziger hoor je niet te oordelen, maar je slechts te verwonderen. Wij vinden het niet zo verwonderlijk dat corruptie hier welig tiert.

Een winderige Cape d'Ambre

 

Om van Ile St. Marie aan de oostkust naar Nosy Be aan de westkust te komen, moet je eerst nog even Cape d'Ambre ronden. Kapen zijn altijd vervelend; er staat altijd veel wind en in combinatie met rare stromingen zorgt dat voor woelige zeeen. Zowel de noordkaap als de zuidkaap van Madagscar is berucht om z'n slechte condities en de verhalen van andere zeilers stellen ons niet erg gerust. "Je moet heel dicht onder de kust blijven" zegt Pierre, een doorgewinterde Zuid-Afrikaan. "Zo dicht dat je bij wijze van spreken met een been op het land staat". We volgen zijn raad op, maar als we merken dat het echt niets uitmaakt of je nu 0.5 mijl, 1 mijl of 5 mijl uit de kust vaart, kiezen we voor het laatste. Wel zo lekker voor je gemoedsrust. De kaart klopt niet, vuurtorens werken niet. Bovendien ligt de kust bezaaid met ongemarkeerde wrakken, restanten van orkanen die het eiland minstens elke 2 jaar teisteren. Het valt allemaal reuze mee. In de nacht krijgen we 30-35 knopen wind, maar we hadden op tijd dubbel gereefd. Bovendien komen wind en golven achterop. We surfen van de golven af maar de boot blijft goed bestuurbaar. Twee keer zien we een rug met een vin uit het water komen. Bultruggen? We ronden de kaap bij daglicht met 15-20 knopen wind en uitgeboomde genua. De GPS wijst een grondsnelheid van 10 knopen aan! Aan de westkant van de kaap wordt het water opeens glad en is het super zeilen. Niet iedereen heeft zoveel mazzel. Een bevriende amerikaanse zeiler breekt z'n voorstag en raakt 's nachts een drijfend object. Een scheur van 20 cm in het onderwaterschip en natte voeten!

Ydille of armoede?

Het eilandenrijk voor de noord-west kust van Madagascar doet ons in menig opzicht denken aan de Solomons of Vanuatu in de Stille Oceaan. Tropische juweeltjes, nauwelijks bezocht door toeristen. Heerlijk zeilen in beschut water, een ruime keuze aan goede ankerplekken waar "Joe Langouste" of "Abdi met z'n roze gelakte nagels" je komt begroeten in z'n cano om paradijselijke goederen als kreeften en krabben te ruilen tegen aardse koopwaar als T-shirts, korte broeken en vishaakjes. We verbazen ons enigszins deze primitieve canoos uit de pacific ook hier nog aan te treffen. We hadden verwacht dat men het ontwerp in de laatste 100 jaar wel zou hebben aangepast en concluderen al snel dat de bevolking wel erg primitief moet zijn. Maar misschien zien we het wel helemaal verkeerd. Toen Darwin in Patagonie in 1837 dezelfde canoes zag als Drake 250 jaar eerder, dacht hij ook dat de Indianen wel wilden moesten zijn. Maar als nu bijna 400 jaar later het ontwerp nog steeds hetzelfde is, dan kun je eigenlijk alleen maar concluderen dat het ontwerp gewoon perfect is. Voor dit vaargebied met z'n vele onzichtbare riffen is het dat in ieder geval wel. Misschien is de bevolking dus wel gewoon heel erg slim?

Dat ook het dagelijkse leven overeenkomt met dat van de Polynesiers is misschien niet zo verwonderlijk; dat waren immers de eerste inwoners van Madagascar. Naar westerse maatstaven zouden we het leven hier armoeiig noemen. Families leven dicht op elkaar in kleine rieten hutjes die van binnen praktisch leeg zijn. Er liggen een paar matjes op de grond om op te slapen. Er is geen stromend water, geen electriciteit en sanitaire voorzieningen kennen ze niet. Rondom het erf lopen kippen, ganzen en eenden. Vrouwen in kleurige doeken, doen gezamenlijk de was in de rivier of als er een put is, bij een centrale wasplaats, babies ernaast in een plastic teiltje. Ze hebben hun gezicht ingesmeerd met een wit of geel goedje ter bescherming voor de zon. Er wordt veel gelachen. Het barst van de kleine kindertjes met guitige kraaloogjes en kunstig gevlochten kapsels. "Saluut Wasa" (hallo witte vreemdeling) roepen ze vrolijk, in de hoop dat ze een snoepje krijgen. Hun speelgoed bestaat uit schelpen, een sardienblikje met een touwtje eraan of een houten zwaard. Al van jongs af aan moeten ze meehelpen in het huishouden. We zien jochies van een jaar of acht met een zware houten stamper de rijst stampen. Hun iets oudere broertjes gaan net als hun vaders in hun piepkleine kano's de zee op om te vissen. Ter verlichting van het zware werk wordt er luidkeels gezongen. Oudere mannen voor wie het vissen te zwaar is geworden, zitten gezellig keuvelend bij elkaar onder de mangoboom terwijl ze de netten repareren. De meisjes zoeken schelpen langs het strand die met een steen stuk worden geslagen om het schelpdier eruit te halen. Met een rieten mand op hun hoofd en een kleiner broertje of zusje op de heup, lijken het net kleine moedertjes.

Honger is er niet, maar voor de armsten en degenen die niet zelf verbouwen, is het eten erg eenzijdig. Het nationale gerecht is rijst in cocusmelk met gebakken vis. Erg lekker, maar wij hoeven het niet 3x per dag te eten. Koken wordt nog steeds zoals eeuwen geleden gedaan op een houtsvuurtje dat de hele dag door brandt. De eens rijk beboste heuvels zijn al grotendeels kaal, door begrazing maar ook door illegale houtkap. Toevallig horen we op de BBC dat de bossen in Madagascar om die reden nu op de Unesco lijst staat van bedreigde natuurgebieden. Deze bossen zijn het leefgebied van talrijke unieke diersoorten, waaronder de halfaap, het nationale symbool van Madagascar. Ook de mangrovebossen, de kraamkamer van de krabben en ander zeeleven, moeten eraan geloven.

We zijn getuigen als twee vrachtscheepjes volgeladen worden met 250 zakken houtskool van mangrovebossen. Een zak houtskool brengt 2 euro op. Het hele dorpje, wat geen andere inkomsten heeft, kan hier een paar maanden van leven. Paul, bij wie we een excursie in een traditionele zeilkano hebben geboekt, vertelt dat er een boete op staat van 500 Euro (bijna een jaarsalaris) plus een gevangenisstraf van een aantal maanden. Ik vraag hem of ze niet bang zijn dat ze gesnapt worden. "Welnee, de politie controleert nooit want ze hebben geen boot". Trouwens, wat voor alternatief hebben de mensen? Een gasfles van 9kg, alleen verkrijgbaar bij benzinestations in de stad, kost 16 euro oftwel een weekloon!

La vie est belle.... et commenca demain

Op het eiland Mitsio worden we rondgeleid door Zacharias. We zien oa hoe "dingading" (zeekomkommer) gevangen en gepekeld wordt voor transport naar China. Grote inktvissen hangen te drogen in de bomen en overal moeten we ons ontfermen over zieke kinderen en bejaarden. Dat is wel eens lastig; ten eerste hebben we niet een onuitputtelijke voorraad medicijnen aan boord, maar wat zeg je bovendien tegen iemand die kiespijn heeft en denkt dat je dat kunt verhelpen met een simpel aspirine? Als ik nee schudt vraagt hij: een snoepje dan? Of iemand die een lelijke infectie aan z'n voet heeft en daarmee heerlijk door de modder banjert. Enerzijds kun je met simpele middelen heel veel doen en tegelijkertijd is het allemaal zinloos. Hun verwachtingen zijn hoog en als wij ze moeten teleurstellen laat dat vaak een rotgevoel achter. Een andere dag organiseert Zacharias voor ons een exclusieve "grillade" op het strand, met een onwaarschijnlijk mooie zonsondergang met uitzicht op onze boot. Wij nemen een fles wijn en voor de zekerheid ook maar twee grote schalen salades mee, je weet maar nooit wie er nog meer mee-eet. Goed ingeschat, de hele familie en aanverwante familie dus. Ondanks dat het moslims zijn (wisten wij veel) gaat de wijn en salade met ham schoon op!

Van Mitsio naar Nosy Be nemen we een lifter mee aan boord. Afan komt oorspronkelijk uit de Comoren. Als kind is hij met z'n familie naar Madagascar gevlucht in de hoop op een beter leven. Viel dat even tegen! Z'n moeder is inmiddels gestorven en z'n vader is na de racistische uitbarstingen in de 80'er jaren waarbij Comorianen op gruwelijke wijze door de Malagassies in de pan werden gehakt, terug gegaan naar de Comoren. Afan woont nu met z'n broers in Craterbay en probeert z'n hoofd boven water te houden door allerlei klusjes te doen op boten en als dat niet lukt, met vissen. Hij verdient daarmee 2 euro per dag. Hij vraagt of wij hem niet in dienst willen nemen, maar wij hebben geen werk voor hem en zijn bovendien erg op onze privacy gesteld. Maar soms vragen we hem op onze boot te passen als we 's avonds uit willen en iedere week geven we onze was af bij z'n familie. Maar als hij dan weer een paar cent verdient heeft, treffen we hem de volgende dag om 9 uur 's ochtends al in beschonken toestand aan. "Kunnen jullie me niet meenemen naar Mayotte?". Geen haar op ons hoofd die daar aan denkt.

Dat verzoek krijgen we later nog een paar keer van andere jongens. Eentje is zelfs zo wanhopig dat hij ons geboortebewijzen laat zien van z'n opa, oma en vader, die allemaal de franse nationaliteit hebben. Alleen hij had de pech geboren te worden in de gevangenis; z'n moeder was een Malagassische prostituee. Zijn grote droom is nu om via Mayotte, wat Frans is, naar Frankrijk te gaan waar hij geld zal krijgen zelfs als hij niet werkt. Ik vrees dat we zijn droom ruw verstoord hebben...

Ondanks de vele problemen die het land kent, maken de Malagasies met hun aanstekelijke lach, op ons een onbezorgde indruk. Ze leven letterlijk bij de dag in de hoop dat het morgen beter wordt. Onze "thuishaven" is Craterbay. Van hieruit is het een kwartiertje met de taxi naar de hoofdstad Hellville waar we onze inkopen doen en zakelijke dingetjes regelen. De taxi is een gammel Renault 4-tje, die pas vertrekt als er 6 passagiers en een mand met levende kippen ingeladen zijn. De radio gaat aan, op het hoogste volume uiteraard en iedereen zingt luidkeels mee. Als we de heuvel afgaan, wordt de motor uitgezet om benzine te sparen en bij het tankstation worden we gevraagd om de rit even voor te schieten zodat de bestuurder er weer een paar liter in kan gooien en wij ook de heuvel weer op komen. Hellville heeft een bruisende markt waar je uitstekend groente en fruit kunt kopen. Ze verkopen er ook vers vlees, maar dat ziet zwart van de vliegen. Venters dragen het in reepjes gesneden vlees aan een stok over hun schouders zoals de Chinezen twee emmertjes water halen. Tot onze verbazing wordt er nauwelijks over prijzen onderhandeld maar probeert ook niemand ons het vel over de oren te trekken.

Hellville is genoemd naar generaal Hell. De hoofdstraat heet "Cours de Hell" en ironisch genoeg hangt het straatnaambordje op de gevel van de kerk. Te oordelen aan de koloniale gevels van de vervallen villa's, moet het ooit een welvarende stad geweest zijn. Er grazen nu geiten in het met onkruid overwoekerde parkje, maar de sfeer is er niet minder om.

 

Een dagje op het politiebureau

Het "Commissariat du Police" waar we onze visa moeten verlengen, is ook in zo'n koloniale villa gevestigd. We worden verwezen naar de chef die bureau houdt aan de achterzijde. We moeten eerst door een "tuin" met kniehoog onkruid vol oude autobanden en andere troep. Er staat een was in een sopje en een enorme roestige teil met vuile vaat. Op het terrein lopen eenden, kippen, ganzen en er hangen en liggen allerlei verloren types rond die ergens op lijken te wachten. We zien de bui al weer hangen maar worden bijzonder hartelijk ontvangen door een stevig geproportioneerde vrouw in een kraak-helder witte bloes, bloedrode gemanicuurde nagels en een bobline dat stijf staat van de haarlak waardoor het iets weg heeft van een lampekap. Voor haar bureau, op de betonnen vloer, ligt een knielende man met z'n handen voor z'n borst gevouwen. Het duurt even voor we door hebben dat hij zit te bidden. Er worden twee stoelen voor ons bijgeschoven. Niemand lijkt zich iets van de biddende man aan te trekken. De chef ziet onze vragende blikken en verklaart alsof het de gewoonste zaak is: "Oh, dat is een Srilankees. Kwam hier met een vals paspoort waarvoor hij 5000 euro heeft moeten betalen. Moet je eens kijken, die foto lijkt er toch helemaal niet op, c'est fou, zelfs een leek kan zien dat dit nep is". Ze windt zich duidelijk meer op over de slechte kwaliteit van het valse paspoort dan dat ze begaan is met het lot van de vluchteling. De Srilankees begint steeds luider te jammeren tot de chef er genoeg van heeft en met een gebaar alsof ze een lastige vlieg wegjaagd hem de kamer uitstuurt. Terwijl de man wordt meegenomen naar een verhoorruimte naast de onze, haalt de chef met een zwaaiende beweging een antieke remmington tevoorschijn. "Mon ordinateur" (mijn computer) zegt ze met een bulderende lach niet geheel zonder zelfspot. En terwijl Harry het woord doet, en de chef een gevecht aangaat met het zwart-rode inktlint dat telkens vastloopt, kan ik mijn oren niet afhouden van het gesprek dat naast ons gevoerd wordt. Het verhaal van die Srilankees wordt steeds triester. Hij heeft ook nog eens 250 euro moeten betalen voor een afschuwelijke boottocht. Aan het einde van een vermoeide maar interessante dag gaan wij naar huis met het begeerde zwart-rood getypte vellletje vol type-ex klodders dat ons het recht geeft tot een extra verblijf van 3 maanden in Madagascar. De Srilankees blijft berooid en ontgocheld achter. Waar zou hij slapen vanacht?

We vermaken ons prima en merken absoluut niets van de criminaliteit waar menigeen ons voor gewaarschuwd heeft. Iedere week zeilen we met een goed gevulde koelkast naar andere baaitjes en eilandjes, altijd begeleid door dolfijnen en schildpadden. Voor 2 euro koop je hier een liter lekkere rum. We slaan een flink aantal flessen in en maken allerlei exotische varianten met verse vruchten, wilde honing en staafjes vanille. In Craterbay doen we als enig buitenlands jacht mee aan de jaarlijkse zeilregatta. We laten minstens 4 catamarans achter ons maar eindigen achter in het klassement omdat we schitterden door afwezigheid tijdens het zaklopen. Heel gezellig en interessant om te horen van de plaatselijke expats hoe het leven op Madagascar is. Goed dus..... als je geld hebt.

 

Mayotte

200 Mijl ten westen van Madagascar en 300 mijl ten oosten van Mozambigue, ongeveer op de 12e breedtegraad, liggen de Comoros eilanden. Onze bestemming is Mayotte. Een strategische stop om te provianderen, schoonschip te maken en het weer af te wachten voor de oversteek van het Mozambigue kanaal. Helaas is er altijd weinig wind op de route vanaf Madagascar en moeten we de eerste dag motoren. De tweede dag pikken we de zuid-oost passaat weer op maar die blaast dan meteen weer met 25 knopen waardoor we veel te vroeg in het donker in Mayotte aankomen en 2 uurtjes moeten bijliggen om de doorgang door het rif bij daglicht te nemen. We vrezen nog even dat de zuidelijke Passe de Bandele misschien onbegaanbaar is met deze wind. Er staan indrukwekkende brekers aan weerszijden van het rif, maar de pas zelf is rustig en prima bebakend. We doen een peiling en constateren dat onze C-maps positie voor de verandering nu eens exact klopt. We merken ook niets van stroming en varen zonder noemenswaardigheden richting Dzaoudzi waar we de laatste vrije mooring op pikken.

Verkeerde keus

Tot 1975 waren de Comoros een kolonie van Frankrijk en omdat ze met harde hand bestuurd werden is het misschien niet zo verwonderlijk dat 3 van de 4 eilanden tijdens een referendum de onafhankelijkheid verkozen ondanks de jaarlijke subsidie van $20 miljoen die daarna natuurlijk ingetrokken werd. Op Mayotte was aanvankelijk 64% tegen onafhankelijkheid, maar dat percentage steeg al snel naar 99% toen ze zagen hoe de rest van de Comoren in een duizelingwekkende vaart naar de afgrond werd geholpen door een opeenvolgende rij van tirannen, zakkenvullers of andere idioten. Binnen een maand (!) na de onafhankelijkheid was de eerste coupe al gepleegd. Daarna volgden er meer, plus een geslaagde moordaanslag op de president. De Comoren zijn nu zo arm als de kerkratten, de gekozen fundamentalistische moslimregering dwingt de Shria wetgeving op aan het volk en corruptie viert hoogtij. De Franse Police au Fontieres heeft z'n handen vol om de dagelijkse illegale immigrantenstroom naar het rijke buureiland Mayotte een halt toe te roepen.

Iedere week zien we hoe vluchtelingen in getraliede overvalwagens op de veerpont terug naar huis gezet worden. Het zijn vooral jonge mannen die hun geluk beproeven maar er zitten ook gezinnen met kleine kinderen bij. Ze komen niet alleen uit de Comoros maar ook uit Madagascar en zelfs van het Afrikaanse vaste land. Soms is het heel duidelijk te zien. Aan hun gelaatstrekken of hun afwijkende kleding. Soms ook helemaal niet. Ik vraag me af hoelang deze mensen hier al zijn. We horen dat maar liefst 1/3 van de inwoners hier illegaal is. 50% van de schoolkinderen staat nergens geregistreerd. De Fransen organiseren actief razzia's en weten precies waar ze zoeken moeten. Op de veerpont, op de markt en ook in de volksbuurten. Op een dag sta ik te wachten op de veerpont naar Grande Terre, het hoofdeiland waar de meeste supermarkten zijn, als opeens geruisloos overal militairen in camouflagepak verschijnen die zich strategisch bij alle uitgangen opstellen. Alle passagiers moeten zich legitimeren. "Ausweis bitte" denk ik. Ondanks dat het er allemaal heel geciviliseerd aan toe gaat krijg ik een rotgevoel. De overige reizigers ook denk ik, want het is opeens opvallend stil. De meesten kunnen gewoon doorlopen maar een vijftal wordt meegenomen. Ik heb mijn paspoort niet bij me, maar mij wordt ook niets gevraagd. Verkeerde huidskleur.

Volgend jaar krijgt Mayotte de status van Frans departement en krijgen de Mahorais exact dezelfde rechten en plichten als de Fransen in Europa. Ik vraag me af of ze beseffen wat dit inhoudt. Zo wordt oa ook de omstreden hoofddoekjeswet ingevoerd in een land dat weliswaar overwegend moslim is maar waar de kleurrijke hoofdtooi van de vrouwen alles met het afrikaanse culturele erfgoed te maken heeft. De moskeen mogen dan niet meer luidkeels van de toren blazen en tijdens Rammadan geldt de normale winkelsluitingswet. "Kunnen we eindelijk rustig slapen ", zegt een Franse politie-agente voldaan. Zover over verdraagzaamheid.

Luilekkerland

De tijd op Mayotte vliegt voorbij zonder dat we nu eigenlijk precies kunnen zeggen waarmee we onze dagen vullen. Erg ondernemend zijn we nou ook niet bepaald. Met deze harde zuid-oost passaat hebben we niet veel puf om de lagune per boot te verkennen. De ankerplekken zijn diep en niet altijd goed beschut. Bovendien willen we niet het risico lopen dat onze mooring door een andere boot wordt ingepikt. Eigenlijk zijn we dus gewoon lui. Een eilandtoertje met de auto zien we nog wel zitten. De eerste week zijn alle auto's verhuurd omdat het hoogseizoen is. De tweede en derde week staken de benzinepompen omdat de zwarten hetzelfde salaris willen als de blanken. Die eis steunen we van harte maar voorlopig komen wij dus niet veel verder dan het dagelijkse uitstapje met de veerpont naar Super Jumbo, Hypermarket en Shopi op Grande Terre, het hoofdeiland van Mayotte. Er is een overvloed aan van alles en nog wat, maar het heeft wel een (Europese) prijs. Mayotte produceert zelf niets en vrijwel alles wordt ingevoerd uit Frankrijk. Na al die krabben en kreeften in Madagascar staat er voor de verandering nu eens Boeuf Bourgognon met spruiten op het menu. Ook ons sociale leven gaat erop vooruit. We worden tijdelijk lid van de jachtclub waar we dagelijks een biertje en en lekkere douche nemen. Iedere vrijdag is er een Grillade waar we ons Frans kunnen ophalen. Harry doet nog wel een paar kleine klusjes aan boord die eigenlijk het vermelden niet waard zijn. En ik maak me belachelijk door een zielige hond uit het water te redden die, eenmaal gered, doodleuk weer het water induikt. He, dat is een leuk spelletje...... Grrrrr.

Zieleloos

De vierde week is de staking voorbij en hebben we mazzel dat er een auto gecancelled wordt. Uitgerekend die dag regent het, maar dat mag de pret niet drukken. Samen met onze Amerikaanse zeilvrienden van "Far Niente" gaan we gewapend met de touristenbrochure van de plaatselijke VVV op excursie naar "l'ile aux tresors". Misschien dat het toch aan het weer ligt, maar wij krijgen sterk de indruk dat er behoorlijk wat ge-photo-shopped is door het Departement du Tourisme. De bezienswaardigheden worden erg goed verborgen gehouden en als we ze al vinden ligt er vrijwel altijd een grote vuilnisbelt naast. Het eiland is versmeerd. Niet alleen worden blikjes, plastic flessen en chipszakjes achteloos weggeworpen, maar bij de mooiste uitzichtpunten vinden we pal naast de picknickbankjes afgedankte koelkasten en andere huisraad. Voor ons getuigt dit van een totaal disrespect voor de natuur. De mensen zijn beleefd, maar stukken gereserveerder dan de goedlachse Malagassies. Ze verschuilen zich binnen in hun oerlelijke betonnen en golfplaten huisjes, afgeschermd door nog lelijker verroeste golfplaten omheiningen. We zien geen enkele bedrijvigheid, geen vissers, geen landarbeiders. De markten liggen vol met kleding en plastic rommel uit China maar groente en tropisch fruit zijn amper te vinden. Er wordt niet gezongen, geen muziek gemaakt. Dit land leeft niet maar is volledig zieleloos.

 

Mozambique

Ilha de Mozambique: Reliek van een voorbije wereld

We liggen voor anker in een ansichtkaart aan de voet van een 16e eeuws Portugees fort dat z'n kanonnen op ons gericht heeft. Arabische dhows varen in hoge snelheid voorbij. Ogenschijnlijk met geen ander doel dan een lust te zijn voor het oog. Langs de waterlijn staan vervallen pakhuizen opgefleurd door rode bougainville, een wit moskeetje en een roze kerktoren, met daartussen een enkele scheef gewaaide palmboom. Op het strand tussen de drooggevallen bootjes liggen visnetten te drogen. Er hangt een lome stilte over het stadje en de prikkelende geur van smeulend houtskool komt ons tegemoet.

Het is 7 uur 's ochtends, maar we zijn al gesignaleerd. Er stapt iemand in een kano en even later maken we kennis met Saeed. "Welcome in Ilha de Mozambique. Vandaag is het nieuwe maan en vieren we het einde van de Rammadan. Ik zie het als een voorspoedig teken dat jullie uitgerekend op deze speciale dag aangekomen zijn. In sha'Allah". Hij is niet opdringerig, spreekt een mondje engels en maakt ons die ochtend wegwijs in Stone Town, of beter gezegd, wat daarvan over gebleven is want menig gebouw heeft wel iets meer nodig dan een likje verf. We zijn diep onder de indruk en weten nu al dat ons verblijf hier een hoogtepunt gaat worden.

Ilha de Mozambique werd in 1498 door Vasco da Gamma ontdekt. Zijn standbeeld staat op het plein voor het gouverneurs paleis. Daarvoor was het een sheikdom opgericht door Hassani en Moussa Mbiki, waar Mozambigue waarschijnlijk z'n naam aan te danken heeft. Voor de Portugezen was Ilha de Mozambique in eerste instantie een belangrijke aanloophaven om hun schepen op de handelsroute naar Goa in India te bevoorraden en te repareren. Daarna groeide het al snel uit tot een van de belangrijkste handelssteden in goud, ivoor en slaven en tijdens het Portugeze koloniale bewind werd het de hoofdstad van Mozambique. Om hun belangen te beschermen tegen vijandelijke mogendheden werd meteen met de bouw van het imposante fort begonnen. Zowel de Nederlanders als de Engelsen hebben door de eeuwen heen meerdere keren de stad belaagd, maar het uit koraal opgetrokken fort is nooit gevallen. Vermoedelijk liggen er hier wel een paar gezonken VOC schepen voor de kust want tussen de oude Portugeze munten die straatkinderen ons hier tegen woekerprijzen proberen aan te smeren vinden we ook regelmatig VOC-muntjes. En in het maritieme museum ontdekken we tot onze verrassing een paar koperen boordlichten met het opschrift "stuurboord" en "bakboord". Onze gids heeft echter nog nooit van de VOC gehoord en is ook niet geinteresseerd om er iets bij te leren.

Stone Town versus Macuti town

De geschiedenis van het eiland is overal op straat zichtbaar. Aan de architectuur van de bouwwerken kun je niet alleen de historische belang maar ook het multiculturele karakter van het eiland afleiden. Naast een aantal kleine moskeeen herkennen we de Arabische invloed in de kunstig bewerkte houten deuren zoals je die ook aantreft op Zanzibar. De Portugezen hebben behalve forten ook een groot aantal kerken achtergelaten die grote gelijkenis vertonen met die in Salvador de Bahia. Dat is overigens niet zo verwonderlijk want van hieruit werden de slaven naar de suikerplantages in Brazilie verscheept. Rijke Braziliaanse scheepsmagnaten vestigden zich aan het einde van de 18e eeuw op Ilha de Mozambique in riante huizen met weelderige tuinen. Meest imposante gebouw, of liever gezegd gebouwencomplex, is het oude jezuitenziekenhuis, dat wel iets weg heeft van de Rijkskanselaarij in Berlijn. De voorgevels zijn nog intact maar aan het dak ontbreekt en de achterkant is een ruine. Er hangt wasgoed en vrouwen zitten gehurkt voor kleine houtskoolvuurtjes hun rijst te koken. Het voormalige Jezuitenklooster en gouverneurspaleis is nu een museum dat in wonderbaarlijk goede staat verkeerd. Alleen de wasteilen duiden op enkele lekkages in het dak maar de handgesneden antieke meubels uit India, de massieve hardhouten vloeren en zelfs de vloerkleden zijn allemaal nog in tact.

Het eiland werd pas lang nadat de slavenhandel was afgeschaft opengesteld voor de zwarte bevolking. Die mochten zich echter niet in Stone Town vestigen maar op de andere helft van het eiland, keurig gescheiden door een muur. Die tweedeling is nu nog steeds zichtbaar en wordt de laatste jaren zelfs weer versterkt. Mozambique is zo arm als de kerkratten en heeft zelf geen geld voor restauratieprojecten. We ontmoeten een gedemotiveerde Unesco medewerker die ons uitlegt wat de problemen zijn. Met veel bombarie wordt er een Unesco-kantoor geopend maar daarna wordt het erg stil. Het zijn zgn "holle" projecten. Veel energie en geld wordt besteed aan voorlichting en promotie om sponsors te trekken. Er worden gevechten gevoerd met corrupte overheden die voor een ruine al gauw $100.000 vragen en het geld in eigen zak laten verdwijnen. Wat je nu ziet is dat steeds meer historische gebouwen in handen komen van buitenlanders. Niet om er te wonen, maar om er hippe restaurants, theatercafes of hotels van te maken, in de hoop dat het eens touristen zal trekken. Niet ideaal, maar de enige manier om dit culturele erfgoed voor de toekomst te behouden.

De gewone bevolking woont in Macuti town, dicht op elkaar gepakt in lemen of betonnen huisjes met strodaken, verstoken van gas, water en electriciteit of enige sanitaire voorzieningen. "Beter aangepast aan het afrikaanse klimaat" zegt de toeristenfolder tactisch.

Schrijnend

Winkels zijn er op het hele eiland practisch niet. Zelfs kraampjes zoals we in Madagascar zagen ontbreken. Er is een groentemarkt waar we twee zwarte wortels, een verschrompelde paprika en een kropje sla kopen. De verkoper heeft voor nog geen euro aan handel liggen en minder dan 2 euro aan kasgeld. Het heeft ons bijna een uur gekost om een biljet van 2 euro te wisselen. Niemand heeft hier zoveel geld op zak. Op de vismarkt treffen we dezelfde situatie aan. Twee standhouders zittend op een emmer, ieder met drie stapeltjes sardientjes voor zich. Juist als we het willen opgeven, worden we benaderd door een jongen met een tros grote kreeften aan een touwtje. Vier middelgroten voor 4 euro. In een andere straat loopt een mevrouw met een mand versgebakken broodjes. Centenwerk. De volgende dag tikken we op die manier een pond garnalen op de kop. De armoede is schrijnend. Kinderen, maar ook volwassenen hebben vaak niet meer dan een versleten onderbroek. Het jongetje dat iedere dag op onze bijboot past geven we een paar gympen. Drie maten te groot, maar wel echte Nike Airs. Hij is de koning te rijk. Als we aan land gaan staan de straatschoffies ons al op te wachten. Ze willen allemaal op de boot passen, ons de weg wijzen naar het internetcafe, water halen, de was doen en ons afval hebben om er nog iets bruikbaars uit te halen. "Mag ik dit hebben?" vraagt Mohammed. Uit onze afval heeft hij een touristenbrochure van Mayotte gevonden, besmeurd met ketchup en koffieprut. Soms leidt dat tot schermutselingen en moeten we de gemoederen sussen door snoepjes uit te delen. Ik verwacht ieder moment een bezoek van de onderwijzer want wij zijn natuurlijk interessanter dan school. En ondanks deze armoede zijn de mensen ontzettend opgewekt en te goeder trouw. Harry koopt ergens een pakje cigaretten. De winkelier heeft weer eens geen wisselgeld. Geeft niet. "Neem maar mee", zegt de man "en betaal morgen maar". De eigenaar van het internetcafe zegt: "ik moet even weg, pas je zolang op de winkel? En als hij terug komt vraagt hij: "hoelang heb je gebruikt?"

Ontwikkelingswerk....

We hebben het prima naar onze zin. Zozeer zelfs dat we besluiten iets langer te blijven en een gunstig weergaatje laten lopen. Heel dom! Het volgende weergaatje laat zich voorlopig nog niet zien. Bovendien begint onze voorzichtigheid te verslappen. Op een nacht wordt ik wakker en ontdek dat mijn wasgoed van de lijn is gestolen. Als ik weer naar binnen ga zie ik een stapeltje bankpasjes en creditcards op de kaarttafel. De portemonnee waar ze in zaten, evenals de $100 zijn verdwenen. De verrekijker die er naast lag is er nog. De handdoek op het stuurwiel is verdwenen, evenals Harry's cigaretten en aansteker. Zelfs z'n verschoten "I love Hongkong"-petje en immitatie zonnebril waarvan een pootje is afgebroken, hebben ze meegenomen. Het bijbootje is er nog, de peddels en het motortje gelukkig ook. Maar mijn versleten crocs met gaten in de zool zijn verdwenen. Hoewel er voor ons niets van essentiele waarde is gestolen, laat het toch een wrange smaak achter. We hadden ons zo voorgenomen om, als we goed door Mozambique heen kwamen, een positief artikel te schrijven voor www.Noonsite.com om de eeuwig circulerende en inmiddels sterk aangedikte negatieve verhalen te compenseren. Maar je moet de dingen ook in perspectief blijven zien. De criminaliteit viert hier hoogtij, maar is van amateursniveau en staat in geen vergelijk bij de georganiseerde en gewapende misdaad in de "ontwikkelde" wereld. We wisten dat dit kon gebeuren en zijn nu gewoon weer even met de neus op de feiten gedrukt. "Beschouw het maar als ontwikkelingswerk" zegt Harry laconiek.

Aan lager wal bij Ilha Santa Carolina

Er hangt een uitgebreid stabiel hoge druk systeem boven de indische oceaan en dat zorgt voor een ongewoon lang "weather window" met zachte noord-oost winden. Als we ook nog eens de Mozambigue stroom van 3.5-4 knopen oppikken wordt het helemaal een feest. Binnen 3 dagen zijn we opeens 500 mijl zuidelijker. Rond middernacht lopen we de baai van Bazaruto binnen. Tot onze verrassing werkt de vuurtoren en in het licht van de volle maan kunnen we de eilanden goed zien. Even wordt het nog heel spannend. De aanbevolen ankerplek bij het eiland Santa Carolina ligt aan lager wal. We besluiten daarom om een plekje te zoeken aan de andere kant van het eiland. Maar we vergeten rekening te houden met de sterke vloedstroom, die nu met springtij op z'n sterkst is, en worden weggezet richting het rif, dat in het donker niet zichtbaar is. De dieptemeter keldert als een gek van 4 naar 0.5 meter water onder de kiel. "Motor voluit!" brult Harry, die vanachter de kaarttafel onze positie op C-maps in de gaten houdt. Ik zag het gevaar zelf ook en gooi in een reflex het roer om. Meteen loopt de dieptemeter weer op. Oef, daar komen we weer goed weg. Dan maar aan lager wal met wat extra ketting. Voor de zekerheid stellen we het ankeralarm in en houden we ankerwacht, maar dat blijkt allemaal nergens voor nodig.

Het Waddenlandschap van Bazaruto

De baai van Bazaruto is een soort waddengebied met ondiepe vaargeulen tussen droogvallende zandbanken die elk jaar een stukje aan de wandel gaan. Hier geen betonning van Rijkswaterstaat, ook geen staken van de Waddenvereniging. We kunnen dus niet 100% op de kaarten afgaan en moeten met onze ogen navigeren. Lichtblauw is 5m diep, lichtgroen valt droog en de donkere plekken zijn geen riffen maar ondiepe grasveldjes, graasgebied voor dugongs (zeekoeien) maar die zien we helaas niet. Wel krijgen we regelmatig bezoek van nieuwsgierige dolfijnen en steekt er af en toe een schilpad z'n koppie boven water. En er zitten walvissen! Een moeder bultrug met een bijzonder dartel jong komt ons met indrukwekkende sprongen tegemoet. Net als wij zijn ze op weg naar het zuiden. Een maand geleden is er voor de kust van Zuid-Afrika een walvis op een zeiljacht gesprongen. Het schijnt dat die beesten niet goed kunnen zien. We blijven daarom op respectabele afstand en hebben bovendien de motor zachtjes aanstaan zodat ze ons kunnen in ieder geval kunnen horen. Of zouden ze hun oren sluiten onder water? Hebben ze uberhaupt oren? "Ze hebben sonar" zegt Harry.

Het eiland Bazaruto kun je niet missen. De hele kust bestaat uit 40 meter hoge zandduinen die van mijlen afstand zichtbaar zijn. We proberen er naar toe te lopen maar het zand is te heet aan je voeten, zelfs met schoenen aan. Er groeit praktisch niets. Een paar dorre stekelbosjes en een paar waaibomen. Her en der staan een paar ronde stro hutjes, echte dorpen zijn er niet. Laat staan winkels of een restaurantje waar je een koud colaatje kunt drinken. Afgezien van twee magere geiten, zien we ook geen vee. Zelfs geen gescharrel van kippen of eenden. De mensen leven hier van de visvangst. Met kleine bootjes wordt een groot net uitgeworpen dat vervolgens vanaf het strand met wel twintig man, onder luid gejoel van vrouwen en kinderen, met de hand wordt binnengehaald. De visjes zijn iets groter dan een sardientje en worden in de zon gedroogd op een bed van takjes. Onder een afdakje van stro zit een groepje vrouwen naast een stapel van wel 100 dode roggen. Ze snijden de vis in repen die ook worden gedroogd. We vermoeden dat niet alles voor eigen gebruik is maar dat de vis eens per week wordt opgehaald en op de markt in Vilancoulos op het vaste land verkocht wordt.

Hoog en droog......op een zandplaat

Hoe krijg je het voor elkaar? Nou, heel eenvoudig hoor. Je vertrekt 's ochtends vroeg met afgaand tij, zon in het gezicht zodat je de kleurschakeringen van het water niet kunt zien. Als de dieptemeter zakt gaan er niet meteen alarmbellen rinkelen want de zeebodem is hier nou eenmaal niet mooi vlak. Je hebt blind vertrouwen in Cmaps want dat klopte gisteren ook zo mooi. En als je dan toch twee keer zachtjes de kiel over een zandbobbeltje voelt schuren, gooi je meteen het roer de verkeerde kant uit omdat je dacht daar diep water te zien. Motor vol gas vooruit. Niets. Vol gas achteruit. Ook niets. Vervolgens komen er meteen een tweetal vissersboten hun hulp aanbieden. Er staan dan opeens 6 man extra aan dek zodat de kiel nog dieper in het zand zakt. Het water zakt snel en om te voorkomen dat we helemaal omvallen, brengen we met de ankerketting aan het grootzeilval vanaf de top van de mast het anker uit. Aan de andere kant brengen we provisorisch twee stutten aan mbv de twee spinakerbomen. Drie mannen staan met man en macht tegen de romp te duwen, heel aandoenlijk, maar 12 ton houd je niet zomaar even tegen. Als het water tot enkeldiep gevallen is, liggen we onder een helling van 30 graden. De afsluiters hebben we voor de zekerheid maar gesloten voordat er ergens iets gaat hevelen. Ik maak een grote schaal broodjes met chocolade pasta waar de vissers wel raad mee weten. Ze vinden het machtig interessant bij ons aan boord en we moeten ze eraan helpen herrinneren dat er vandaag ook nog gevist moet worden. "Breng nog maar twee grote kreeften" zegt Harry. "Yes, yes, bye, bye". En daar zitten we dan 8 uur lang over het water te kijken. De vaarweg is vanaf hier goed te zien..........

Het venijn zit 'm in de staart

Het Mozambiquekanaal is een lastig vaarwater. Het noordelijke deel valt binnen het orkaangebied. Daar moet je dus in october/november niet meer zijn. In het zuidelijke deel krijg je te maken met zuidwesterstormen die vanaf Zuid-Afrika langs de kust omhoog trekken tot aan Bazaruto. De freguentie en hevigheid van deze stormen is het grootst in de winter en het voorjaar. Alsof dat niet genoeg is, is er ook nog de Agulhasstroom die van noord naar zuid stroomt met een sterkte van 3 tot 5 knopen. Bij zuidelijke winden vanaf een knoop of 20 wordt de zee al heel onaangenaam met korte steile golven. In een zuidwesterstorm is het ronduit gevaarlijk en wordt geadviseerd onmiddellijk naar de kust te kruipen in ondiep water, daar waar de stroom minder sterk is en de golven niet zo hoog kunnen opbouwen. Het is dus van essentieel belang om je trip naar het zuiden goed te plannen en een betrouwbaar weersbericht is daarbij onontbeerlijk. Wij halen via de SSB en pactor modem zgn gribfiles en weerfaxen binnen. Daarnaast melden we ons dagelijks op het Peri-Peri net. Dit radionet wordt gerund door vrijwilligers vanuit Durban. Via hen krijgen we de weersberichten van de Zuid-Afrikaanse metereoligische dienst en de computer geanaliseerde modellen van Buoy-weather die we vergelijken met onze eigen voorspellingen.Bovendien hoor je waar andere schepen zich bevinden en welk weer ze daar hebben. Het ziet er naar uit dat we weer eens geluk hebben. "You'll have 5 days of northerlies" bevestigt Peri-Peri.

We vertrekken samen met "Solaire" een catamaran die ons als een grote snuffelhond voorgaat en ons keurig tussen de zandbanken en riffen door naar open zee leidt. De zon schijnt en er staat een frisse bries. Met uitgeboomde spinakker en vliegend lichtweergenua lopen we 6 a 7 knopen. We zien walvissen en nieuwsgierige "Jan-van-Genten" zweven rondjes rond de mast. Zeilen met een gouden randje dus.

Binnen een dag zijn we Inhambane, een evt tussenstop, gepasseerd. We gaan rechtstreeks naar Inhaca en met deze snelheid komen we als het een beetje meezit, maandagavond rond 20.00 uur aan. De noordoosters zouden t/m dinsdag aanhouden waarna de wind naar het zuidoosten zou draaien. Mooi niet dus. De noordooster houdt er om een uur of zes mee op. We halen de voorzeilen weg en zetten de motor aan. Net als we de verkorte route door de zandbanken in de baai van Maputo willen nemen, begint het opeens te waaien uit het zuidwesten. We herkennen de tekenen en leggen vliegensvlug 2x riffen in het grootzeil en besluiten de vaargeul voor de beroepsvaart te nemen. Die is weliswaar 10 mijl langer maar breed en goed betond. Precies op tijd! Binnen 15 min is de wind aangewakkerd tot 30 knopen. Tot overmaat van ramp krijgen we het tij ook nog tegen. Met de motor voluit, dubbelgereefd grootzeil en klein puntje fok komt de snelheidsmeter amper boven 1 knoop uit. Golven slaan over het voordek en de ankerkluis loopt vol water. Nat beddegoed. Ik sta 6 uur onderbroken aan het roer in m'n zwaarweerpak, m'n gezicht bijtend van het zout. Harry volgt nauwkeurig de voortgang op Cmaps vanachter de kaarttafel. Het is frustrerend, maar we gaan tenminste nog vooruit. "Solaire" wordt achteruit gezet en meld via de marifoon dat ze ergens aan de ander kant van de baai en plekje achter een zandbank zoeken. Wij komen al ploeterend tegen ochtendschemering op de ankerplek aan. Geen enkel weersbericht had dit voorspeld. Een klein lokaal frontje boven land diepte zich opeens uit. Tja, ach, we zijn er weer zonder kleerscheuren afgekomen. Hoewel....Als we het zeil opbinden ontdekken we een scheur van 1,5m in het acherlijk. Niets van gemerkt.

De laatste ......

..... loodjes, mijltjes. Maar ook het laatste flesje wijn, laatste potje mayonaise, laatste blikje tonijn en laatste pak toastjes. We liggen nu al een week verwaaid en raken snel door onze voorraden heen. We hebben zo veel zin in iets lekkers, dat we de noodton maar vast plunderen. We zijn er bijna, die laatste 200 mijltjes naar Richard's Bay zullen heus wel goed gaan toch? Ondertussen zijn er nog twee (bekende) boten bijgekomen. Die hebben diezelfde zuidwester gehad maar dan op open zee. Lier van de mast gerukt, blokken en lijnen gebroken. Iedereen zal blij zijn als we veilig afgemeerd liggen in een goed beschermde jachthaven. Het ideale weergaatje komt niet. Het ene koufront na het andere trekt over. Dan dient er zich misschien een gaatje aan. Max 48 uur noordoosters, gevolgd door sterke zuidwesters. Ai, wat doen we? We hebben in principe aan 36 uur genoeg, maar wat als het tegenzit, wat als het front nu eens eerder komt? Overleg. Moet kunnen is de unanieme opinie. We gaan, en.... het zit tegen. De beloofde noordooster laat op zich wachten. De eerste dag verliezen we 6 uur kostbare tijd met slagen maken in een rustige zuidooster. Maar dan draait de wind in de goede richting, neemt toe, en toe, en toe tot een knoop of 35.. We pikken 3 knopen stroom op. Alleen op dubbelgereefd grootzeil (als ie het maar houdt!) surfen we met een snelheid van 9,5 knopen de haven van Richard's Bay binnen. Net niet voor het donker, maar ruimschoots voor het volgende koufront. En precies op tijd voor "happy hour" op de jachtclub waar we nog meer bekenden treffen. Weer een mijlpaal gehaald.